ew sft j r pen 11 A | IN . a ; / i f . yy : { J, \ ‘ N : if ‚ - i Hit, he 0 el A ' D 5 Tate) , Re len \ f ap af me ft yi 7 Ein RTR ed wth sv f CI, ad a jp OA PAN HA Fe % of 2 6 5 N ek \ MAG elk s H AARD) hd ie ¥ N (rod Paes es ba a May fs 4] We a be 1 mW yy \) ] MLA a> 0E oc Ay Sift fs u (IN . IN oe Aifsttaelt 4 tad “4 fi A A { ie y fi lex, N c (at hs > oy fi) et 4 ’ aby) 5 fi 3) | d Aj ar Ih Me fs , ‘ f j i AN \ hes Bb oe vi 4 f 3 taj ? J ¥ rN A Dz S / fo / ill AIN ih ZE i . Ms fi FN AR / f heks ae, Jij WA j ie AA Ail al 4 a Pad (We 0e / A PD zl. SE hee LM Ao oA fi 8 Afl ' fi Ih ~ Ty AN ey] HP ' 8 GN AA t \ / \ HIN AS at ae y , A AL itl ELAN / wo ‘ dS bE; a4 Diag, APES / ‘ / Sf ped fs He Af is id "| ary ROA Milo / oy Ae ‘A 47 on wee { Ad hed bf, rf ere idee) Ai i f 1) > Ly iy: A f 1 See) vlees Gif: zi. yg : ENEN f SM), / AMR i Ahi f fe hi rs / Qe Wier) ii sae AACA (drf 4 a AE GEND fl A 7 | + ry . Hw Pe i) N . ee, f ; Ó A SISON fl, AAN hia a / HN ke : / of: Nes Nd hid OREN i / Ler Py A } ° j ba el Wet 1 i Ye fi Mw thes A K wf ‘ wm, i ls 40 /M ‘ LG. ne ( ie AD dr: fj a Lo] ji rd VEAL ip 7 if hs 8 4 i IP. Afl 6 why 4 i 4 (i ow wy ) A f 7 Mae vf d Na eee 4 Be d> min pe (ON CA A med Gia y bed} f Sls MAE VALS f 4 CO Tip pu ue i ee Ah NX en it. ny NWA / 7 AA iD hi tae ‘ t we Ad El sh Thc SEM jee BG Us hg OTE of 4 bet ca fet? 3 x A AS, | Mil) ee logs yf by BIS A OY a eee ie Fe: ; / , NE aA / 5 aie 5 s B ‘ fh Ba: | ree le So a veh 4 > sof yi Sh 8, 4 7 ; 5 i ol Ì . ey hi $" ‘, q eid Pi ij BLIES Aij ws (oy LAS di hep AR rk " 4 7 1 eN t |. ef / /, riekt 4 7 / AB Tee ey _ HW i Je 4 PTS Aer) fy me ar heft j 4 oy b a } Wy ie ‚ek nd SE ff y VE ; PE Ge | i Bit Belle Dl if SN ah Ae Cyr 4 by p>, 4 DER ; f ( 7 fia, En JN 9 ff ifn WAS / i) Zil. AS pay Ke i oe TiN Xe is / > / 4 Wf ts Re sf / À ae i y fe / 4 , % B / v I i / jf oi Pile B A hs } Ab y ae / i j 4 are / . cs 7 ra, 4 i 4 qe Je Je Ff! 7 A SN TD a Oy) ©. 2. ii rae i / / f / A ie - / fo / 4 ê rd va be / / SPE / ; $ [jd f ff A UA anr ACS A PACA Belk " few ote f Sf i , / Af (a {1 NS ” f bs » (i N / Af” VA / 5 y / ‘ rl ¢ Aal ee: Ae 7 = ft . f é ‘ / : ft 4 (9 j / fm foe fs As (4 ‘ t Ji Ferdie 1, 7 / ivy fe ps F # ml ; by I y nf Ji Y a i Steal C2 S 10 i . } el “if Ww Ns oft | 7 Sy ; A je / 1 Ad a / EN f ( i 4 fi > "+, is . NK a A / ke bl ze . oH ; i he Ny : ” 4 c ji ; $ Aft ia] ae oe ee / Haf: f A TJ i Hy wd ‘fie rlr by f Fy A YAN, oy oh P f flat 7 a ily AM 5 frat Af k REN CPA a / ‘ y 4 vd A ¢ GQ, 4 ‘] N fi f : " as hihi fak { ‚he / Naf f. 1 fl . “4 Ny / Ls Ee ee ri A J 4 y brie’ Wb ip i { the a i) k ys # i j f} r a off 7 OF, OS TE ft Al ¢ & li / ‘ } / li A 3 a 4 8, j t is ‘ /, v d (l a Pian © id rit, ne | \ ij r acer AN ¢ / 5 Ly} /¢ Asai fi / AM 2% / ms Want Ce ES | vil Oe, < pas Rl, <<: B f IN zi en PES LIBRARY ore la Dd Vidi ay: ONS, NEDERLANDSCH _ KRUIDKUNDIG ARCHIEF. NEDERLANDSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF. ONDER REDACTIE WH. DE VRIESE, W. F. RB. SURINGAR, en S. KNUTTEL. LIBRARY a NEW YORK BOTANICAL GARDEN VIERDE DEEL. VIERDE STUK. LEIDEN, JACs, HAZENBERG Corns, Zoon 1859 29 1902 LIBRARY NEW YORK BOTANICAL GARDEN REGISTER DER VIER EERSTE DEELEN VAN HET NEDERLANDSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF EERSTE DEEL. Bijdragen tot de kennis der Flora van Sumatra inzonderheid van de omstreken van Padang op dszelfs westkust en van het tot dus verre, nog weinig bekende gebied der Battas. Naar aanlei- ding van de onderzoekingen van Dr. JUNGHUEN medegedeeld door W. H. pe Vaiss . . . . 1 Aanteekeningen over een gedeelte van Borneo’s zuid- oostkust, getrokken uit het aldaar in 1836 ge- houden dagboek van P. W. Kortuats.. . . 20 Bijdrage tot de Flora Cryptogamica van Neder- land door F. Dozy en J. H. MotkenBork . . 46 Blik op de natuurlijke gesteldheid en Vegetatie van een gedeelte van Sumatra door P. W. Kortnats 58 Enumeratio plantarum Zeelandiae Belgicae indige- narum quarta Auct. R. B. van DEN Bosco. . 84 Waarnemingen aangaande den berg Gédé op Java HOER Wi On PrIATS yf isc) sr sf) venteetndines 7 De groeiplaats van Dipterocarpus Baudii, ontleend il pag. aan het op reis gehouden dagboek van P. W. Kortn Ars) SUSE SOME se NN Res toen LN Lansbergia Nobis. Novum Genus Iridearum Horti Academici Lugduno-Batavi. Auct. D. V. . . 140 Fred. Lud. Splitgerberi Reliquiae Botanicae Suri— namenses, digessit Guin. Henr. pe Vrinse . . 144 218 et 314 Hymenocallis (Pancratium) Borskiana Nobis. Nova Species Amaryllidearum Horti Academici Lugduno- Batavia wAuete DON eines . 156 Bijvoegsel tot de Flora Campensis das R. ibu 159 Nadere inlichting omtrent Zamia muricata Willd. Naar aanleiding van eene bloeijende plant in de kassen van den Heer A. vAN per Hoop op Spaarn- berg door W. H. pi Vrrase. . . . 162 Aanteekeningen omtrent eenen Geerd ee: lartos Altensteimi Lehm., eene bijdrage tot de nadere kennis der Cycadeen, door W. H. pr Vriùse 168 Berigt van de eerste algemeene bijeenkomst van de Vereeniging voor de Nederlandsche Flora, ge- houden te Leyden den 21 Augustus 1846. . 181 Bijdrage tot de kennis der Myrtaceae, door P. W. Koenen : ee ee PREY Leb Bijdrage tot de kennis Ale hele van Ne- derlandsch Oost Indie door P. W. Korrnars . 207 Planten gevonden in de omstreken van Maastricht door F, J. J. van Hoven . . Sie leer Goniophlebium Reinwardtii pe Vriese, Plm Nova Horti Academici ee, Auct. DEAN cub a Meir Canteens Se. Oe Schets der Mos—vegetatie van het ceed: doorg di) fl) MonKENBORR 7. fer ge) cite tse OU a pag: Opgave van eenige planten in de omstreken van ’s Hertogenbosch verzameld door F. J. J. van ETOVEN Sil st ‚ 213 Bijdrage tot de Alane The van ns Nellesiind, medegedeeld door R. B. van pen Bosco . . 280 Botamischelprijsvragents ses etos e282 Overzigt der Sterculiaceae en Butneriaceae van de Nederlandsche Oost-Indische bezittingen, door Dr: PW. Kortuars sust. ee ON: Aanteekeningen op de Familie der woke van den Indischen Archipel, door Dr, P. W. KortHats 356 Observationes de Exideae amplae structura et evo intione: Auct: Ri Doa) St ape . 364 Verslag der tweede algemeene bijeenkomst der leds van de Vereeniging voor de Nederlandsche Flora gehouden te Zeist den 20 en 21 Aug. 1847 . 369 TWEEDE DEEL. EERSTE GEDEELTE. Analecta Goodenoviearum ad Auctoritatem Herba- riorum Musei Cesarei Vindobonensis, Lessertii, Hookeri, Lindleji, Preissii, Aliorum, proponit Guine EVEN DUP EIESR st snee nde et Bed deel | | | en 137 Verslag der derde algemeene bijeenkomst der leden van de Vereeniging voor de Nederlandsche Flora gehouden te Velzen, den 25 en 26 Aug. 1848. 33 Over eene verhoogde temperatuur, bij de manne- lijke bloem van Cycas circinalis, waargenomen in s’ Lands plantentuin te Buitenzorg door J. E. Trysman, medegedeeld door W. H. pz Vrinse. 172 Iv pag. Over eene zijdelingsche bloem—ontwikkeling aan den stam van Fourcroya tuberosa Ait, waarge— nomen in ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg, door J. B. Teysman . . . Uae see Waarnemingen aangaande den wieden van den bloemstengel eener Agave lurida (?) gedaan in ’s Lands plantentuin te Buitenzorg in het jaar 1845 door J. B. Teysman, medegedeeld door W. H. pi VRIESE. …. ‚ 193 Tweede bijdrage tot de Mn Flora van ien derland, medegedeeld door R. B. van pen Boscm . 202 Epimetrum ad Indicem seminum Horti Academi- ci Lugduno-Batavi Anni 1849. Angiopteris Teys— manniana Nobis. Auct. Gui. HenNr. pe VRIESE. 228 Over eene periodieke verkorting van plantendeelen, benevens uitkomsten van metingen aangaande den wasdom, medegedeeld door W.H. pr Vrissz 236 Polygonum cuspidatum Sieb. et Zucc. Descripsit Gurt, Heye. po, VRIESR Aen deet ee Kritiek en Antikritiek. Een woord over den boom Sambinoer op Sumatra, betrekkelijk deszelfs bota— nische bepaling volgens C. L. Brume (erste ge— deelte), door Fr. Junenunn, met een naschrift doer We Eh ee) Nurrsni ane ZOE TWEEDE DEEL. TWEEDE GEDEELTE. Verslag der vierde algemeene bijeenkomst der leden van de Vereeniging voor de Nederlandsche Flora gehouden te Arnhem, den 17 en 18 Augustus VELO re ate ete Tih enen hel vende anne belgen © Vv Bijdrage tot de kennis der Indische Magnoliaceae, door P. W. Korruats. : Overzigt der Rubiaceén van de Mee Ot Indische Kolonien door P. W. Korrrars en Kritiek en Antikritiek. Teregtwijzing van C. L. Brv- ME’s naamsverwarring van Pinus Merkusi door W. H. pe VRIEsE . é Morphologische beschouwingen OME ae ee van Vitis vinifera, door Dr. C. A J. A. OupemaANs Aérobryum Dz. en Molkb. Novum Muscorum Genus. Epimetrum ad Indicem seminum Horti Academici Lugduno Batavi Anni 1850. Auct. Gum. Henr. DE VRIESE. RN . Kritiek en ane Hen nd over de Se binoer-boom van Sumatra, betrekkelijk deszelfs Botanische bepaling volgens C. L. Brumm. (Tweede gedeelte) door W. H. pu Vrimse . Naschrift door W. H. pe Vrrmsr. DERDE DEEL. Geschiedenis van den kamferboom van Sumatra volgens op dat eiland gedane onderzoekingen van Dr, F. Junemvan, medegedeeld door W. H. DE VRIESE . si ersenesion En Bijdrage tot de Le van de en in het algemeen en het geslacht Rhopalocnemis Juner. in het bijzonder, door Dr. H. R, Görrerr, over- genomen uit de Nova Acta Acad. Caes. Leop. Carol. Nat. Cur. door Dr. C, A. J. A. OuDEMANs. Verslag der vijfde algemeene bijeenkomst der leden van de Vereeniging voor de Nederlandsche Flora pag- 93 99 145 . 139 270 219 . 284 17 90 VI pag. gehouden te Deventer den 30 en 31 Aug. 1850. 125 Epimetrum ad Indicem seminum Horti Academici Lugduno-Batavi Anni 1851. Marattiaceae In- diae Batavae orientalis, imprimis Junghuhnianae cum Herbario Musei Caes. Vindobonensis, Musei Parisiensis, Societatis Linn. Londinensis, Hookeri Lessertii, Reinwardtii, Miquelii, Preslii, cet. com- paravit et enumeravit Guru. Henr, pe Vriese, 183 Verslag van de zesde algemeene bijeenkomst der Leden van de Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen, ge- houden te Leyden, den 18 en 19 Julij 1851 . 197 Verslag van de zevende algemeene bijeenkomst der le- den van de Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen; gehouden te Ley— den, den VOM mn Santi. aye en ne Mirena Verslag van de achtste algemeene bijeenkomst der leden van de Vereeniging voor de Flora van Ne- derland en zijne overzeesche bezittingen, gehou- den te Nijmegen den 15 Julij 1853. . . . . 8310 Eene Montrositeit der Matricaria Chamomilla. Me- dedeeling van W. F. R. SuriNGaAR, ingezonden op de Vergadering der Vereeniging voor de Flora van Nederland enz. den 15 Julij 1853 . . . 355 Prikkelbaarheid der Drosera-bladen. Mededeeling van W. F. R. Surinear, ingezonden op de ver— gadering der Vereeniging voor de Flora van Ne- derland. enz. den 15 Julij 1853 . . . . . 861 Specimen divisionis Systematicae Bromeliacearum , per inflorescentias, proponit J. G. Beer Vindo- bonensis; comm. W. F. R. SuriNGAR. . . . 373 Bijdrage tot de kennis der Chrysobalaneae van Ne- VII pag. derl. Oost Indie door Dr. P. W. Korrrars . 379 Plantae Novae Hortii Bogoriensis in Insula Java, Auctoribus J. B. Teysman et S. BiNNENpijK. 391 Novae Species Hepaticarum ex Insula Java; detexit Dr. F. Junervan, descripsit Dr. C. M. van DER SANDE LACOSTE . . . ‚415 Voorloopig berigt over eene nieuwe “Wolfia toe F. AAW eMigtens vo 2425 Verslag van het heeuaede op dE he ver— gadering der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen, gehou- den te Haarlem den 21 Julij 1854 . . . . 481 Kerste supplement tot den Prodromus Florae Bata- Veen Niece Sen Uwe eh oie Og) OA “A ddendae Speciebus Novis Hepaticarum Javanicarum Herbarii Junghuhniani, quae proponuntur supra 415 et seq. Auct, C. M, van per SANDE Lacoste 521 VIERDE DEEL. Kritische onderzoekingen van planten in ’s lands plantentuin te Buitenzorg door J. C. Hasskart, medegedeeld in brieven aan W. H. pr Vrrzsm. 1 Verslag van de tiende jaarlijksche vergadering der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen, gehouden te Leyden deni 20: Juli 185550. 0 Oh Sistas, Bn Over de Vegetatie van het atid’ lean door DEEGEN URN EST Herbarium von Kritischen Pflanzen von Dr. We 85 Plagiochila Sandei aliaeque novae species Hepati- VII pag. carum ex insula Java, Anct. F. Dozy . 89 Stirpes Novo-Hollandas a Ferd Miillero collectas de terminavit al vAn 1G. IMiQune Weer. Aran ds oe Waarnemingen over eenige kritische inlandsche planten door A. WALRAVEN. , . + , bd Verslag van de elfde jaarlijksche vergadering der Ver- eeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen, gehouden te Utrecht den * Qo xJuli] SSG) eeen ne et, STIL Verslag van de twaalfde jaarlijksche vergadering der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen, gehouden te Leyden den 3 Julij 1857. sl . 219 Orchideae quaedam Lansbergianae, descriptae a HOG REICHENBACHE MILs) (ee ayer AD Ne RLD Orchideae Splitgerberianae Surinamenses, recensitae auctore H. G. RercuenBaAcH fil. . . . , . 819 Cactearum species novas determinavit F. A. Gum. Mireur noi. ‚ 036 Synopsis Hedon le R. B. VAN DEN BoscH. de . 341 Verslag van de dertiende jaarlijksche reat der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen . . 421 INHOUD. Bladz. Synopsis Hymenophyllacearum, auctore R. B. vAN DEN BOSCH . . « » « « « dl Verslag van de dertiende jaarlijksche ver- gadering der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche be- EIA SEM OEE owed NEDERLANDSCH > KRUIDKUNDIG ARCHIEF, ONDER REDACTIE VAN a id E. DOZY. - OS VIERDE DEEL, EERSTE STUK. _ Met ééne Plaat, LEIDEN, \JACs HAZENBERG Corr“ Zoon. 1856. | __NEDERLANDSCH d 4 aaa 4 id E KUNDIG ARCHIEF. } > REIN ; rE. 5 SDE i ‘ > = „ dagen DARE i I 1 a IN „ . 5 - a ; ‘ ‘ i « si = ; ‘ ” i = Ay B NEDERLANDSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF. ONDER REDACTIE VAN VIERDE DEEL, EERSTE STUK. MET BENE PLAAT. UKE ie LEYDEN. JAC. HAZENBERG, Corns. Zocy. 1856. draad aant AAN DE NEDERLANDSCHE KRUIDKUNDIGEN. De ondergeteekende heeft zich voorgenomen, het Ne- derlandsch kruidkundig Archief onder denzelfden vorm en nagenoeg op dezelfde wijze als vroeger voort. te zetten. De inhoud der vorige deelen heeft genoegzaam doen blijken, hoe de vroegere redactie zich van hare taak. heeft ge- kweten, waartoe de bevordering der kruidkunde in alle hare deelen, inzonderheid gegrond op de beoefening der inlandsche planten, zoo wel die van Nederland als van zijne Koloniën) behoort. Het is van daar, dat dit Tijd- schrift, als het ware, het orgaan der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen is geworden. De tegenwoordige redactie stelt er groo- ten prijs op, dat het Archief dit bij voortduring blij- ve, en aangezien het hoofdzakelijk bestemd is voor de _ plaatsing van oorspronkelijke wetenschappelijke verhan— delingen, opstellen of berichten, bétreffende de kruid kunde, in haren geheelen omvang, van Nederlandsche kruidkundigen , heeft zij eer hunne medewerking daar- toe uit te noodigen. Als voorwaarden der uitgave zin, in overleg met de redactie, de volgende bepalingen door den uitgever vastgesteld : Van het Ned. kruidk, Archief zullen s’ jaarlijks, met VI. . — meer dan twee stukken, ieder hoogstens van tien vellen druks, met niet meer dan eéne plaat, worden uitge— geven. Vier stukken zullen een deel uitmaken. Het verslag der Vereeniging voor de Flora van Ned. en zijne overz. bezitt. zal in het, na de jaarlijksche vergadering, eerstvolgend uit te geven stuk worden geplaatst. Deze verslagen znllen niet meer afzonderlijk verkrijgbaar worden gesteld. De schrijvers van de, in het Archief geplaatste verhande- delingen, zullen zich voor den overdruk hunner stukken met den uitgever kunnen verstaan. De prijs van het Tijdschrift is bepaald op 15 ct. per vel druks. Eene plaat wordt niet hooger, dan voor 30 ct. in rekening gebragt. ; F. Dozy. INHOUD. Kritische onderzoekingen van planten in ’s lands plantentuin te Buitenzorg, doorn AHASSKARTRA ee oe Verslag van de tiende jaarlijksche ver- gadering der Vereeniging voor de Flora van Nederland, enz. ..... Í Over de Vegetatie van het Eiland Ame- imo door DE. Kaos.. . Herbarium von kritischen pflanzen, RONDES VVIRTGEN. te een: Plagiochila Sandei aliaeque novae spe- cies Hepaticarum ex insula Java, a DOZEN ele ies eenen Hae — §1. — 85. . — 89. be {5 ye of ok A ine is a ; i en uy oe Ve ty slan. xo EENIGE KRITISCHE ONDERZOEKINGEN VAN PLANTEN IN SLANDS PLANTENTUIN TE “4 IROADY. Buitenzorg » LIBRARY: NEW YORK DOOR BOTANICAL GARDEN J © HASSHARL, i LS MEDEGEDEELD IN BRIEVEN AAN W.H. DE VRIESE, Codonopsis cordata Hsskl. — Wat het geslacht betreft, behoort deze plant zeker tot hetzelfde als C. viridis WIl.; de beschrijving der bloem is echter onnaauwkeurig, omdat zij van de ge- wone vorming zeer afwijkt; om dezelfde reden ben ik overtuigd, dat ook Campanumoea Bl. niet daarvan verschilt en slechts door onjuiste beschrijving niet kan worden herkend. — Bij dit geslacht wordt namelijk door de schrijvers (cf. Endl. Gen. 3074, Suppl. I. p. 1392) van een invelucrum gesproken, hetgeen niets anders is dan de kelk, welker basis of eZ uitge- 2 breide buis (tubus) met het vruchtbeginsel is vergroeid, zoodat de vrije rand als het ware on- derstaande schijnt te zijn; dit is niets buiten- gewoons, en wordt bij meerdere planten aan- getroffen; nu is echter het vruchtbeginsel verder met de buis van de bloemkroon vergroeid, wat door de auteurs is over het hoofd gezien; de rand van de bloemkroon (limbus corollae) is klokvormig-5-deelig, als het ware op het vrucht- beginsel staande (epigynus), verwelkend, lang blijvend en eindelijk verdwijnend. De meeldra- den zijn met den rand op het vruchtbeginsel aangehecht, zij wisselen met de lobben der bloem- kroon af en staan tegenover de kelklobben, uit welke stelling reeds de ware betrekking der kelklobben is te herkennen. Maar er is hier nog eene andere gewigtige zaak op te merken. De vruchten namelijk zijn droog, kapsel-vor- mig, openspringende. Codonopsis heeft echter versch eene vleeschachtige vrucht, ook indien die een jaar heeft gehangen, terwijl zij nimmer openspringt; zij is vioolkleurig, half kogelvor- mig, echter aan de zijden 5-Kantig, afgeplat, dik, van boven als afgesneden, 3-hokkig met uitnemend vleeschachtige zaaddragers (recepta- cula), die met ellipsoidische zaden geheel over- dekt zijn, welke tamelijk groot en gepunt zijn. Het buitenste vruchtbekleedsel is dun, klier- achtig-vleeschachtig, krimpt bij het droo- gen in, maar berst nimmer in kleppen open. Hoewel onze plant, wat het geslacht betreft, niet voor verschillend is te houden van Cam- panumoea Bl. , zoo kan ik toch, om de gladde bladen van dit geslacht, om de bloembladen, die van gelijke lengte zijn als de bladstelen en de kelkbladen, die zoo lang als de bloemkroon zullen zijn bij C. Javanica Bl, onze plant niet daarmede overeenbrengen. Meer gelijkenis heeft zij met Codonopsis viridis WIL. (Wahlenbergia DC. prodr. VIL. p. 424.), maar deze onderscheidt zich door eivgrmige (en niet-hartvormige) bia- den, door bloemstelen, die oksel- of eindstandig zijn, door lijnvormige kelklobben, langere vruch- ten, aangenomen dat die niet openspringen, zoo als is opgegeven. | C. ovata Royl. onderscheidt zich door bijna ongesteelde bladen, eindstandige bloemen, ei- vormige kelklobben, die bijna langer zijn dan de buis, blaauwe bloemkroon en door den ha- bitus. Ik onderscheid dus Codonopsis cordata Hsskl. door de volgende diagnose : »C. perennis, radice rapunculoidea, ramis vo- lubilibus, glabris, foliis oppositis, petiolatis, cor- datis, ovatis, acutis, hirsutulis, subtus glauces- centibus, crenato-serrulatis, 3-5 nerviis; pe- dunculis axillaribus uniflorés, petiolo suo lon- gioribus, folio brevioribus, calyce et corolla in alabastro plano , laciniis oblongo-lanceolatis, ob- 4 solete-serrulatis, corollae lobis paulo longiori- bus, bacca truncata, nunc hemisphaerica, nunc pentagono-subcylindrica, crassa, violacea; calycis laciniis nunc excretis subaequilonga, corolla emarcida postremo decidua coronata, semini— bus ellipsoideis. Habitat sylvas ad pedem montis ignivomi ad 4000” altit.” 2. Pavetta Teysmanni Hsskl. Est species in- termedia inter Ixoram L. et Pavettam L. utram- que conjungens; nam praebet stylum longiter exsertum, tubum corollae fere duplum longum, stigmate bifido laciniis reflexis. Diagnosis haec est. Frutex, foliis coriaceis, superne lucidis, inferne opacis, glaucescentibus, breviter petiolatis, oblongis, obtusis, aut vix acutiusculis, basi rotundatis; corymbis pedun- culatis, multi- et densifloris, fastigiato-trichoto- mis; floribus albo-roseis, corollae faucibus gla- bris; stigmate longe-exserto, bifido, laciniis re- flexis, filamentis longiusculis. _ Hab.insulam Nusa-kambangan, ubireperithor- tulanus indefessus J.E.Trysmann. Est aff mis Jxo- rae barbatae Rxb., quae differt panicula laxa, co- rymbosa , faucibus corollae glabris et stigmate minus exserto. P. macrophylla, quacum in horto Bogoriensi fuit confusa, differt: foliis haud lu- cidis, basi attenuatis, corollis candidis minori- i) bus quam stylus cum stigmate vix longioribus. 3. Pavetta arborescens Hasskl. Diagnosis haec est. Arborescens, glabra, foliis magnis, ellip- ticis, elliptico-oblongis, aut oblongis-acumina- tis, basi acutis, aut obtusis, nunc subattenu- atis, coriaceis, breviter petiolatis, floralibus saepe angustioribus; panicula terminali a basi trichotoma, divaricata, foliis minori, corymbosa parviflora, minute puberula, stipulis acuminatis; calycis dentibus minutis, acutis; corollae albae tubo 4 lin. longo, limbo reflexo, tubum dimi- dium aequanti, stigmatibus exsertis revolutis ; baccis subglobosis exsuccis. Habitat Javae occidentalis sylvas montanas. Nomen Sundaicum Kisokka Gedeh. Differt a spe- cie nostra Ixora undulata Rab. foliis lato-lan- ceolatis (?), bacca transverse-ovali, didyma; 1x. arborea Rxb. foliis obtusis, stigmate in fauce corollae; Ix. oxyphylla WU. foliis longe-acumi- natis, stipulis apice et calycis laciniis subu- latis ; Ix. spectabilis WI. foliis superioribus ova- tis, amplexicaulibus; Zw. longiflora Don, fo- lis, ramulis, inflorescentia et fructubus vil- losis; Ix. Timoriensis Den. foliis oblongis, basi et apice attenuatis, calycibus vix dentatis; Ix. Gardneriana Buth. corollae laciniis ovatis; I. Schomburgkiana Benth. foliis subacutis, basi angustatis stipulisque aristatis. 6 4. Bertiera chrysantha Hassk. Valde accedit ad Menostoriam DC., quod genus calycis denti- bus deciduis solummodo diversum videtur. In- ter Bertierae sectiones nulla reperitur calycis laciniis korizontalibus conniventibus, quae in Menostoria forsan sunt neglectae. In Manetia, cui DC. affinem dicit Bertieram, dentes acces- sorli pariter reperiuntur ac in nostra specie hacce et in B. fasciculata, etsi solummodo glandulaeformes evadunt minuti; bacca est car- nosa nec exsucca, flores aurei, nec albidi. Inter species Bertierae, B. Javanica differt: caule simplici, humili, foliis hirsutis , corollae tubo albido brevi; B. fasciculata Bl. corymbis brevibus petiolo vix longioribus, pedicellis sub- fasciculatis (tubo corollae elongato e diagnosi Bl. nec autem vera!); B. lateriflora Bl. co- rollae rubentis tubo elongato, faucibus veluti- nis, calycis dentibus acuminatis; — omnes ca- lycis laciniis in fructu haud horizontali conni- ventibus. Diagnosis haec est: Frutex foliisobovato- s. oblongo-ellipticis, acutis, basi cuneato-attenuatis; corymbis raris tricho- tomis; ramis et pedicellis patentissimis; corolla aurea, stigmatibus binis, baccis carnosis albidis, calycis laciniis horizontaliter conniventibus. Habitat sylvas pedis montis Gedeh Javae oc- cidentalis, mensibus Majo et Julio flores fructus- que gerens. 4 B. macrocalyx Hassk. Calycis tubo majori, ovoideo, glaberrimo, limbo majori, in fructu dein magis producto, cupuliformi, Iaciniis basi latioribus, sinu minus lato sejunctis; in- florescentia majori, magis patenti-erecta, fruc- tubus majoribus irregulariter subangulatis. Habitat eadem loca cum praecedente, eodem- que tempore floret et fructificat. 5. Lactaria salubris Rumph. Amb. IL. 255. t.84. By DC. prodr. VIII. 354. 5 staat zij onder Gerbera, en wel onder den naam van C. oppositifolia Lam. In Bruxe’s bijdr. is zij ook als Cerbera salutaris voorgesteld. G. Don noemt haar Calpicarpum Lamarkii, en in zijn Museum botanicum, 1. 158. heeft Buume haar eindelijk tot Cchrosia Juss. ge- trokken, maar om dit mogelijk te maken de karakters van dit geslacht eenigzins uitgebreid. Echter stemt de natuur daarmede niet overeen, en verschilt Ochrosia daarvan door detrechtervor- mige bloemkroon, het f-hokkig vruchtbeginsel, de eitjes, die op twee reeksen zijn gesteld, het putamen, dat houtachtig, fibreus, onvolledig tweehokkig of i-hokkig is, de zaden door misdragt 1—2, niet gevleugeld en eene vleesch- achtige kiem. Ik heb dezelve dus van al die geslachten gescheiden, en het geslacht Lactaria als nieuw opgesteld , met het volgende karakter: 8 LACTARIA. Calyx 5-partitus, eglandulosus, parvus, co- rolla hypocrateri-morpha, tubo cylindrico, su- pra medium paulo inflato, faucibus leviter con- strictis, laevi, intus ad filamenta tubo fere toto adnata piloso; laciniis quinque ovato-oblon- gis, acutis, aestivatione vix dextrorsum tortis, fere erectis, dextrorsum imbricatis, appendici- bus faucium nullis; stamina corollae tubo in- fra medium insertis; filamentis huic adna- tis, apice tantum breviter liberis, filiformi- bus; antheris lineari-lanceolatis, acuminatis , filamentorum parte libera duplo majoribus, gra- cilibus, connectivi processu perparvo acuto api- culatis. Germina bina vix ima basi connata, parva, glabra, teretia, acuta, facie interna pla- niuscula bilocularia, gemmulis in loculo quoque duobus superpositis, septo completo placenti- formi medio insertis, erectis, ovatis; stylo fili- formi, brevi, stigmate antheras haud tangente capitato, urceoliformi, basi subgloboso altius angustato, cylindrico, pilosulo, summo apice conico , breviter bilobo. Drupae oviformes, ple- rumque binae, nunc abortu unica, apice acu- tae divergentes, epicarpio laevi membranaceo, granoso, carnoso, sat copioso, endocarpio lig- noso, compresso obovato, apice conico, acumi- nato, longitudinaliter striato et apicem versus mucronulato, in latere latiore utroque leviter 4) sulcato, altero latere dein dehiscente, ibique semina germinantia plantam juvenilem emitten- _ tia fructumque in latere opposito perforantia, quo modo fructus in duas partes aequales sejun- guntur. Endocarpium transverse incrassatum , biloculare, juxta loculos risque parallele cavi- tates binas grandes cylindrico-subreniformes basi obtusas, apicem versus attenuato-acutas, pulpa albida carnosa foetus gerens. Semina in loculo quoque 2, aut abortu 1, dissepimento chartaceo duplici, fragili endocarpii diametro breviori, transverso, intus glaberrimo nitidoarcte adpressa, compresse-ovato-suborbicularia, apice subacuta, margine toto anguste alata; albumen semen implens corneum; embryum inversum albidum cingens eoque plus duplo longius; co- tyledones planae tenues, subrotundo-ovatae; radicula cotyledonibus paulo longior. Lactaria salubris Rumph.; foliis coriaceis op- positis, in apicem ramorum (ex descriptione Rumphii) ternis , verticillatis, obovatis, basi cu- neatis, apice obtusis, imoque retusis (Rumph); cymis longe-pedunculatis, bracteatis, multi- floris; bracteis lanceolatis; floribus pedicellatis, albidis, graveolentibus; folliculis binis aut soli- tariis, flavescentibus, ovoideis, acutis, dein ru- gosis, fibrosis, 2-spermis eorumque cavitatibus fibris lignosis repletis. L. calocarpa Hsskl. ; foliis coriaceis verticilla- 10 tis 3-4nis obovato-oblongis, apice obtusis sive rotundatis, basin versus longe-attenuatis, nunc cuneatis, breviter petiolatis; cymis subumbella- tis, brevipedunculatis, oliganthis, bracteis mi-_ nutis, e basi lato-acutis, floribus sessilibus flaves- centibus; folliculis binis rarius solitariis, ovoideis acutis , coloratis, brevibus, carnosis, 4-spermis eorumque cavitatibus carne spongioso repietis. E Sydney allata in hortum Bogoriensem 6. Bij de afbeelding en beschrijving van Kop- sia arborea Bu. Rumph. IV. 27, t. 181 heeft Brume zijne K. flavida |. c. 28. 3. daarmede vereenigd. Deze laatste , welke zeer veel over- eenkomst met K. arborea heeft, is in de laat- ste jaren ook op Java gevonden, en zoo is het gekomen, dat waarschijnlijk vroeger vrucht- dragende takken ook daarvan zijn verzameld, en als K. arborea in het Herbarium zijn ge- bragt. In de afbeelding behoort de vrucht tot K. flavida; deze is echter |. c. f. 9. zeer on- naauwkeurig afgebeeld, want van beide soor- ten is zij olijfvormig (die van K. flavida iets langwerpiger), aan de basis iets ongelijk, aan de punt stomp of afgerond (maar niet inge- drukt noch 5-groevig), op den buik met eenen ligt verheven naad voorzien, die bij K. flavida ligt gegroefd is; meest komen ze tot twee uit eene bloem; die van K. arborea staan onder. 11 eenen stompen hoek halfregtop, die van K. flavida zijn horizontaal uitgespreid en daarbij grooter. 7. Kopsia Vincaeflora Br. behoort niet tot dit geslacht, maar wel tot Calycarpum Don. Deze plant is niets anders dan Calyc. Roxburgh G. Don., Kopsia fruticosa DC. Prodr. VII. 352. 1. Wicur heeft die in zijne Icones Il. 431. reeds afgebeeld , de vrucht is echter onduidelijk , zoo als uit de volgende beschrijving kan blijken : Drupae plerumque solitariae, altera abortiva ad basin vegeta persistente, ex basi ovata ur- niformes, a latere utroque compressiusculae , supra medium dorso subcurvatae, ventre ab apice ad medium protuberante valde tumido, sulcato, labio pudendorum virginis impuberae referenti, dein in sulco levitcr bivalves, coria- ceae, molliter puberulae, velutinae , 7 lin. lon- gae, 4 lin. latae, 3 lin. crassae, monospermae. 8. Ten slotte nog eenige opmerkingen over de geslachtsbestemming van Hydnocarpus he- terophylla Bu. Rmph. IV. 22. t. 178. B. 4. (zonder bloemen) en in Mus. bot. 15. 27. zon- der bijvoeging overgenomen. Uit die her- haalde bestemming meende ik te mogen be- sluiten, dat er omtrent de geslachtsbepaling dezer plant geen twijfel kon bestaan , toen ik haar toevallig in den tuin te Buitenzorg aantrof, 12 en de begeerte om eene nog vrij zeldzame plan- tenfamielie nader te leeren kennen, mij deed besluiten een goed aantal bloemen mede te ne- men en te onderzoeken. Hoe rees echter mij- ne verwondering, toen ik zag, dat deze bloe- men volstrekt niet met de beschrijving der bloemen van dit geslacht overeenkwamen, maar zich door het viervoudig getal der bloesemdee- len, door dubbel zoo veel kroonblaadjes als kelkblaadjes en dubbel tot viervoudig zoo veel meeldraden als bloembladen daarvan onder- scheiden. Maar ook van Pangium waren die bloemen wezenlijk verschillend, vooreerst ook door het viervoudig getal der bloemdeelen , dan ook door sepala imbricata, door het groot ge- tal van meeldraden in de mannelijke en hun drievoudig getal in de hermaphroditische bloem, door het bolvormig vruchtbeginsel, door aan- wezenheid van bijblaadjes, korte bladstelen, bijna onverdeelden rand der bladen, door de mannelijke bloemen , die op elkander volgend een kleine cyma vormen en door kogelvormige vruchten. Deze plant vormt dus een nieuw geslacht der Pangiaceae, hetgeen ik, omdat het zoo lang met de anderen is verward ge- worden en over het hoofd gezien, Taraktoge- nos (van vepaxrós verward en 7évos geslacht) heb genoemd en op de volgende wijze gekenschetst: Char. gen. Flores polygami. Calyx in alabas- 13 tro imbricativus 4-sepalus, sepalis deciduis , exterioribus paulo minoribus. Coroila 8-peta- la, squamae totidem iis oppositae et basi ad- natae. é. Stamina oo, petalis duplo longiora, filamenta filiformia hbera hirsuta, antherae sa- _gittatae, leculi apice convergentes, basi diver- gentes, longitudinaliter dehiscentes; 9 stamina triplici petalorum numero , iis marium confor- mia et fertilia (?). Germen subglobosum pyri- forme hirsuto-sericeum, f-loculatum , basi levi- ter attenuatum; stigma sessile peltatum 4-ra- diatum ; placentae parietales, gemmulae plu- rimae. Fructus vide Br. |. c. descr. optima. Ik heb deze plant, omdat toch de species- naam »heterophyllum” niet zeer beteekenend is, en het verschil der bladen niet zóó groot is, ter eere van den beroemden kruidkundige, die deze plant in zijne Rumphia zoo fraai heeft geillustreerd, Taraktogenos Blumet genoemd. Hare uitvoerige beschrijving, zoo als ook die van een 150-tal andere min of meer onbe- kende en kritische planten, zullen binnen kort te Batavia in het Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Indie het licht zien, en heeft men reeds met den druk begonnen. Buitenzorg, J. H. MHAsskARL. 25 Julij 1855. VERSLAG VAN DE TIENDE JAARLIJKSCHE VERGADERING DER 4 VEREENIGING VOOR DE FLORA VAN NEDER- LAND EN ZIJNE OVERZEESCHE BEZITTINGEN , gehouden te Leyden, den Osten Juliy 1855. Aanwezig de H.H. pe Bruyn, Mr. L. H. Buse, H. D.. GILDEMEESTER Buse, Dr. H. Bourssz Wits, Dr. F. Dozy, B. J. Fornara, Dr. P. W. Kortnats, W. G. Tor, Jz., W. F. R. SURINGAR. De Conservator, D'. Dozy, opent de verga- dering wegens de afwezigheid van den ho- norairen Voorzitter D'. vAN DER SANDE LACOSTE, en neemt hare leiding op zich met de ken- nisgeving, dat D". van DEN Boscu door huis- selijke omstandigheden tot zijn leedwezen is verhinderd geworden deze vergadering bij te wonen, doch dat hij diens toespraak aan de leden te dezer gelegenheid, hem in ge- schrift toegezonden, als inleiding voor het door dien Voorzitter uittebrengen verslag, straks zal mededeelen. i6 De Secretaris geeft kennis, dat de H. H. pz Vatese, Cop, ABELEVEN, WALRAVEN, ACKER STRA- | TINGH, Kros, EVERWIJN, VAN DER SANDE LACOSTE en Kragpeien zich schriftelijk over hunne af- wezigheid op deze vergadering hebben veront- schuldigd. Daarna verslag gevende van de ver- andering in het personeel der Vereeniging, se- dert de laatst gehouden bijeenkomst, gedenkt hij met weemoed het groot verlies , dat zij door het overlijden van haren medeoprigter en vo- rigen Conservator, D*. J. H. MorkenBoer heeft geleden, en berigt met overlegging der bij hem ingekomene brieven, dat de H. H. van Gro- NINGEN, Prof. Murper en Vrijpaa ZIJNEN voor hun lidmaatschap hebben bedankt, doch dat daarentegen als leden waren toegetreden de HH. S.E. Acker StrATINGH, Phil. Cand. te Groningen, Prof. L. Murver te Deventer en B.J. Fornara, Apotheker te Leiden; hij heeft verder het ge- noegen te berigten, dat het corresponderend lid, — de Hr. Zorumneer, over wiens gezondheidstoe- stand op de vorige vergadering eene verontrus- tende tijding was bekomen, thans volkomen her- steld naar Java is vertrokken. Het eerste punt van beschrijving, zijnde de keuze van een Vice-Voorzitter, in de plaats van wijlen Dr. Morkensorr, aan de orde zijnde, hebben hierover drie vrije stemmingen plaats. Aangezien echter bij gene de daartoe vereischte {7 volstrekte meerderheid van stemmen wordt uit- gebragt, zoo wordt besloten, die keuze tot de volgende vergadering uit te stellen. Als plaats van vergadering in 1856 bepaalt men zich, na eenige discussie, tot Utrecht en wordt de H". pr Bruyn tot honorair Voorzitter aldaar benoemd. Aangaande de excursie na den afloop der vergadering, waartoe zich eenige leden gene- gen betoonden, wordt besloten die in de om- streken van Leimuiden te doen. Een voorstel van den H". Korruars, om aan het corresponderend lid, D". Juncuusn, ter gelegenheid van diens aanstaand vertrek naar Indië, de belangen van de Vereeniging aante- bevelen, wordt aangenomen, en de voorstel- ler verzocht, den wensch der Vereeniging aan dit geacht lid over te brengen. D". Dozy deelt, naar aanleiding van eene meermalen gemaakte opmerking over de vertraging in de uitgave van de jaarlijksche verslagen der Verceniging, mede, dat door het overlijden van D'. Morken- BOER en de aftreding van Prof. pu Verse, hij thans belast is met de redactie van het Kruid- kundig Archief, waarin de jaarlijksche verslagen der vergadering geplaatst worden. Hij verklaart zich bereid om aan het verlangen der leden, ter bespoediging dier plaatsing, te voldoen ; doch be- rigt daarbij, dat alsdan het overdrukken dier 2 is verslagen niet meer kan plaats hebben, zoodat de leden, die tot nu toe gewoon waren slechts die overdrukken te nemen, zullen worden uitge- noodigd het Tijdschrift zelve te nemen, het- welk overigeris op denzelfden voet zal worden voortgezet. De billijke prijs van 15 ct. per vel, waarvoor het Kr. Archief verkrijgbaar wordt ge- steld, (terwijl voor de afzonderlijke overdrukken thans 30 ct. in rekening wordt gebragt) zal , bij eene slechts matige uitbreiding, naar gelang der in te komen stukken, voor de leden niet be- zwaarlijk zijn. Hij verzoekt daartoe vooral hunne medewerking, omdat dit in ons land eenige Tijdschrift voor Kruidkunde, tevens buiten’s lands sedert lang reeds gunstig bekend, en alzoo het meest geschikt is, om als orgaan der Vereeniging, aan hare verrigtingen in deze we- tenschap, de meest wenschelijke openbaarheid te verschaffen. | De HH. Girprmeester Buse en pe Bruyn wor- den tot leden der Commissie voor het nazien der rekening benoemd, waarna het volgend verslag van den Voorzitter der Vereeniging wordt voor- gelezen : M. H. 't Is voor de tiende maal, dat wij heden bij- eenkomen, om door persoonlijke toenadering 19 en onderlinge mededeeling van ’t geen wij be- langrijks op het gebied onzer studie ontmoet- ten, het wetenschappelijk verkeer onder ons aantekweeken, en langs dien weg het doel, waartoe wij ons vereenigden, »de kennis onzer Flora” te naderen. Ik durf op uwe goedkeu- ring rekenen, wanneer ik hieraan de aanleiding ontleen , om, als inleiding tot mijn verslag over het laatst verloopen jaar, uwe aandacht eenige oogenblikken op die, voor onze Vereeniging be- langrijke gebeurtenis te vestigen. ’{ Is niet al- leen het gebruik, dat in sommige streken van ons Vaderland aan de tientallige jaardagen den naam doet geven van Kroonjaar , maar ook wat tot grondslag ligt aan de bepaling onzer statuten betrekkelijk het jaarlijksch verslag en zijnen inhoud , «de vordering namelijk der door ons beoogde kennis’—’t is het een zoowel als het ander wat ons, meen ik, dringt om eenige oogenblikken stil te staan op het bereikte stand- punt, en van dáár een blik rugwaarts te wer- pen op de afgelegde baan, maar tevens met vertrouwen voorwaarts te zien op den weg, die leidt naar het doel onzer pogingen. De feitelijke geschiedenis der Vereeniging ligt buiten de bedoeling van het jaarlijksch verslag: ik onthoud mij daarvan dan ook nu. Trou- wens het af- en toenemend getal leden, de na- men van hen, die onzen kring verlieten zoo- 26 wel als de namen van hen, die toetraden tot onze Vereeniging, de wijzigingen die het Be- stuur onderging, de toenemende uitbreiding van ons Herbarium van inlandsche planten, maar vooral de aanzienlijke geschenken van leden en corresponderende leden aan het algemeen Herbarium en aan de verzameling van planten onzer bezittingen, — dit alles is min of meer uitvoerig in de verslagen der Vereeniging bevat, en het zou eene herhaling zijn van het U al- len bekende, om daarvan thans te gewagen. Eén feit slechts moet ik vermelden, niet om- dat het U minder bekend is dan dat alles, maar omdat het een feit is, waarvan het be- rigt uw en mijn hart heeft vervuld met diepen rouw. Aan dit gevoel van rouw willen wij lucht geven, omdat het hem eert, wiens na- gedachtenis wij vooral wenschen in hooge eere te houden. Want bij en met anderen aan wier be- langen MorkENBOER's leven was toegewijd — het kan U toch niet ontgaan M. IT. dat ik van hem spreek — , bij en met andere Vereenigingen wier belangen hij zoo ijverig en krachtig voor- stond, was het bovenal onze Vereeniging , die zich verheugen mogt in zijne onvermoeide zorg en ondersteuning. Hij was van hen, dig het denkbeeld tot hare oprigting met de meeste gretigheid opnamen en het denkbeeld, om daardoor tot de kennis onzer Flora te geraken, 2i met warmte en geestdrift omhelsden. Zijne kennis der Flora niet alleen, maar ook de hem zoo eigene handigheid en zorgvuldigheid m het behandelen en ordenen van Herbariën, deden bij de oprigting der Vereeniging de keuze der leden op hem vestigen als Conservator. Gedurende acht jaren vervulde hij die betrek- king, en toen hij om verschillende redenen in 1853 daaruit op zijn verzoek ontslagen werd, stemde gewis ieder onzer in met de verklaring van zijnen opvolger, dat Morkenzorr’s dien- sten, als Conservator aan de Vereeniging bewe- zen, boven allen lof verheven waren. En wat hij als lid was voor zijne medeleden, dat en hoe hij met zooveel hulpvaardigheid en zelfverloo- chening hun ten allen tijde met raad en daad ten dienste stond, — zullen wij het niet haast hooger nog waardeeren M. H., omdat het be- wijst hoe goed zijn hart, hoe edel zijn inborst was! — MorkenBoER’s verdiensten als mensch en als geleerde zijn door een zijner vrienden, ons medelid Prof. pr Vriese, elders *) met de hem eigen welsprekenheid gehuldigd. Het moet U, M. H., als mij, goed gedaan hebben, zoo- veel goeds als daar van ons ontslapen medelid is gezegd (ik zeg niet te leezen, maar) zoo %) Jaarboek der Maatschappij tot aammoed. van den Tuinbouw, 1854, bl. 12—17. 22 van ganscher harte te mogen beamen. En wanneer gij met mij erkent, dat wij hen, die de dood van ons scheidde, niet beter, niet méér waardig kunnen eeren, dan door nate- volgen het goede voorbeeld, dat zij in hun le- ven en werken ons nalieten, dan zij ook voor ons het offer, dat wij der nagedachtenis van onzen Morkensoer toewijden, dit: dat wij ons, als hij, zooveel andere pligten slechts toela- ten, geheel toewijden aan de, belangen onzer Vereeniging, en elkander ten allen tijde met raad en daad dienen en helpen als trouwe bondgenoten voor de gemeenschappelijke goe- de zaak. Ja, laat ons, om met zijnen lofre- denaar te spreken, »ook dáárin hem trachten »natevolgen, die in nederigheid en eenvoudigheid »zijn weg hier heeft afgelegd, die zonder zelf- »zucht streefde naar kennis, die het wezen »zocht boven den schijn en in wiens onbegrens- »de zucht naar wetenschapen waarheid en op- »regt godsdienstige gezindheid, ons een zoo »waardig voorbeeld ter navolging is gebleven” De treurige pligt is vervuld, M. H! Ik keer terug tot mijn taak als verslaggever. Mogen dan bij den blik, dien wij rugwaarts willen werpen, de feiten der verloopen tien jaren, als bekend, worden voorbijgegaan, — om zoo nuttiger kan het overzigt wezen van ‘t geen de Vereeniging tot stand bragt, van 23 de meerdere of mindere toenadering tot haar doel. Ik nodig U uit, om U in gedachten te verplaatsen op onze eerste bijeenkomst in Augustus 1845. Zij, die zich daartoe veree- nigden, bragten niets mede, dan belangstelling en lust, om, ter bevordering eener als gewig- tig erkende zaak de handen in een te slaan en met ijver werkzaam te zijn. De Vereeniging werd opgerigt. In korten tijd bezat zij een Herbarium. Im het gemis eener Bibliotheek werd spoedig voorzien. Bijdragen en geschen- ken vloeiden van alle kanten toe. En hoe die bijeengebragte bouwstoffen reeds van den aan- vang aan werden gebruikt, dat bewijzen de mededeelingen en bijdragen reeds van de eer- ste vergaderingen; dat bewijzen die zoowel, als de latere verslagen, dat bewijst het reeds afgewerkt gedeelte van den Prodromus Flore Batavee. Dáár wordt veel gevonden, wat ge- tuigt van belangstelling en ijverige werkzaam heid van zeer velen onzer leden. Zij bevatten menige opheldering van ’t geen vroeger duis- ter of twijfelachtig was, zij bevatten, meen ik, veel, wat reeds nu eene betere en volle- digere kennis onzer Flora verraadt. Getuige de monographische studie van onderscheidene kritische geslachten, die, hoezeer nog niet voltooid, echter aanwijst, dat zoodanige be- werking, en te regt, als de beste methode 2% erkend wordt, om in die geslachten tot be- vredigende resultaten te geraken, resultaten , die ongetwijfeld bij voortgezette studie en steeds rijker materialen verkregen zuilen worden. In één woord, de inhoud dier verslagen be- wijst, dat onze Vereeniging zich met ijver en goed gevolg aan de behartiging harer taak heeft toegewijd. Die taak wordt dan ook thans door haar geheel anders en beter overzien, dan vóór tien jaren. De bewustheid van wat in onze kennis nog opgehelderd, verbeterd, aan- gevuld en afgewerkt moet worden, het juist besef van ’t geen aan die kennis, zoo als zij zich die ten doel heeft gesteld , nog ontbreekt— zij zijn gedurende dat tijdvak’verworven of le- vendiger geworden. En zouden wij dit niet eene belangrijke aanwinst mogen noemen M. H.? Of is het niet de beste weg tot kennis — ik mogt wel vragen: is er een andere, betere weg tot kennis dan de wetenschap van wat aan die kennis nog ontbreekt? kan men niet dan eerst de vereende krachten rigten op de zwakkere punten zonder gevaar te loopen, ze door verdeeling te verzwakken of te verspillen? Laat ons dan, toegerust en verrijkt met die kennis, het tijdvak, dat voor ons ligt, moe- dig binnen treden. Arbeiden wij voort, zoo t kan met nog meer ijver, aan de taak, die voor ons ligt. Laat ons oog daarbij vooral gerigt 25 zijn op die zwakkere punten. Zij zijn nog zeer vele. Behalve de nog zoo in ’t duister gehui- de geschiedenis onzer Flora, zijn het: ver- spreiding, voorkomen, levensduur, bloei- en vrucht-tijd ‘onzer inlandsche gewassen, het verband tusschen deze en de natuurlijke ge- steldheid en menging van onzen bodem, die nog jaren lang onze onvermoeide pogingen eischen zullen. Maar laat ons bovenal daar- bij elkander de hand bieden in den geest on- zer stichting, die gemeenschappelijk streven, gemeenschappelijk arbeiden beoogde. Vis unita fortior zij dan ook onze leuze, en moge de hulp en medewerking, die wij elkander verleenen , steeds met die regt broederlijke bereidvaardig- heid werden verleend, waarvan hij, op wiens voorbeeld wij elkander nog éénmaal willen wijzen, ons een zoo schoon voorbeeld heeft nagelaten. Ik'ga thans over tot het verslag, bedoeld bij Art. 23 onzer statuten en moet in de eerste plaats aan uwe vergadering berigten aangaande de ver- zameling van Amelandsche planten, door den H’. Kros in de vorige vergadering medegedeeld en ter onderzceking in mijne handen gesteld, en voorts aangaande de collectie uit Staats-Vlaanderen van den H™. Watraven, toen te laat ingekomen om 26 in het verslag over 1854 te worden opgenomen. De verzameling, door den H". Kros op Ame- land bijeengebragt, is door mij naauwkeurig nagezien. Zij is ongetwijfeld eene zeer belang- rijke bijdrage tot onze kennis der vegeta- tie van dat eiland, en als zoodanig gewigtig voor onze Flora. Ik heb eene lijst dier verza- meling opgemaakt, die ik de eer heb u hierbij voor te leggen, en daarin later opgenomen de planten, door den H". Bruinsma op Ameland waargenomen, blijkens de mededeeling van Prof. Mrover in zijne Disquisitio geogr. bl. 28 en volg. Deze zijn in de lijst op eene duidelijke wijze on- derscheiden van de planten van den H". Kros, vooral ook omdat deze op autopsie berusten. In den regel vullen beide lijsten elkander vrij wel aan. Enkele dubia der lijst van den H'. Bruinsma (b. v. Genista tinctoria) zijn door de verzameling van den H". Kros niet opgehelderd, evenmin de opgave van Anagallis tenella, die ech- ter door wijlen den Hoogleeraar Horrman opTexel is verzameld, en dus ook misschien op Ame- land te vinden is. Daarentegen is de lijst van den Hr. Brumsma door ons medelid veel meer dan verdubbeld. Ik moet echter ten deze nog opmerken, dat de familiën door den H". Cop bewerkt, ook in deze verzameling door mij aan zijne zorg zijn overgelaten, zoodat mijne lijst op dit punt eene gaping vertoont. Den H°. Kros 27 heb ik verzocht, de daartoe behoorende plan- ten aan den H'. Cop te willen mededeelen, het- geen zeker door hem is geschied, of, zoo ik vertrouw, geschieden zal. Zoo ergens toch, M. H. dan komt het hier op de grootst mogelijke naauw- keurigheid aan. Het is daarbij te doen om de juiste kennis der vegetatie eener streek, die, als eiland, een op zich zelf staand en afgesloten ge- heel vormt, en waarvan de gesteldheid, aard en zamenstelling den deskundige uit de lijst der planten , die zij voortbrengt, geen oogenblik twij- felachtig kan zijn. Eene enkele, op eene onjuiste bestemming berustende, naam is in staat dat beeld der vegetatie te verduisteren en aanleiding te geven tot geheel verkeerde gevolgtrekkingen. Ik maakte reeds vroeger daarop opmerkzaam naar aanleiding eener plantenlijst van het ei- land Urk, door Prof. Hartine in zijne mono- graphie van dit eiland medegedeeld. Met het oog op die vereischte naauwkeurigheid, is het wen- schelijk, dat in mijne lijst het ontbrekende door den H°. Cop aangevuld worde. Daarna zal ik ze den H°. Kros toezenden, met verzoek, ze nogmaals met zijne planten te willen vergelij- ken, en bepaaldelijk de bestemmingen, waarin wij verschillen, naauwkeurig na te gaan. Ik be- houd mij dus voor, om in de vergadering van het volgend jaar omtrent deze belangrijke aan- gelegenheid een volledig verslag uit te brengen. 28 Niet minder belangrijk is de verzameling van den Hr. Warraven van planten, voorkomende in het oostelijk gedeelte van Staats-Vlaanderen, het zoogenaamd land van Axel. Voor onze Ver- eeniging heeft zij grootere waarde dan de straks gencemde, omdat zij door ons medelid in haar herbarium is gedeponeerd, en dus dáár, ook voor hen, die na ons zullen komen, het bewijs zal leveren van zijne waarnemingen. Die verzameling is in den loop van dit jaar door den Hr. WaArrAVEN aangevuld door eene tweede kleinere, maar niet minder belangrijke verza- meling. Ik vat beide in mijn verslag zamen. Haar algemeen karakter wordt natuurlijk be- paald door die planten, die aan de kleigronden, naar den zeekant gelegen, eigen zijn. In zóó verre wijkt zij niet belangrijk af van eene ver-- zameling, in andere deelen van Zeeland bijeen- gebragt. Zij bevat echter bovendien versehei- dene bijzonderheden, die opmerking verdienen. Vooreerst zijn door den H". Warraven verschil- lende, tot nu toe slechts op enkele plaatsen aan- getroffen soorten, ook in de omstreken zijner woonplaats aangetroffen, b. v. Oxalis corniculata, Spartina stricta, Orobanche minor, Zostera nana, Sagina stricta, Batrachium Petiveri, Lactuca salig- na, Bupleurum tenuissimum; ten andere komt het karakter der duinachtige heidestreek, die dat gedeelte van Zeeland van Vlaanderen afscheidt, 29 door de representanten der vegetatie dier streek, sterker uit, dan door het tot nu toe bekende; eindelijk is de Flora van Zeeland door den Hr. WALRAVEN met een vrij aanzienlijk aantal soor- ten verrijkt, die meest alle tot de zoo even be- doelde vegetatie behooren, t. w. Reseda luteola, Achillea ptarmica, Avena pubescens, Sisymbrium Thalianum, Montia minor, Potentilla procumbens, Lemna polyrrhiza, Galium saxatile, Potamogeton densus, Delphinium Consolida, Stachys arvensis, Panicum glabrum, Acorus Calamus, Cochlearia An- glica, die mij aan onze kusten nog niet is voor- gekomen, en Scrophularia Balbisi,eene opmer- kelijke bijdrage tot de verspreiding dezer soort in- ons vaderland. Het verwondere u niet M. H., dat ik eenig- zins uitvoerig over deze beide verzamelingen han- del. Ik geloof dat zij dit verdienen. Ik acht ze zeer belangrijk. Zij vertegenwoordigen tweelokale Flo- ra’s, die ons beide schier ten eenenmale onbe- kend waren, en vullen dus eene aanzienlijke ga- ping in onze kennis aan. Met hoe veel blijdschap zou ik andere dergelijke bijdragen begroeten van zoo vele andere, ons even weinig bekende gedeelten van onzen bodem! Hoe gaarne zou ik u berigten aangaande ingezonden planten-ver- zamelingen van Texel, Vlieland, Terschelling, Schiermonnikoog, Marken, — eilanden, wier vegetatie wij niet kennen, en die in ons Her- 30 barium naauwelijks een’ enkelen vertegenwoor- diger bezitten. En zoo gij meent, dat die be- zwaarlijk te bezoeken en schaars bezochte stre- ken niet ligt eenen onderzoeker zullen uitlokken, wel nu, vestigt uwe aandacht dan op het vaste land en op die uitgestrekte oorden, waarvan wij tot nu toe te vergeefs meer verlangden te weten en te kennen. Wat heeft ons Noord-Holland benoorden het IJ geleerd? Wat weten wij van Gro- ningen, Vriesland, Drenthe, Salland, Twenthe, Limburg? Is ons de plantenwereld in de Betuwe, in het Overmaassche, of het land van Flakkée bekend? Hoe groot is het onderzocht gedeelte der zoo uitgestrekte Provincie Noord-Braband? — Moge het oogenblik niet ver verwijderd zijn, waarop wij, ’t zij door ons eigen onderzoek dier streken, ’t zij door toetreding tot onze Vereeniging van personen, dáár gevestigd, en door hunne waarnemingen met die vegetatie bekend, onze in dit opzigt nog zeer gebrekkige kennis mogen aanvullen ! De bezendingen, door de leden in den loop van dit Vereenigingsjaar ingezonden, zijn wei- nige, de leden, die ze inzonden, dezelfde, wier namen in ieder verslag voorkomen: de Heeren Dozy, Buse, Cop, VAN DER SANDE LACOSTE, BON- DAM en Kok ANKERSMIT. Vooraf zij volledigheidshalve vermeld, dat de excursie, na den afloop der vorige vergadering of door eenige leden in de omstreken van Haar- lem ondernomen, behalve eenen voorraad dou-- bletten voor het Herbarium van eenige zeldzame planten, voor onze Flora verder weinig of niets belangrijks opleverde. Trouwens, dit was te ver- wachten in eene streek, door de Haarlemsche kruidkundigen sedert zoo vele jaren met ijver doorzocht. Vermeldenswaardig is het, dat Psamma Baltica op de duinen, die het Bent- veld omringen, werd gevonden. Naar alle waar- schijnlijkheid komt zij op meer plaatsen in de Hollandsche duinen voor, en is tot nu toe slechts over het hoofd gezien. De planten, door den H". Dozy ingezonden, zijn in de omstreken van Leyden verzameld, meestal in doubletten. Daaronder bevinden zich Sagina apetala, Veronica polita, Orchis maculata Var.elodes en andere rariora. f De Heer Buse zond eenige planten in uitde omstre- ken van Renkom: Pilularia globulifera, FestucaLoli- acea, Helosciadium inundatum (in doubletten) enz. De Heer Corp verrijkte het Herbarium met het, door hem in de nog niet volledig bekende omstreken van Dort en den Alblasserwaard ver- zamelde. Wat echter zijne bezending voor de Vereeniging in hooge mate belangrijk maakt, is de toezending aan dezelve van die exempla- ren van het Deventersch Herbarium, die in den Prodromus zijn opgenomen, en in ons Herba 32 rium ontbraken. Ons medelid gaf ons zoo- doende een goed voorbeeld. Het is mijn stellig voornemen, om in den loop van dit Vereeni- gingsjaar te doen, wat alleriei redenen mij tot nu toe beletten te doen, ondanks het sinds lang gekoesterd voornemen, t. w. om alle in den Prodromus aangehaalde exemplaren van inland- sche planten mijner verzameling, onverschillig of zij al dan niet zoogenaamd uniek zijn, af- tezonderen en aan de Vereeniging te schen- ken. Dáár is de beste, dáár de eenige ge- schikte bewaarplaats dier documenten onzer Flora. En wanneer ik behoefte gevoelde, om mij door eene stellige belofte te verbinden tot het- geen ik tot nu, ten deele uit vrees voor eene tijdroovende en vervelende bezigheid, uitstelde, dan had ik daarbij op het oog de verijdeling, waarmede de onzekerheid van ons leven onze beste voornemens bedreigt. Onze Vereeniging - ondervond daarvan reeds meer dan ééne te- leurstelling en de Flora van Nederland zal nim- mer te boven komen het nadeel, wat door het verspreid raken en te loor gaan der planten- verzamelingen van MEESE , DE GORTER, VAN GEUNS en pe Geer aan hare literatuur en geschiede- nis is berokkend, Houd mij deze uitweiding ten goede M. H. ter wille van het hooge belang der zaak. Ik ga voort met mijn verslag. 33 Aan den Hr. van pen Sanne Lacoste heeft de Vereeniging, behalve de ontdekking eener nieuwe indigena bij Amsterdam, waarover straks nader, eene verzameling planten te dan- ken, door hem in de omstreken van Apel- doorn, Beekbergen, Vaassen en Epe bijeenge- bragt. Zij bevat veel belangrijks, veel zeld- zaams; b. v. Pinguicula vulgaris, Paris quadri- folia, Hypericum montanum (langs eiken-hak- hout te Hoenderloo), Elatine hexandra, Najas minor (beide in ’t kanaal tusschen Apeldoorn en Vaassen), Malaxis paludosa (tusschen Vaas- sen en Epe), Orobus tuberosus en eene in ons land nog niet waargenomene verscheidenheid dezer soort; eindelijk werd door dat lid eene tweede groeiplaats ontdekt van Cetraria glauca, t. w. het rasterwerk van ’t Loo. De H'. Bonpam ging voort met in ons Her- barium de vertegenwoordigers der Flora van Kampen in keurig gedroogde exemplaren neder te leggen. Vergis ik mij niet dan bevatte zijne laatste bezending onderscheidene voor die Flora nieuwe waarnemingen b. v. Alchemilla vulgaris, Centaurea nigra, Potamogeton obtusifulius, Lotus tenwifolius. Oenothera biennis, in het bosch te Leuveren verzameld, schijnt mij toe af te wij- ken, zonder echter te durven beslissen, of zij eene kleinbloemige verscheidenheid, dan wel 0. muricata 1s; daartoe ontbreken de zoo charac- 3 34 teristische wortelbladen der eenjarige plant. Ik neem de vrijheid, de aandacht van ons geacht medelid daarop te vestigen. Eene groeiplaats buiten de Hollandsche duinen van O. muricata zou zeker belangrijk wezen. Delphinium Ajacis en Melilotus vulgaris zijn door hem, blijkens de exemplaren, verzameld bij een’ nieuw aange, legden grindweg. Hoezeer die planten door eene of andere toevallige omstandigheid dáár zijn opgekomen, zijn dergelijke waarnemingen toch niet over ’t hoofd te zien, daar zij ligt den sleutel kunnen bevatten voor de soms zonder- linge verspreiding van dergelijke uitheemsche gasten; eenen sleutel, dien wij voor andere b. v. Aster Novi Belgi, Medicago denticulata, _ Senebiera didyma@, Ranunculus muricatus en an- dere tot nu toe missen. De bezending van den H'. Kok ANKERSMIT was zamengesteld uit planten, bij Deventer en Apeldoorn verzameld: daaronder eenige zeld- zamere, als Carex elongata en dioica uit het Beekbergerwoud. Behalve deze bezendigen van leden ontving echter de Vereeniging in dit jaar ook van an- deren blijken van belangstelling, die ik in mijn verslag niet mag verzwijgen, om dat daardoor krachtig is bijgedragen tot de bevordering van ons doel. In de eerste plaats moet ik gewagen van de 30 toezending door den HS. D". Srarine, Secre- taris der Commissie voor de Geologische kaart van Nederland, van zijn geheel Herbarium, grootendeels uit inlandsche planten bestaande, met de vergunning, om de exemplaren, die aan onze Vereeniging dienstig kunnen zijn, voor haar Herbarium aftezonderen. Ik ontving deze verzameling eerst voor weinige dagen, en moet mij dus voor ’t oogenblik tot de vermelding eener bijdrage bepalen, die gewis de warmste erken- telijkheid van onze zijde verdient. In de vol- gende vergadering zal ik over haren inhoud uitvoerig berigten. - In de tweede plaats is ons eene bijdrage toegekomen van den Heer Huysman, Apothe- car te Harderwijk, bestaande in doubletten van een viertal Lichenen , in de nabijheid dier stad verzameld. Hoe belangrijk deze bezen- ding, ondanks het klein getal soorten, voor ons is zal U blijken, wanneer ik U mededeel, dat de eene dier soorten de indigeniteit eener betwijfelde soort boven allen twijfel verheft, terwijl de andere voor onze Flora nieuw is. Stic- ta pulmonacea en S. scrobiculata zijn door den H". Huysman in ware prachtexemplaren verza- meld, laatstgenoemde zelf vruchtdragend , eerst- genoemde, in plaats van met scutellen, rij- kelijk met Celidium Stictarum Nor. bezet. De beide andere soorten zijn: Usnea barbata (U. 36 florida y. implexa) in sterk ontwikkelde exem- plaren, en Peltigera canina. Op takken, waar- aan Usnea gehecht is, bevindt zich Thelotrema lepadinum. De streek, die deze soorten her— bergt, zal ontwijfelbaar bijdragen om nog an- dere gapingen in onze Lichenen-Flcra aan te vullen. | Voorts ontving de Vereeniging, door tus- schenkomst van ons medelid D'. Dozy, eenige Algen, door den Luitenant ter Zee den Hr. Duriev in den Indischen Archipel verzameld. De tijd heeft mij ontbroken, om ze te bestem- men. Ik behoud mij voor, daarover nader te berigten, alsmede over eene zeer aanzienlijke verzameling Algen, bij Curacao en op de kust van Coro verzameld en mij vereerd door mij- nen vriend, den Luitenant ter Zee Paru, en waarvan eene collectie door mij in het Vereeni- gines Herbarium zal worden gedeponeerd. Eindelijk schonk de H". van Harr J’. aan de Vereeniging een tweetal exemplaren van Chlora perfoliata door den Hr. van HENNEKE- LER in Sept. 1854 op het Groene strand tus- schen Rockanje en Oostvoorne verzameld. Het is mij onmogelijk de gelegenheid, die deze mededeeling mij zoo geheel ongezocht aan- biedt, telaten voorbijgaan zonder nog eenmaal terug te komen op de, zoo bij herhaling en nog zoo straks, betoogde noodzakelijkheid, van de ay documenten onzer Fiora voor verstrooijing of, *t geen daarmede gelijk staat , voor vernietiging te bewaren. De Gorrer nam C. perfoliata op (Fl. VIE Provinc. p. 106), als groeijende veel omtrent de Stad Brielle en op Staalduin bij 's Hage. Enruarr meende, om welke reden dan ook, dat hier eene vergissing moest plaats gevonden hebben, en dat Saponaria Vaccaria bedoeld was”). Het gevoelen van Esruart werd, waarschijnlijk uit gebrek aan de bewijzen vóór pr GoRTER’S opgave, noch door van Geuns , noch door pr Greer weérspro- ken, en Saponaria Vaccaria werd dus en in de Flora Belg. Sept. I. p. 340, en in den Prodr. p. 39 als inlandsch vermeld. Had een der genoemde schrijvers slechts één exemplaar van DE GorTER’S plant kunnen zien, die ge- heele reeks van dwalingen waren vermeden geworden. In den Prodromus is dus t. a. p. Saponaria Vaccaria te schrappen en Chlora perfoliata op bl. 150 na Cicendia filiformis in te lasschen. ’t Mag overigens niet onopgemerkt blijven , dat zij, wat hare geographische ver- spreiding betreft. tot die vegetatie behoort, waarvan onze Flora zoo menig belangwekkend *) Beitr. VI. pag. 47. ’t Is ondenkbaar, dat E. de twee bedoelde - planten niet zou hebben gekend. Zag hij welligt te Harderwijk ver- keerd bestemde exemplaren? Waren die van DE Gorrnr afkomstig? Had van GEuNs ze verkeerd bestemd? 38 voorbeeld oplevert, die tot het Zuidelijk Eu- ropa behoort en in de Flora's der westkust verder noordwaarts zich uitstrekt dan in die van midden-Europa. Behalve in de landen, langs de Middellandsche Zee gelegen, komt C. perfoliata voor in Bohemen, Oostenrijk en Zwitserland , terwijl zij behalve in Frankrijk (van waar zij zich in Rijnbeijeren en Opper- baden verspreidt) ook in Belgie en bij ons ge- vonden wordt. Hare groeiplaatsen zijn veen- achtige , vochtige, grazige gronden. __ Ik moet nog gewagen van Amaranthus retro- flexus, door ons medelid den Hr. van per SANDE Lacoste bij Amsterdam (Oosterdoksdijk) verza- meld en ingezonden. Ik noemde haar straks eene nieuwe indigena. Dit is niet juist, daar zij reeds in de Flora B. S. is opgenomen en wel door wijlen den H". Petir bij Zeist gevonden. Die opgave werd, echter als onzeker, in on- zen Prodr. (p. 207) overgenomen. Omtrent de soort kan na het onderzoek der exemplaren van den H°. v‚ p. SANDE geen twijfel meer bestaan. In hoever echter de vraag: planta advena an aufuga? ook nu nog mag gedaan worden. zal latere ondervinding moeten beslissen. Onder dit voorbehoud meen ik, dat wij haar in onze Flora kunnen opnemen, terwijl ik er echter bijvoeg, dat hetzelfde geldt van A. sywestris , aangezien beide in de Flora's van midden- 39 Europa in de nabijheid van tuinen, van puin- hopen en op dergelijke ruige plaatsen in de na- bijheid van bewoonde en bebouwde gronden voorkomen en vrij algemeen als genaturali- seerde vreemdelingen worden beschouwd. Van laatstgenoemde onderscheidt zich A. retroflexus zóó duidelijk door de dikke, gedrongene, sterk vertakte eindelingsche bloemair en de verlengde zijdelingsche airen , waarvan de bloemen vijf- deelig en de helmdraden vijf in getal zijn, dat eene verwisseling naauwelijks denkbaar is. Vermeldenswaardig ten slotte zijn: Veronica Buxbaumii, waarvan de H°, WALRAVEN eene tweede groeiplaats ontdekte, indien zijn ontoereikend exemplaar daartoe gebragt moet worden, en Orobus tuberosus B. tenuifolius Kocn. Syn. p. 225 eene, zoo ’t schijnt, zeer standvas- tige en opmerkelijke verscheidenheid met zeer smalle lijnvormige bladeren, door den H". v. p. SANDE Lacoste, langs eiken-hakhout te Hoender- loo op de hooge Veluwe verzameld. VERSLAG VAN DEN CONSERVATOR. Door onze statuten verpligt, om ’sjaarlijks verslag te doen van mijn. beheer over het Her- barium en de Bibliotheek.der Vereeniging , ver- meld ik vooreerst, dat er in overleg met den Voorzitter, al spoedig na de vorige vergade- AL ring, gevolg is gegeven aan het toen genomen besluit, om aan de leden eene lijst optegeven van eenige, in den omtrek hunner woonplaats groeijende, planten met uitnoodiging om daar- van een 25-tal instruktive exemplaren ten be- hoeve onzer corresponderende leden, die op het bezit eener kleine verzameling, voor hen merkwaardige, Nederlandsche planten prijs mog- ten stellen, in te zenden. Aan dit verzoek is vol- daan geworden door de H.H. vAn DER SANDE Lacoste. H. G. Buse en L. H. Buse, met toe- zending van een aantal exemplaren van Carex distans, Scirpus rufus , Najas major en minor Elatine hexandra, Corispermum Marschalli, Li- mosella aquatica, Erythraea pulchella, Heleosci- adium inundatum en Chrysosplenium oppositifo- lium, terwijl ik voor mijne rekening genomen heb, het droogen van een aantal exemplaren Eryngium maritimum, Hippophae Rhamnoides en Cakile maritima, die door den H'. HARTMANN waren verzameld. Ook heeft de Hr. Braas, bloemist te Middelburg, hoewel geen lid zijnde onzer Vereeniging, de goedheid gehad , om eene ook aan hem gerigte uitnoodiging , ter verzameling van eenige in Walcheren groei- jende belangrijke planten, te beantwoorden door toezending van een aantal exemplaren van Helminthia Echioides, en met de belofte van de aldaar zoo moeijelijk op te sporen hi Trifolium subterraneum in dit jaar te zullen verzamelen. Van de overige leden ben ik de beantwoording mijner circulaire nog inwach- tende. Door eene U bekende treurige omstandig- heid met bezigheden overladen, heb ik nog geen tijd kunnen vinden, om mijn aangekon- digd voornemen, tot het maken van plantenver- zamelingen voor de leden, uit de doubletten van het Herbarium ten uitvoer te brengen; maar heb mij alleen moeten bepalen tot de toezending van die planten, welke door som- mige leden ter vergelijking en bewerking daar- uit verlangd werden. Het is mij aangenaam deswege te kunnen berigten, dat dit gemaak- te gebruik van het Herbarium voordeelig is geweest, zoo wel voor onze Flora, als ook voor hen, die van de middelen welke onze Vereeniging hun aanbood, zijn voorzien ge- worden. Vooreerst danken wij daaraan eene herziening der inlandsche Characeae door A. ° Braun, Prof. te Berlijn, den bewerker eener monographie dezer plantenfamilie, welke om die reden ook onze inlandsche soorten wenschte te vergelijken. Voor het andere strekt de eer- volle bekrooning der verhandeling van een’ uit ons midden, op de door de Leydsche Hooge- school uitgeschreven prijsvraag over de Algen ten bewijze. Aan ons jongste medelid uit Gro- 42 ningen heb ik, in afwachting van de toegezeg- de uitdeeling der doubletten-verzameling op ‘zijn verzoek een aantal mossoorten verschaft, om hem in staat te stellen, de mosvegetatie ìn de noordoostelijke provinciën van ons land des te naauwkeuriger te onderzoeken. Ik voed de hoop, dat de uitslag van dit onderzoek tot belangrijke aanwinst voor de kennis onzer mos- flora zal leiden, welker gegrondheid reeds aan- vankelijk door den H*. Acker StrATINGE is be- wezen met het wedervinden van Hypnum nitens, eene fraaije alleen door pr Gorter opgegeven soort. Ook aan het verlangen van ons geacht lid uit het vijfde distrikt van Zeeland heb ik voldaan door de bestemming van een honderd- tal mossoorten uit die, in dat opzigt, nage- noeg onbekende streek van ons land. Wij zijn hem de verzameling eener opmerkelijk kleine vorm van Mnium undulatum, in vrucht, verpligt, en kunnen met grond van zijn voort- gezet ijverig onderzoek dezer vegetatie de ont- dekking van menige nieuwe inlandsche plan- tensoort verwachten, waarvan de kiemen uit de landstreken, door welke de rivier de Schel- de stroomt , worden medegevoerd, terwijl de maritime ligging van dit gewest tevens eene eigenaardige plantengroei bevordert. Een ge- lijksoortig verzoek werd mij gedaan door ons geacht lid uit Nijmegen, die mij eene kleine 43 ~ verzameling fungi in verschen staat toezond , waarbij cen paar reusachtige exemplaren van Bovista gigantea en Polyporus cimnamomeus. Insgelijks gaf mij de H°". ScHuURMAN STEKHO- VEN eenige Lichenen ter vergelijking, die hem door den H°. Huysman, Apotheker te Harder- wijk waren toegezonden. Daaronder bevond zich Sticta pulmonacea, die wel is waar reeds door pe Gorter als inlandsch was genoemd, doch welke soort door geene latere kruidkun- digen was wedergevonden. Om nu over het aldaar menigvuldig voorkomen dezer plant des te beter te kunnen oordeelen, verzocht ik hem een vijftigtal exemplaren voor het Herbarium te willen verzamelen, waarop de H". Huysman, ofschoon geen lid der Vereeniging zijnde, zich de moeite gaf om een honderdtal dezer Lichen- soort, benevens de fraaiste vormen van Usnea barbata en de voor ons, land nieuwe Sticta scrobiculata in verschen staat toe te zen- den, en zich tevens bereid verklaarde de Ver- eeniging verder ten dienste te zijn, in alles wat de kennis der inlandsche Flora zou kun- nen bevorderen. Het ontbreekt mij, voor dit verslag , niet aan meer zulke voorbeelden van welwillende mededeeling van onderscheidene belangrijke bijdragen tot de plantenkennis van ons Vaderland en zijne. Overzeesche be- zittingen, waardoor voorwerpen, die anders hk als curiosa slechts zoo lang bewaard blijven als hun bezitter daarin belangstelt, en die bij zijn dood meestal verloren geraken, op eene blijvende en voor ieder toegangelijke plaats werden bijeengebragt. De HH. D". Scuranr en Durrev, Luitenant der Kon. Nederl. marine , hebben namelijk aan de Vereeniging eenige fraaije zeewieren uit onze Oost-Indische Archi- pel geschonken , gelijk ook de Hir. Warze Har- BERTSMA eene fraaije zoophyt uit die gewesten heeft medegedeeld. Insgelijks heeft de Hr. van Hatt, Adjunct-Directeur van ’s Rijks Herba- rium, het doel onzer Vereeniging bevorderd door de mededeeling van eene voor onze Flora merkwaardige plant , Chlora perfoliata L., bij Rockanje in menigte gevonden, die nevens de, in onze duinen meermalen voorkomende Gentianeae, als: G. cruciata, Amarella en cam- pestris , Erythraea Centaurium, littoralis , pul- chella, Menyanthes trifoliata eene, voor de plan- tengeographie van ons land, belangrijke plaats inneemt. Het wedervinden dezer plant op de door DE GoRTER opgegeven groeiplaats heeft eene dwaling in den Prodromus aan den dag gebragt, waartoe het gezag van Enruarr aan- leiding had gegeven. Bij deze blijken van belangstelling in onze verrigtingen door personen, vreemd aan onzen werkkring, aan den dag gelegd, heb ik nog 4S het genoegen melding te kunnen maken, dat Dr. Srarine mij onlangs zijn herbarium ter on- derzoek en vergelijking toezond, met vergun- ning, daarvan voor ons doel een nuttig gebruik te maken. Eene oppervlakkige inzage van deze aanzienlijke plantenverzameling heeft mij reeds de overtuiging verschaft, dat hierdoor voor de kennis der groeiplaats onzer inlandsche plan- ten in der daad zeer veel gewonnen is; terwijl het tot de taak des Voorzitters behoort, U de ver- dere bijzonderheden nopens haren inhoud mede te deelen. Zoo worde onze inrigting steeds meer en meer het middenpunt, waarin zich alle zaken, die voor de inlandsche plantenkunde gewigtig zijn, vereenigen, en terwijl zij tevens strekke tot vraagbaak voor een ieder, die in deze studie be- lang stelt, verschaffe zij hem ruimschoots alle die inlichtingen, welke zulk eene aanzienlijke verzamelplaats van al het wetenswaardige dien- aangaande kan aanbieden. Doch wanneer ik de vrijheid neem, om in dit verslag met een enkel woord te roemen, op al hetgeen door vereende krachten in een tienjarig tijdsverloop is tot stand gebragt, en waartoe op zich zelve staande po- gingen van enkelen ontoereikend zouden geweest zijn, mag ik aan den anderen kant niet ver- zwijgen, hoeveel er in de, onder mijn bestuur ge- plaatste, verzameling nog ontbreekt, alvorens zij alle die bedoelde inlichtingen geven kan, alvo- 46 rens het mogelijk is om het einddoel van ons streven te, bereiken, t. w. de bewerking eener degelijke inlandsche Flora, zoo als de weten- schap die tegenwoordig met regt van eene inrig- ting, gelijk de onze, kan eischen. Wij mis- sen in ons Herbarium nog zoo vele vormen van algemeen hier te lande voorkomende plan- ten. Van weinige gróotere en moeijelijk te droo- gen plantensoorten bezitten wij de eerste ontwik- kelingen met de wortelbladen, de plant voor den bloeitijd of met rijpe vruchten. Wij treffen in ons Herbarium meestal die planten aan, éen of twee exemplaren van iedere groeiplaats, zoo als zij op een bepaald tijdstip van ontwikkeling zijn verzameld geworden, en waaraan slechts een ze- ker getal kenmerken kunnen worden waarge- nemen, die het mogelijk maken, om met min- dere of meerdere zekerheid de vermoedelijke soort te bepalen. Tot het ontwerpen eener be- hoorlijke biologische beschrijving der plantén- soort zijn derhalve deze exemplaren slechts gedeeltelijk bruikbaar ; tenzij men het ex uno disce omnia ook daarop zoude willen toepassen , en de, in deze exemplaren ontbrekende kenmer- ken, die de bepaalde soort op een vroeger of later levenstijdperk oplevert, uit buitenlandsche Florae letterlijk naschrijve, op goed geloof, dat de bijzondere gesteldheid van onzen bodem en luchtstreek , nevens andere omstandigheden, die. 47 gewoonlijk op het leven der planten grooten invloed plegen te hebben, geene verandering zullen teweeg hebben gebragt, noch zullen bren- gen in de kenmerken dezer plantensoort op een vroeger of later tijdperk van ontwikkeling. Ik ben daarom voornemens, ter aanvulling van hetgeen er in ons Herbarium tot dat einde ontbreekt, eene lijst op te maken van planten, waarop het gezegde toepasselijk is, en de leden uit te noodigen, zich met het bijeenbrengen van het benoodigd materiaal voor eene goede planten- beschrijving, uit Nederduitsche planten ontleend, bezig te houden. Thans overgaande tot de vermelding van de bijdragen tot onze verzameling, gedurende het verloopen jaar, kan ik met genoegen berigten, dat deze door de zorg van Prof. pe Vriese eene schoone aanwinst heeft gekregen uit de doublet- ten van het Herbarium Junghuhnianum, waar- onder de Oost-Indische Gramineae en Bambusa- ceae, zoo als die door den H°. Buse zijn be- werkt geworden. Van het laatstgenoemde lid ontving ik nog, behalve de reeds genoemde planten, onder anderen Festaca loliacea, een afwijkende vorm van Potamogeton rufescens, Pi- lularia vulgaris , als ook een twaalftal rijstsoorten en eenige onbestemde West-Indische zaden; van den Hr. van per SANDE Lacoste: Myriophyllum alterniflorum; Potamogeton pusillus, Littorella la- 48 custris, Juncus lenuis , Panicum sanguinale en glabrum , Hypnum stramineum fruct., Mnium sub- globosum fruct , Bartramia fontana fruct., bij Apeldoorn verzameld, Malaxis paludosa en Gra- tiola officinalis bij Epe, Hypericum pulchrum en montanum, Orobus tuberosus, Lycopodium Cha- maecyparissus bij Hoenderloo, Polystichum The- lypteris en cristatum bij Muiden, Paris quadri- folia, Beekbergerwoud. Hetzelfde lid maakte mij ook opmerkzaam, dat eene door hem in 1851, aan de oevers van het Legmeer bij Am- sterdam, gevonden Bryum-soort verkeerd in den Prodromus Florae Bat. als Br. latifolium Br. et Scu. is bestemd geworden, alzoo die gebleken is te zijn eene, in 1854 door Witson Br. Mar- ral genoemde, nieuwe soort. Zoo veel mij be- kend is, werd deze plant buiten Engeland nog niet waargenomen. Uit deze, door een opper- vlakkig onderzoek veroorzaakte dwaling blijkt dus weder, hoe noodzakelijk het is, om onze inlandsche planten in alle hare deelen te onder- zoeken en met de daaraan verwantte soorten naauwkeurig te vergelijken. Voor de leden, die het werk van Brucu en ScHiMPER, Bryologia Europaea, waarindeze nieuwe soort uitvoerig is beschreven en afgebeeld, niet bezitten, diene de volgende korte diagnose: Bryum Marratm Wilson, — monoieum, brevicaule, fo- liis erecto-patentibus, oblongo- vel elongato-ellipticis, muticis, 49 iutegerrimis, concavis, costa paulum sub apice evanida; tore masculo in innovatione femineae simili terminali aperto; perichaetio brevi vaginula breviore; capsula in pedicello stricto apice arcuato pendula vel inclinata, minuta, subglobosa, collo brevi in pedicellum defluente, sicca sub ore haud co- arctata; operculo parvo papilla longiuscula instructo; peri- stomio minuto, interno externo tota longitudine adhaerente ; annulo latissimo valde composito revolubili; sporis magnis. [Bryol. Eur. Tab. Suppl. IL generis Bryi cum descr]. Deze plant, een der fraaiste Brya, heeft hare natuurlijke plaats naast Br. [Cladodium) latifo- lium, hoewel haar peristomium alle kenmer- ken van Br. [Piychostomum] cernuum vertoont. Zij onderscheidt zich duidelijk van Br. latif. door hare minder breede en meer holle en ste- vige bladen, door haar korter perichaetium, de dikkere en meer afgeronde vaginula, door hare kleinere, bijna bolronde kapsel, dat met een kleiner doch veel langer getepeld operculum is voorzien, door een’ breedere ring en ein- delijk door haar minder volmaakt inwendig pe- ristomium, hetwelk aan het uitwendig peri- stomium, welks tanden kleiner zijn dan bij Br. latif., is vastgehecht. Beide deze soorten groci- jen overigens bij elkander op vochtigen zand- grond bij Southport in Lancashire. Het is dus niet onmogelijk , dat, door nader onderzoek op hare groeiplaats in ons land, Br. latif. het thans ontnomen burgerregt weder zal terug- krijgen. Ors medelid van per Sance Lacoste 4 50 heeft intusschen door het weder verzamelen en inzenden van een honde: dtal fraaije exemplaren van Br. Maratti voor het Herbarium, de indi- geniteit dezer soort buiten twijfel gesteld. De H". Bonpau heeft weder eene verzameling van 120 plantensoorten ingezonden uit de om- streken van Kampen, Zalk, Harderwijk, Hat- tem, Oldenbroek , Grafhorst, Oosterwolde, Leu- veren, met bijgevoegde aanteekening, dat Meli- lotus coerulea en Delphinium Ajucis aldaar op het puin van een’ nieuwaangelegden grindweg zijn gevonden, en dus waarschijnlijk van elders af- komstig zijn; dat Medicago sativa en Silene noc- tiflora aldaar slechts sporadisch groeijen; dat de soorten, die bij Wittenstein, een landgoed onder de gemeente Kamperveen gelegen, zijn gevon- den, niet in de Flora Campensis zijn opgeno- men, omdat deze plaats, naar de ligging en den bodem, meer als tot Gelderland behoorende kan worden aangemerkt, en dat Erica Tetralix, welke plant anders langs onze rivieroevers niet voor- komt, te Zalk waarschijnlijk met de aldaar aan- geplante dennen, waaronder zij groeit, zal zijn overgebragt. Hij meldde mij ook, dat Stenactis bellidiflora niet was wedergevonden en dat An- them’s tinctoria door het wegbreken van nage- noeg alle de oude stadsmuren van Kampen zoo goed als verdwenen was. De toezending van eene fraai gekleurde afbeelding van een Agaricus was of mij ook zeer welkom; zij was echter met ze- kerheid niet te herkennen door het ontbreken van de kleur der sporen en van de beschrijving der kenmerken, die in eene afbeelding moeije- lijk of niet kunnen worden uitgedrukt. D'. van pen Boscu verrijkte het Herbarium weder met een paar honderd soorten van fungi uit de collectién die tot de Flora van Pruissen behooren, en bestemd zijn door D". Erkan te Koningsbergen , tot die van Frankrijk en Duitsch- land van Scnuurz, benevens enkele soorten uit Spanje van M. Wirkoum. Eindelijk zullen de leden ongetwijfeld met het grootste genoegen het berigt vernemen, dat ons corresponde- rend lid re normanp aan de Vereeniging eene collectie Fransche planten heeft geschonken, welke hij in een volgend jaar zal com- pleteren, waardoor wij in het bezit geraken van een volledig, goed gedetermineerd en uitstekend gedroogd Herbarium der Fransche Flora. | Als den uitslag der botanische excursie ver- leden jaar na den afloop der vergadering in de omstreken van Haarlem , het Bentveld , Zand- voort en Vogelenzang vermeld ik ten slotte de verzameling van Papaver Rhoeas albiflorus, Lythrum Salicarta [forma dunensis|, Erythraea littoralis , E. Centaurium, Anagatlis arvensis | for- ma pygmaea|, Galium Mollugo-verum en vero- oF Mollugo, Stellaria graminea B. brevifolia Wain. Vicia angustifolia, Cirsium Anglicum, Corisper- mum Marschalli, Herminium monorchis, Orchis incarnata, O. latifolia, Gymnadena con-psea , Potamogeton Zosteraefolius, een zeer afwijken- de vorm van Festuca pratensis, Agrostis ma- ritima, Psamma Baltica, Carex trinervis , C. tereliuscula, Cladium Mariscus; verscheidene dezer planten in een groot aantal exemplaren. Behalve de opgenoemde soorten zijn er nog een aantal verzameld tot plantenfamiliën behoorend, waarvan de bestemming aan de leden is over- gelaten, die zich met hare bewerking hebben belast, en waarvan de uitslag later zal wor- den medegedeeld. Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat deze streekg edurende zoo vele jaren door bijra alle onze kruidkundigen is bezocht geworden, dan is de ontdekking van de nieuwe groeiplaats van Psamma Baltica wel het grootste bewijs, dat er voor de kennis der vegetatie, zelfs in zeer bezochte streken van ons land nog veel te doen is overgebleven. In de inrigting van het Herbarium is sedert het vorig verslag geene verandering gebragt. Het inschikken van nieuw bijgekomene planten en het in orde houden der phanerogamische ver_ zameling neemt zoo veel tijd weg, dat ik slechts een begin heb kunnen maken met het revide- a3 ren en ordenen der kryptogamische planten, waaraan eene groote behoefte bestaat, alzoo die meestal niet of slechts oppervlakkig bestemd, en niet zelden met den bodem waarop zij ge- vonden zijn, werden ingezonden. Voor onze Bibliotheek heb ik in het verloo- pen jaar weder aanzienlijke boekgeschenken ont- vangen. De belangrijksten zijn ongetwijfeld die van de Smithsonian Institution for knowledge te Washington, bestaande uit de volgende boek- werken : Flora and Fauna within living animals, bi L. Lewy. M. D. Washington, April 1853. In dit werk vindt men de geschiedenis der entozoa, ectozoa en entophyta op eene wijze be- handeld, die ons niet alleen een beknopt en dui- delijk overzigt geeft van hetgeen omtrent deze merkwaardige voorwerpen uit het planten- en dierenrijk reeds door andere schrijvers bekend was gemaakt van den tijd af, toen onze be- roemde landgenoot LeeuwennoekK het eerst de algendraden in den mond van den mensch door zijn mikroskoop aan het licht bragt; maar ook heeft de bekwame schrijver in een tiental keurig uitgevoerde platen, de hoogst uitvoerige mikros- kopische analyse van verscheiden tot hiertoe on- bekende geslachten en soorten van dergelijke voorwerpen afgebeeld. Hij heeft alzoo den weg gebaand op een nog grootendeels onbekend veld a4 der wetenschap, en zijn onderzoek voortgezet in eene rigting, die ook voor de physiologische en pathologische anatomie van het menschelijk ligchaam hoogst gewigtig kan: geacht worden, en waardoor welligt menig duister punt in de verklaring van het ontstaan van sporadische en epidemische ziekten zijne opheldering kan vinden. Observations on the Batis maritima L. On the Darlingtonia Californica, een nieuw geslacht der Styraceae. Plantae Fremontianae or descriptions of plants collected by Col. s CG. Fremont in California. Washington City, April 1853. Uit deze verhandelingen van den bekwamen kruidkundige Jour Torrey, waarin de planten door fraaije afbeeldingen met hare ter onder- scheiding dienende analyse van genus en spe- cies zijn opgehelderd, verkrijgt men een denk- beeld der Flora van een gewest, hetwelk zoo als hieruit blijkt, niet alleen voor gouddorsti- gen openstaat, maar ook voor echt wetenschap- pelijk onderzoek toegankelijk is. De opnoeming der hier behandelde nieuwe genera en species kan voor hen, die deze plantenfamiliën bewerken, dienstig zijn. Tot de Portulaceae behoort Spra- guea umbellata ; Bombaceae anomalae, Fremon- fia Californica; Libocedrus decurrens verwant aan Thuya; Emplectocladus fasciculatus eene Rosacea ; Chamaebatia foliolosa onder de Mimo- 30 seae; Carpenteria Californica een aan Phila- delphus verwant geslacht; Hymenoclea Salsola , Franserva deltoidea, beide Chenopodiaceae ; Amphipappus Fremontit onder de Compositae, en Sarcodes sanguinea tot de Monotropeae. Catalogue of the described Coleoptera of the united States by F. E. Mersnemer, M. D. revised by S. S. Harpeman and J. L. Le Conyts. Washington, Julij 1853. Seventh annual report of the board of Re- gents of the Smithsonian Institution for the year 1852. Washington, 1853. Directions for collecting, preserving and transporting specimens of natural history, prepared for the use of the Smithsonian Institution , second edition. Washington, January 1854. - Registry of periodical phenomena and direc- tions for collecting minute microcopic or- ganisms (Algae microscopicae). Het laatste houdt eene lijst in van Ameri- kaansche planten, ter invulling bestemd van het tijdstip, waarop de belangrijkste periodische _levensverschijnselen der plant zich op eene be- paalde groeiplaats vertoonen, b. v. de blad- making, bloei- en vruchtrijpheid , het afvallen der bladen. De invulling van gelijksoortige ta- bellen voor de waarneming van die verschijn- selen bij onze inlandsche planten is ook vóór 56 twee jaren aan de leden onzer Vereeniging aanbevolen. Eene lijst van de inrigtingen met welke de Smithsonian Institution in betrekking staat. Onze Vereeniging komt daarin voor on- der den naam van Botanical Society of the Netherlands. Een afdruk met de wetenschappelijke bij- lagen tot N° 227 der Leipziger Zeitung 1854, over den werkkring van het genoemd Instituut , door zijnen Correspondent D*. FrüceL te Leipzig. | De H". Bonpam schonk aan onze Bibliotheek: Nouveau système de Botanique et de Physio - logie végétale avec Atlas, par M". Rasparr. Bruxelles, 1837. D'. vy. p. Bosca: Descriptiones plantarum novarum auct. H. G. Boneard, cum 22 tab. Petrop. 1839. Blumenbachia, novum Loasearum familiae genus etc. auct. H. A. ScHRADER, cum tab. 4. Gottingae 1827. Systematisches Verzeichniss der im Indischen Archipel u. s. w. gesammelten Pflanzen von H. Zouuncer, 2 Hefte, Zurich 1854. M’. L. H. Buse: Herbarium Horstianum seu de selectis plan- tis et radicibus libri duo, auct. G. Horstu , Marburgi 1630. a7 Epistolae philosophicae et medicinales Ja- cop! Horstu, auct. R. Reweccio, 1596. Histoire des plantes de l'Europe etc. Lyon 1753. Catalogus plantarum in usum horti bot. Pra- gensis, Pragae 1796. Eindelijk is nog voor onze boekerij ingeko- men het verslag der negende vergadering van de Vereeniging voor de Flora van Ned. enz., in overdruk uit het Kruidkundig Archief, be- nevens een groot aantal afdrukken van de daar- bij behoorende plaat. Aangaande het door de leden gemaakt ge- bruik van onze boekverzameling heb ik het genoegen hierbij nog mede te deelen, dat ik aan een verzoek van Prof. Kickx te Gend heb kunnen voldoen, ter bezorging van eene kopij der afbeelding van Phallus Hadriani uit een werkje van onzen beroemden landgenoot H. Jons, van hetwelk een afschrift door de goede zorgen van onzen voormaligen conserva- tor in onze Bibliotheek berust. Na deze verslaggeving, deelt de conservator nog de volgende missive mede, die hij te kort voor de vergadering in zijne betrekking had ontvangen; om van haren inhoud in zijn ver- 58 slag melding te kunnen maken, en die hem ook te gewigtig was toegeschenen, om niet in haar geheel aan de leden voor te lezen : »Het was mijn wensch — en die wensch werd voorleden jaar te Haarlem ook door andere leden geuit — dat de tiende vergadering onzer Vereeniging zich door een feestelijke tint zou onderscheiden. Voor mij was het reeds sints geruimen tijd duidelijk, dat ik aan de verga- dering dit jaar niet zou kunnen deelnemen. En toch wenschte ik, dat er daar een substantieel bewijs mijner blijdschap en belangstelling zijn zoude. Een geschenk is in zulke omstandighe- den het middel, waartoe men grijpt, en ook ik heb tot dit middel gegrepen om aan mijne behoefte tot deelneming te voldoen. Gij ont- vangt dus eene verzameling Kaapsche planten (ongeveer 1600 soorten), verzameld door Eck- LON, ZEYHER en DRÈcE, voor het algemeen Her- barium der Vereeniging, waarin die Flora, zoover ik weet, nog niet vertegenwoordigd is. Ik moet mij nog bij u verontschuldigen , dat ik nog niet voldaan heb aan uwe uitnoodiging, om doubletten te verzamelen voor onze corres- ponderende leden. Het grootste gedeelte der door u mij opgegeven behooren tot de najaars- flora onzer kusten: deze kan ik dus pas in het aanstaande najaar verzamelen , althans wanneer 59 de praktijk mij daartoe niet, zoo als voorleden jaar, de mogelijkheid beneemt. Een tiental soorten echter zijn in de laatste weken inge- zameld en gedroogd. Ik hoop ze u, met de overige twintig, (want uw lijstje bedraagt niet minder dan dertig soorten!) vóór den winter toe te zenden. Eene collectie fungi op verdund houtazijn heb ik, omdat ze mij te veel plaats wegnam, moe- ten opruimen. Is uw voornemen, om de col- lectie der Vereeniging voort te zetten, en zijt gij gediend met eene verzameling flesschen van allerlei grootte , dan zal ik ze behoorlijk laten inpakken en u voor de Vereeniging toezenden ? was geteekend , VAN DEN Boscu.”’ De vergadering zeer getroffen over dit bij- zonder en kostbaar blijk van belangstelling in de Vereeniging, verzoekt den Secretaris daar- voor haren dank aan den afwezigen Voorzitter over te brengen, waarna de werkzaamheden voor een’ korten tijd geschorst worden. — In- middels neemt de finantiëele commissie de re- kening en verantwoording van den Secretaris op, en berigt dienaangaande na de wederope- ning der vergadering, die in goede orde te heb- ben bevonden. 60 De H". pe BRUIN deelt nu, als inleiding van zijn aangevangen onderzoek der inlandsche Rubz, eenige opmerkingen mede over de kenmerken, waarop bij de soortsonderscheiding dezer plan- ten inzonderheid.moet gelet worden , en hel- dert dit met onderscheiden voorbeelden op. Zijne reeds verkregen uitkomsten werden met veel belangstelling aangehoord, en hij wordt dringend uitgenoodigd tot voortzetting van zijn onderzoek en tot bewerking van alle inlandsche Rubus-soorten op die wijze. Eene missive van den H°. KrAEPELIEN wordt voorgelezen, vermeldende de verandering der vegetatie in de omstreken zijner woonplaats, ten gevolge van de droogmaking der moeras- sen aldaar door toenemende landontginning. Een aantal exemplaren van Lobelia Dortman- na en Corydalis claviculata werden daarbij voor het Herbarium ingezonden. Namens het corresponderend lid D". Wirt- GEN te Coblenz, wordt door den voorzitter be- rigt, dat hij tot zijn! leedwezen de vergadering | niet kan bijwonen , maar haar zijne beste heil- wenschen te dezer gelegenheid toezendt, waar- bij hij een herbarium van Mentha- en Rubus- soorten uit de Rijnlanden, de vrucht van zijne voortdurende studiën en onderzoekingen dezer plantenvormen en hybriden, tot een geschenk aan de Vereeniging aanbiedt. Aangaande het oi plan tot onderzoek der Flora van de Rijnlan- den, meldt hij, dat hierin verandering is ge- komen, en thans eene Rijn-Vereeniging voor de gezamenlijke natuurwetenschappen zal worden opgerigt, onder de leiding der Pollichia, waar- door hij zich verpligt heeft geacht van de hem, op het Verein te Wiesbaden, opgedragene leiding van het oorspronkelijk plan aftezien. De vergadering verneemt met genoegen deze blijken van belangstelling, waardoor de Ver- eeniging in staat wordt gesteld tot de zoo hoogst moeijelijke soortsbepaling bij de genoemde ge- nera. De reeds van dit lid ontvangen keurig gedroogde, typische exemplaren van kritische plantensoorten, doen haar met verlangen de verdere plantenbezending te gemoet zien , waar- voor zij dezen zoo ijverigen natuurvorscher ha- ren dank betuigt. *) M". L. A. Buse levert daarna eene bijdrage van den volgenden inhoud : »R. Vrsranr heeft in de Florae Corsicae novae species een Juncus insulanus beschreven , waar- van hij in zijne Flora Dalmatica deze diagnose geeft : J. eulmis foliatis bifidis, folia linearia filiformia tenuia subaequalia, floribus in dichotomia solitaribus apice fasci- *) Ten dienste van hen, die zich willen wijden aan het onderzoek van deze moeijelijke plantensoorten, waarvan vele ongetwijfeld, vooral in de oostelijke streken van ons land zullen voorkomen, wordt naar het hierachter volgend berigt verwezen. 62 Culatis subternis, perianthio capsula obtusa longiore Vis. Fl. Dalm. I. p. 112. Affinis admodum J. bufonio, a quo vero recedit prae- sertim inflorescentia; in illo flores unilaterales solitarii secus cymae ramos dispositi, in hoc flos solitarius in dichotomia ramorum, in apice vero bini vel terni ageregati, ramis ipsis ceterum nudis, hinc habitus plantae florentis satis diversus. Kocu, op het voorbeeld van Roru. en Scuurr. Syst. Veg. Vol. Vil. p. 1. pag. 226, noemt de- zelve in zijne Synops. fl. Germ. et Helv. Vol. II. pag 845 eene varieteit van J. bufonius L., met deze kenteekenen: Caule humiliore, robustiore, floribus binis ternisve fasciculatis. Als synonym voert hij aan J. mutabilis Savi pag. 344, en J. hybridus Brot. lusit. IL. pag. 513, waarmede denkelijk dezelfde Juncus bedoeld is. Retcurn- BACH daarentegen erkent weder J. insulanus Vis: als soort met deze diagnose: ,radice fibrosa, foliis linearibus canaliculatis, calamiis paucis, corymbo decomposito, floribus subbinis fasciculatis , alaribus teminalibusque, sepalis acuminatis, capsula obliqua obtusa longioribus.” Ic. fl. Germ. IX. NO. 877—881. Als synonym geeft hij op: J. fasciculatus Brrr. Fl. It. en J. bufonius var. 8. DesFoNTAINEs, Ik leg hierbij ex. over in het duin bij Over- veen verzameld, die mij voorkomen aan de beschrijving, zoo wel als aan de afbeelding te beantwoorden; uitlandsche specimina ter ver- gelijking bezit ik niet; die zulken bezitten mog- 63 ten, zullen mij door hunne opinie te geven, veel genoegen doen. Nog meld ik, dat J. bufonius radice tuberosa, door Prof. v. HALL opgegeven, reeds lang geleden door mij in het duin bij Velzen is verzameld, en eindelijk dat J. pyg- maeus Trui. van den Prodromus, de J. trian- drus Govan volgens Reus. Ic. fl. Germ. ook in het duin bij Zandvoort door mij is gevonden, waar- van ik hier eenige specimina overleg.” De voorzitter den H°. Buse dankzeggende voor zijne mededeeling, maakt daarbij de aanmer- king, dat de bedoelde J. insulanus waarschijn- lijk dezelfde vorm is, die door den H°. Harr- MAN in de omstreken van Haarlem in het vorig jaar is opgemerkt, en waarvan de exemplaren in het Herbarium als een bijzondere vorm van J. bufonius zijn bestemd. Hij vertoont daarna een paar volledige ex. van Lilium bulbiferum Kocu B. croceum, en leest, betreffende het voor- komen dezer plant en hare groeiplaats, de vol- gende bijzonderheden uit eene brief van den H". ACKER STRATINGH voor: »men vindt deze lelie te, Zuidlaren, Gieten, Rolde, Borger enz., op de hooge koornlanden, waarop bijna jaar op jaar rogge geteeld wordt, de zoogenaamde essen. Zoo als uit het eene exemplaar, waarvan alle de stukken tot den wortel toe aanwezig zijn , zigt- baar is, bereikt de plant bijna manshoogte, zoo dat ze boven het koorn uitsteekt en niet ligt aan 64 het oog ontsnappen kan. De inwoners van ver- scheidene Drenthsche dorpen naar deze lelie gevraagd zijnde, waren met haar bestaan, als lastig onkruid in de rogge, zeer goed bekend, en wisten zich niet te herinneren, dat b. v. 30 jaren geleden die plant niet aanwezig was. Ik heb nog niet vernomen dat de lelie zich ook op andere koornlanden in onze Provincie en de naburige vertoont buiten deze essen; waarschijn- lijk ligt de reden daarin, dat, daar op deze landen de wisselteelt meer in gebruik is, de planten, die aan het koorn als onkruid eigen zijn er niet inheemsch kunnen worden.” Eene verzameling Musci frondost en Hepati- cae, uit de omstreken van Groningen door den H". Srrarineu verzameld en voor het Herbarium bestemd, trekt bijzonder de opmerkzaamheid © der vergadering, aangezien zich daaronder een aantal exemplaren van Hypnum nitens bevindt, welke fraaije plant, hoewel reeds, als vroeger hier te lande gevonden, in de Flora opgeno- men, door de latere kruidkund:gen nog niet was opgemerkt, en alzoo in het Herbarium der Vereeniging ontbrak. De H". Top, ook namens den H'. Bonpaum, voldoet aan de uitnoodiging van den conserva- tor, in het vorig jaar gedaan, door overlegging van een groot aantal ex. van Polamogeton cbtu- sifolius en Sclerochloa procumbens. 65 De H". Surtnear levert eene bijdrage over eene verzameling nieuwe inlandsche algen van den volgenden inhoud: M. H. Ontbrak mij tot nu toe de gelegenheid, om onze jaarlijksche vergadering bij te wonen, en om aan den gemeenschappelijken arbeid een werkzaam: deel te nemen, te meer verheugt het mij, nu in uw midden te kunnen tegen- woordig zijn, en ook van mijnen kant eenige bijdrage tot de kennis onzer Flora te kunnen aanbieden. Het is eene collectie Algen, gedurende den zomer van 185% bijeengebragt en. bewerkt, en behoorende tot het antwoord op de Acade- mische prijsvraag, aangaande de Algenflora van ons vaderland, te Leiden uitgeschreven , waar- aan, in Februar il., de eer der gouden be- krooning mogt te beurt vallen. Deze Algen zijn vooral rondom Leiden en Leeuwarden, maar ten deele ook aan de Fries- sche- en Noord-Hollandsche Zuiderzee-kust ver- zameld. De eerste is voornamelijk op de hoogte van Stavoren en de Lemmer, de tweede hoofd- zakelijk tusschen Hoorn en Edam onderzocht. Bij de soortsbepalingen zijn, overeenkomstig met de bewerking van den Prodromus fl. Bat., 5 oO de beschrijvingen in de »Species Algarum” van Kurzixne ten grondslag gelegd. Zijne Tabulae phycologicae , voor zooverre zij toen verschenen waren, de Stisswasser-diatomaceen van RABEN- worst en Harvey’s Phycologia Brittannica, welk laatste werk onze geachte voorzitter mij wel- willend ten gebruike had afgestaan, leverden in vele gevallen afbeeldingen ter vergelijking. Daartoe werden ook, zoo dikwijls zulks mo- gelijk was, de Algen van het Herbarium der Vereeniging gebezigd. Gedurende die bewerking werd telkens naauw- keurig aangeteekend, in hoeverre de verzamelde voorwerpen met de beschrijving, afbeelding of exemplaren der soort, waartoe zij gebragt wer- den, overeenkwamen of daarvan afweken, en - de graad van zekerheid, of veelal onzekerheid, welke daaruit voor de soortsbepaling zelve voort- vloeide , daarnaar berekend. De soorten, zoo als die door Kiirzine zijn be- schreven en afgebeeld, zijn volgens dien auteur zelven niet anders dan waargenomen vormen, terwijl de bepaling van de soortelijke typen eerst door latere combinatie van waarnemingen moet worden geleverd. Van daar dus de noodzakelijkheid, om, wan- neer men planten met de beschrijving of afbeel- ding van dusdanige vormen vergelijkt, en men het aantal der species in dien zin niet onop- 67 = houdelijk wil vermeerderen , de overeenkomst en het verschil der gevonden vormen met den naastverwanten beschrevenen of afgebeel- den, onder welks naam zij worden gebragt, naauwkeurig in rekening te brengen. Maar van daar ook het belang van zoodanige waar- nemingen, als materiaal voor de toekomstige meer juiste bepaling der soortelijke typen, en, met betrekking tot onze Flora, voor de »latere zelfstandige bewerking dier Flora’, waarop van tijd tot tijd door onzen voorzitteren andere le- den is gewezen. In hoeverre nu de aanteekeningen, op de door mij verzamelde Algen gemaakt, daartoe bruikbaar zijn, zal nader moeten blijken. La- ter hoop ik op dit onderwerp terug te ko- men, en althans het hoofdzakelijke dier aan- teekeningen mede te deelen; ik hoop dan de voorwerpen aan den inmiddels toegenomen voorraad van afbeeldingen enz. nader te heb- ben getoetst, en welligt eenige der nu twijfel- achtige soortsbepalingen tot meerdere zeker- heid te hebben gebragt. Voorloopig moge het dus voldoende zijn, hierbij eene lijst te voe- gen van die gevondene soorten , welke tot nu toe nog niet als inlandsch waren vermeld. Van deze, zoowel als van de overige, onge- veer 100 in aantal, en die grootendeels van nieu- we groeiplaatsen afkomstig zijn, bevinden zich 68 gedroogde exemplaren in de collectie, welke hiernevens aan het Herbarium der Vereeniging wordt aangeboden. Zij bevat de »unica,” voor zoo ver slechts één exemplaar werd verza- meld; overigens, naarmate ik in de gelegen- heid was , een grooteren voorraad te bewaren, doubletten in geringer of grooter aantal, ter verspreiding onder die leden, welke zich met het onderzoek onzer Algenflora bezig houden. Om latere verwarring te voorkomen, zijn ze alle met een etiquette voorzien, waarop de naam der soort, met welker beschrijving zij geheel of het naast schenen overeen te komen bovendien geteekend met de letters D. D. D. en met een doorloopend N°. der collectie; ter- wijl eindelijk exemplaren, welke tot verschil- lende varieteiten werden gerekend, of van ver- schillende groeiplaatsen afkomstig waren, door de letters a. b. c. enz. zijn onderscheiden. Namen der gevonden soorten, welke nog niet in den Prodromus Fl, Bat. als inlandsch waren vermeld: D. D. D. No. 8. Cyclotella Meneghiniana Ke., tusschen Oscillarideae , Leiden. » » » L4. Synedra arcus-Ke.; (pag. 43). Friessche kust, op het slijk aan Zee-algen in stilstaand zeewater. » yy 15. Synedra lunaris Erm. , Sassenheim t. Pro- tococcus roseo-persicinus met andere Dia- D. D. D. N°. 33 3 2 5) 69 tomeén (Amphora ovalis, Navicula gra- cilis enz.) | 16. Synedra vitrea Ke., Wassenaar in stroo- mend duinwater (met Synedra oxyrrhyn- cha, Sphenella obtusata, enz. 25. Sphenella obtusata Ke., met de vorige. 264. Gomphonema curvatum Ke., a. aquati- cum. Leeuwarden in slooten op clado- phora. 263. Gomphonema curvatum Ke., 6. pulvi- natum. Noordwijkerhout op cladopho- ra (met Melosira varians). 366. Amphora ovalis Ke., 6. minor. Utrecht aan eene pomp tusschen Phormidium: 38. Podosphenia hyalina. Friessche en Noord- Hollandsche kust tusschen draad-algen. 47, Cosmarium didelta pe Brés., Leyden (Galgewater) met andere Desmidieën, Tietjerk (Friesl.) in veenachtige slooten met Gloeocapsa muralis. 48. Cosmarium quadratum Rarrs., Giekerk (Friesl.) in veenplassen met Protoc. turgidus, Cosmarium margaritiferum enz. 49. Cosmarium tetrophthalmum MEeNeen., Friesland in veenslooten en plassen (met Protoc. turgidus en Gloeocapsa muralis). 49% Phycastrum trilobatam Ke., Giekerk in een veenplas (met de vorige, Pro- toc. turgidus enz.) 52. Pediastrum emarginatum Ke., Leyden (Galgewater) met andere Desmidieën. 53. Pediastrum constrictum Hass., Leyden (met de vorige). 55% Protocoecus turgidus , Giekerk (Friesl.) in veenplassen. 70 D. D. D, Ne. 56. Protococcus bacillaris Narg., Leeuwarden op natte planken. a R » 5 59. Protococcus pluvialis Ke., Leeuwarden ) in dakgoten. ) ik » » | 61. Gloeocapsa muralis Ke.. Tietjerk (Friesl.} in veenslooten tusschen en aan water- planten. » >» » 68. Oscillaria versatilis Ke. , Leyden (oude vijver van den Hortus) met andere Oscillariën. 69. Oscillaria leptotricha Ke., Hardegarijp en Giekerk (Friesl.) in slooten op rot- tende bladeren. 4) » » 10. Oscillaria chlorina Ke. , Leyden in sloo- ten tusschen andere Oscillarién met Protoc. roseo-persicinus. . 83. Nostoc aureum Ke., aan zeepalen bij de Lemmer. > » » 84, Nostoc sphaericum Vaucu., Leeuwarden in slooten. » » » 90. Tolypotbriz pulchra Ke., Leeuwarden in slooten aan waterplanten. » », 98. Physactis villosa Ke., 6. major. Leeu- warden aan Lemna. » » » 94. Rivularia Boryana Ke., 6. flaccida. Leeu- warden in slooten aan waterplan- ten. » » _» 95. Dasyactis Naegeliana Ke., Giekerk, Leeu- warden in slooten aan waterplanten. » » » 96. Ulothrix variabilis Ke., in slooten bi Leyden. » » » 98. Ulothrix Braunii, (3. parasitica Ke. , Giekerk (Friesl.) in moerassen aan en tusschen Cladophora. „ 99. Ulothrix pectinalis Ke., Leyderdorp (op steenen in den Rijn). 53 33 $3 33 33 LOE 113. 115. 119. 125. 125. 126. 128. 132. 185. 137. ii 1. Schizogonium laete-virens Ke., 6. majus op steenen te Katwijk aan Zee. . Stigeoclonium lubricum Ke., Leyden . (Galgewater) aan steenen met Drapar- naldia plumosa. . Oedogonium hexagonum Ke., Tietjerk in slooten. . Oedogonium concatenatum Ke., als de vorige. . Chaetomorpha gallica Ke., Zuiderzee- kust (aan steenen) tusschen Edam en Hoorn. Hormotrichum penicilliforme Ke., aan steenen en palen te Katwijk aan Zee en aan de Friesche kust. Cladophora Macallana Harvey. In zee (drijvend) aan de zuiderkust van Friesland. i Cladophora Bertolonii Ke., Zuiderzee- kust tusschen Hoorn en Edam. Cladophora cristata Ke.. Stavoren (ach- ter het klif op den zeebodem). Phyllactidium pulchellum Ke., Miedum (Friesl.) in slooten op half vergane Glyceria-bladen. Spirogyra Weberi Ke., Wassenaar. 45 Braunii Ke., Leeuwarden , Wassenaar (tusschen §. guinina). Spirogyra subaequa Ke., Wassenaar. Zygnema tenue Ke., slooten bij Mie- dum (Friesl.). 7 Eetocarpus compactus Ke., Amsterdam (Y), Friessche kust. Inoderma lameilosum Ke., Wassenaar (op steenen aan duinwatervallen), Maart. 72 D. D. D. Nj. 143. Chaetophora tuberculosa Ac., Leyden, Leeuwarden in slooten. >» 5) 148, Trichoceras villosum Ke., Zuiderzee- kust bij Hoorn op de volgende. » 3» 151, Nemalion multifidum J. Ac., aan stee- nen der zeeweringen bij Hoorn. » » » 158. Polysiphonia lithophila Ke., Stavoren (aan palen van een kanaal binnendijks overvloedig), Zuiderzeekust t. Hoorn en Edam en bij Amsterdam. » » » ‘154. Polysiphonia amethystea Ke., Zuider- zeekust t. Hoorn en Edam aan Fucus vesiculosus. Deze nieuwe aanwinst voor de kennis onzer Flora, benevens eene dergelijke ingezonden bij- drage van den H'. ABELEVEN, over de inland- sche Desmidiaceën, door afbeeldingen opgehel- derd, worden met belangstelling en dankzegging ontvangen, en zullen den voorzitter der Veree- niging worden toegezonden, ten einde daarvan in het verslag van het volgend jaar nadere mel- ding te kunnen maken. D". Dozy geeft nu een beknopt overzigt over de onderscheidene wijze van ontwikkeling van het fymenium bij de Polyporeae, en bepaalt in- zonderheid de aandacht der leden op die van Cyclomyces fuscus Kunze , Hook. waarvan hij een goed geconserveerd exemplaar uit Java aan de vergadering vertoont. Hij wijst daarin aan, hoe die fungusin zijn eerste levenstijdperk aan de onderste oppervlakte poreus is geweest, gelijk dit aan de basis van het voorwerp nog duide- \ 73 lijk zigibaar is; maar dat er op later leeftijd eene absorbiie der porenwanden in eene zijde- lingsche, aan den hoedrand paralele, rigting moet hebben plaats gehad, waardoor er digt bijeen geplaatste, hier en daar anastomoserende, concentrische lamellen zijn ontstaan, hoedani- ge bij geen fungus tot nog toe zijn waargeno- men. De beste afbeelding van Cyclomyces fuscus vindt men bij Hooker Botan. Miscellany, Vol. II. p. 150, tab. 79. Vezelfde spreker deelt daarna aan de vergadering mede de uitkomst van zijn onderzoek over de Javaansche Polytrichaceae, zoo als daarvan in de eerstvolgende afleveringen der Bryologia Javanica uitvoeriger zal blijken. »Eene reeds voor eenige jaren door den Hr". Horre op Java gevonden soort van deze plan- tengroep bood in hare struktuur zoo veel afwij- kends aan van de reeds in die groep vastge- stelde genera, dat zij onder geen dezer te bren- gen was, zonder te groote uitbreiding aan de aangenomene geslachtskenmerken te geven. De voornaamste afwijking bestaat in het celweefsel der bladen, hetwelk uit naauwe langgestrekte halfdoorschijnende cellen bestaat, zonder eenige lamelieuze vorming op den bladnerf noch op het bovenste oppervlak der bladen. Het voor de vegetatie der plant dienende gedeelte heeft eene hoogst eenvoudige zamenstelling, en be- staat namelijk uit een zeer kort, weinig bebla- | 4 : re derd stengeltjel met een’ weinig in den bodem dringend wollig-wortelig rhizoma. De vrucht is echter des te meer ontwikkeld; zij is eene, aan Pogonatum aloides gelijkvormige, langge- steelde kapsel met peristomium, operculum en wollige, de kapsel geheel omsluitende, calyp- tra; doch wijkt van bijna alle andere vruchten van Polytricha af door eene zeer in het oog vallende ruwheid des vruchtsteels, bestaande uit kleine, digt bijeen geplaatste scherpe papillae. ik vind ten minste van eere zoodanige ruw- heid des vruchtsteels geen ander voorbeeld dan bij Polytrichum flexuosum, eene door Mürrer beschreven Columbiaansche plant. De geslachts- - naam Racelopus, waardoor ik voorstel de Ja- vaansche plant van de bekende genera te on- derscheiden, is aan die ruwheid des vrucht steels ontleend. Wanneer men bedenkt, dat de steel der mosvrucht een integrerend deel van haar uitmaakt, en dat daarom zijne uitzetting aan de punt beneden de kapsel, onder den naam van apophysis bekend, reeds aan Par. Beauv., BripeL, Breen en Scump.het geslacht Poly- trichum van Pogonatum heeft doen onderscheiden, dan zal het niet bevreemden, dat eene zóó opmer- kelijke stekelachtige uitzetting der buitenste cel- lenlaag des vruchtsteels, over zijne geheele op- pervlakte, als onderscheidend geslachtskenmerk van Racelopus [waarbij welligt ook P. flexuo- 795 sum Mutt. zou kunnen gebragt worden), is aangenomen geworden. Indien men, zoo. als MULLER in zijne Syn. musc. fr. het geslacht, Po- lytrichum met Pogonatum en Cephalotrichum ver- eenigt, en Atrichum met Olgotrichum enz. te za- men voegt, dan is men toch genoodzaakt die ge- slachten in afdeelingen te splitsen; terwijl de begrenzing der beide door hem aangenomen ge- nera Catharinea en Polytrichum er niet scherper door wordt; zoodat alsdan met hetzelfde regt ook deze twee zouden kunnen vereenigd worden. Hetis mij daarom verkiesselijker voorgekomen , om bij elke eenigzins belangrijke verandering in den vorm en struktuur der vruchtdeelen, die alsdan meestal gepaard gaat met eenige wijziging in de struktuur, of ontwikkeling der vegetative deelen der plant, liever een nieuw genus vast te stellen, dan het kenmerk der reeds bestaande genera te verzwakken door bijvoeging van hierin afwijkende soorten. Met uitzondering van Oligotrichum Javanicum (Ca- tharinea Hupz), behooren de overige Ja vaansche soorten tot het geslacht Pogonatum t. w. P. microphyllum, clavatum, Teysmannianum |tortile Monr.|, Junghuhnianum, Nees MuLL., cirrha- tum, macrophylium. Omtrent deze soorten is aan te merken, dat ik geene zekerheid heb kunnen verkrijgen, tot welke der genoemde soorten P. leucomitrium Reinw. er Hornscn. moet gebragt mn Set 76 worden, daar een exemplaar uit het herbarium van Hornscnucu onder dien naam, mij door vriendelijke tusschenkomst van den H°. Hampe bezorgd, tot P. cirrhatum Sw. behoorde, ter- wijl ik uit de beschrijving dezer soort veeleer zou vermoeden, dat de auteurs een vorm van P. Teysmannianum voor zich hebben gehad. Eene dergelijke onzekerheid omtrent de soortsbepa- ling van P. convolutum L. heeft mij doen beslui- ten, eene daarmede door de schrijvers bedoelde Javaansche soort op nieuw, onder den naam van P. macrophyllum, te beschrijven, en wel te meer, omdat P.convolutum met P.cirrhatum door Mürrer in zijne Synopsis is vereenigd geworden. Hoezeer ook onze Javaansche plant op de af- beelding van P. convolutum L. Schw. Suppl. 1. IL tab. 96 gelijkt, en de Brideliaansche be- schrijving op haar past, zoo verschilt zij daar- van door de veel langer gesteelde vruchten, langere bladen en driehoekigen steng. Het is vooral bij het geslacht Pogonatum van groot belang, dat de soortskenmerken naauwkeurig bepaald worden, daar die planten in zoo vele opzigten op elkander gelijken, dat de eene soort in de andere door tusschenliggende vormen schijnt over te gaan. Het waarnemen van de rigting der bladen, zoowel in vochtigen als droogen toestand, is overigens een voornaam hulpmiddel om die soorten, op het oog, van elkander te cnderscheiden. af De H'. L. H. Buse vraagt, naar aanleiding van het medegedeelde betreffende de Bryologia Ja- vanica, of aan het werk, »Musci frondosi inediti Archipelagi Indici,” niet eene slotaf- levering zou kunnen gevoegd worden, bevat- tende titel, inhoud, de verklaring van Tab. LIL. B, errata, enz., waardoor aan de ‘bezitters van dat werk eene groote dienst zou bewezen wor- den? Waarom de schrijvers van de, in gezegd werk , aangenomene nomenclatuur in een la- ter »Plantae Junghuhnianae” geheel zijn afgewe- ken, waarin bij voorkeur die van Mürrer’s Syn- opsis is gevolgd; terwijl nu weder in de Bry- ologia Javanica de vorige nomenclatuur is aan- genomen, waardoor de synonymen noodeloos zijn vermenigvuldigd? Of deschrijver bij eene soorts- benaming, ter eere van een’ kruidkundigen, niet, zoo als oudtijds, de voorkeur zoude behooren te geven aan het gebruik van den genitivus van den naam diens persoons, in plaats van den uit- gang-anus, daar men door den laatsten uitgang toch gewoonlijk de plaats pleegt aan te duiden waar de plant gevonden wordt? Waar- om de schrijver zijn’ reeds vroeger gegeven wenk , om den naam van Spirula te veranderen, niet heeft gevolgd, uithoofde die naam, reeds sedert eene halve eeuw door Lamarck aan een diergeslacht gegeven, algemeen is aangenomen en gebruikt wordt. Van deze , tot verwarring 78 aanleiding gevende , gelijkluidende benamingen bestaan meer voorbeelden in de natuurlijke ge- schiedenis, b. vy. Ammophila, zoowel een plan- ten- als diergeslacht; nog erger is het met Triton Linn. en Triton Laurenti, beide diergeslachten , waarvan de latere Triton in zwang is gebleven, terwijl men ten onregte de oudere heeft afge- schaft en hervormd in Tritonium, dat veel te veel op Tritonia gelijkt, enz.? D". Dozy dankt den spreker voor deze vragen, waardoor hij zich inde gelegenheid gesteld ziet, om eenige noodwendige ophelderingen te geven omtrent de geschiedenis van het genoemd werk. De slotaflevering, die de H". Bose be- doelt, is werkelijk in ’t licht verschenen , doch zij is waarschijnlijk niet algemeen in den boek- handel gekomen , en alzoo evenmin als de twee laatste afleveringen, 5 en 6 van genoemd werk, buiten ’s lands bekend geworden, tenzij bij uitzondering op speciale aanvrage bij den uit- gever. Ter beantwoording, van de tweede vraag zij het voldoende op te merken, dat door de plaatsing: van de musci acrocarpici in de Plantae Jurghuhnianae aansluiting aande Synopsis musc. fr. van Mürrer beoogd werd , en diens soorts- benaming alzoo gemakshalve moest. gevolgd worden, terwijl de Bryologia Javanica als zelf- standig werk en tevens eene voortzetting der musci ined. Arch. Ind. de eigene inzigten der 79 schrijvers bevat. Hij hecht overigens niet zoo veel waarde aan zijne nomenclatuur, en beschouwt die als voorloopig im de meening, dat men dan eerst tot vaste grond- slagen voor goede geslachtsbepaiingen zal ge- raken, wanneer men door een naauwkeurig mikroskopisch onderzoek tot de kennis der vormen en struktuur dezer planten uit alle werelddeelen zal gekomen zijn. Men gelieve zijne bijdrage daartoe in de Bryologia Javanica slechts uit dit oogpunt te beschouwen. Voor het gebruik van den genitivus van den per- soonshaam , naar wien men eene plant be- noemt, is zeker een gegronde reden; hoewel daarvan dikwijls wordt afgeweken, zoo hij- meent, welluidendheidshalve, zal hij echter dezen wenk ter harte nemen. De laatste vraag beantwoordt hij, met op de moeijelijk- heid te wijzen, die er voor een beoefenaar der kruidkunde in gelegen is, om in de andere natuurwetenschappen de ervaring te bekomen, of een naam dien men geschikt acht ter bena- ming van eene plant, reeds vroeger aan een voorwerp is gegeven, dat niet tot zijne we- tenschap behoort; hij heeft den naam Spirula thans niet willen veranderen, omdat dit geslacht welligt later beter met een aanverwant zal kun- nen vereenigd worden, waardoor het genoemd bezwaar alsdan van zelve zal vervallen. 80 Eene keurige verzameling van mosplanten, on- der den tite! van Neérland’s mossoorten, door M’. L. H. Buse bewerkt, en bij Kruseman te Haarlem uitgegeven, boeit daarna de aandacht der verga- dering, en lokt den wensch wit, dat dit werk algemeen moge verspreid worden, ten einde de belangstelling voor de studie dezer fraaije ge- wassen in Nederland meer en meer optewekken. Ten slotte wordt namens Prof. DE VrresE nog medegedeeld, dat hij voornemens is de plantae in- digenae uit het herbarium van Reinwakor in het Vereenigingsherbarium te brengen, alwaar zij ei- genlijk naar zijne meening te huis behooren, welk berigt met veel belangstelling wordt vernomen. Eene bijdrage van D’. v. p. Bosen zijne denk- beelden behelzend over den vorm, waarin de toekomstige Flora van ons land behoort ver- vat te zijn, wordt voorgelezen, als ook een kritisch onderzoek over Galeopsis bifida en Tara. xacum lividum, door analytische afbeeldingen op- gehelderd, van den H". WALRAVEN *) De H*. de Brursn neemt als werkzaamheid op zich voor de vergadering van het volgend jaar het geslacht Taraxacum te behandelen, waar- voor hij, alsmede voor het onderzoek der Rubi, waarmede hij zich bij voortduring wil bezig houden, bijdragen van verschillende vormen de-- *) Deze bijdragen, voor den druk nog niet gereed zijnde, zullen in een volgend nummer van het Kr. Archief worden opgenomen. si zer planten uit elken streek van ons land van zijne medeleden wenscht te ontvangen. Niets meer aan de orde zijnde, wordt de ver gadering, na dankzegging aan den voorzitter voor zijne leiding, gesloten. D. VEGETATIE VAN AMELAND. Resultaat van een planten onderzoek aldaar, door Dr. Kros in 1854. (Eerste Bijlage van het Verslag van de vergadering der Vereeniging voor de Flora v. Ned. enz. *)). Plantae vasculares. Bquisetum arvense, limosum. Phleum arenarium, pratense. Lastrea Thelypteris. Agrostis alba et maritima. Asplenium Ruta muraria. Phalaris arundinacea. = (Psamma arenaria). Calamagrostis Epigeios. = Triticum repens. Scirpus lacustris, maritimus. Holcus lanatus. 7 Rhynchospora alba, fusca. Apera Spica venti. Carex arenaria, trinervis. Bromus mollis. — Festuca rubra arenaria. Tuncus conglomeratus, alpinus, _ (Elymus arenarius). bufonius. *) In deze bijlage [zie bladz. 26] zijn de planten, door den Hr. BRUINSMA op Ameland gevonden, opgenomen en wel: 1°. die door den HF. Kros ziet zijn gevonden tusschen haakjes geplaatst, 20. de door beide H.H. gevondene cursief gedrukt. 82 (Typha angustifolia). Chenopodium album, (murale). Narthecium ossifragum. (Halimus Portulacoides). Asparagus officinalis (B maritim. Statice Limonium, sp. ? — elongata. Platanthera bifolia (te Nes). (Littorella lacustris). Gymnadenia conopsea. (Plantago maritima, Corono- (Orchis latifolia).— pus). Spiranthes autumnalis (ten wes- ze ten der R. C, kerk te Nes). Anagallis arvensis, (tenella). (Listera ovata). Glaux maritima. Epipactis palustris , (latifolia). (Samolus Valerandi). oema en Alisma Ranuneuloïdes. (Euphrasia officinalis, Odon- ee tites). Triglochin maritimum, palus- Linaria vulgaris. tre. | | (Veronica officinalis , Anagallis). ze il == Hippophaé Rhamnoides. Gentiana Pneumonanthe, ama- ss rella, campestris. Polygonum Convolvulus, (Per- Erythrea littoralis, Centauri- sicaria). um , pulchella. Rumex palustris. (Menyanthes trifoliata). (Salix repens) Pyrola rotundifolia. Atriplex laciniata, littoralis , Calluna vulgaris (tusschen Nes latifolia (3. microcarpa et y. en Rottum). salina. (Erica Tetralix). Salsola Kali. — : Salicornia herbacea. Jasione montana. Schoberia maritima. — *) De planten van den Hr. Kros, behoorende tot de hier ontbrekende familién zullen eerst door Pror. Cor worden nagezien, alvorens zij in den Prodromus worden geplaatst. De opgave van die planter’, door den Hr. Bruinsma, volgt aan het slot dezer lijst. Leontodon autumnale. Sonchus asper, palustris. Aster Tripolium. Cirsium arvense. Hypochaeris radicata. Hieracium umbellatum. Carduus crispus. (Onopordon acanthium). 83 Rosa spinosissima. Potentilla anserina. Comarum ‘palustre. (Genista Anglica, tinctoria). Ononis arvensis B repens. Trifolium fragiferum, arvense Medicago lupulina. Chrysanthemum segetum, inodo- Lotus corniculatus § crassifolius. rum. Tanacetum vulgare. (Ervum hirsutum). Vicia Cracea. Senecio Jacoboea et (3 flosculosa. a= (sylvaticus). Tussilago Farfara. Arnica montana. Centaurea Calcitrapa. Matricaria Chamomilla. Bidens cernua. Achillea Millefolium. Erodium Cicutarium. Geranium pusillum. —_ Malva rotundifolia. Radiola Linoïdes. Linum eatarthicum. Artemisia maritima , (vulgaris). — Gnaphalium luteo -album , (uli- Cerastiwm arvense. ginosum). (Sambucus nigra.) Malachium aquaticum. (Sagina procumbens). Stellaria graminea. Galium Anglicum, Aparine(ve- Lychnis vespertina, diurna, rum, Mollugo). Corrigiola liftoralis. Sedum acre. Lythrum Saliearia. (Peplis Portula). Emm flos evculi. Lepigonum salinum. Spergula arvensis, nodosa. Silene Gallica. Honkenya Peploides. (Polygala vulgaris). Drosera rotundifolia , (interme- Epilobium palustre, tetragonum. dia). 84 Parnassia palustris. Papaver dubium. : — (Ranunculus repens). Viola tricolor (3. arvensis. — —~ Hydrocotyle vulgaris. (Cochlearia Danica). Aethusa Cynapium. Erysimum officinale , Cheiran- Anthriscus vulgaris. thoides. Conium maculatum. Cakile maritima. Torilis Anthriscus, nodosa. Sisymbrium Sophia. Oenanthe fistulosa. Thlaspi bursa pastoris, arvense. Pastinaca sativa. (Coronopus vulgaris). (Eryngium imaritimum). Lepidium ruderale. a Raphanus Raphanistrum. Plantae cellulares. Evernia Prunastri. Cystoseira siliquosa. Cetraria aculeata. Phycoseris Linza. Fucus nodosus, vesiculosus. Enteromorpha intestinalis et Himanthalia lorea. var. mesenterica. BRUINSMA: Peltigera canina. Hyoscyamus niger. Lycopsis arvensis. Euphrasia officinalis, Odontites: = Linaria vulgaris. Ballota nigra, Prunella vulga- Veronica officinalis, Anagallis. ris, Marrubium vulgare. Pedicularis palustris, sylvatica. Scutellaria galericulata. Rhinanthus Crista Galli, minor. 85 Herbarien von Dr. Pu. WirtGen in Coblenz. _ (Tweede Bijlage van het genoemd Verslag , zie hladz. 61.) Zur Förderung der Wissenschaft und zur Grundlage späterer monographischer Arbeiten hat es der Unterzeichnete unternommen, die Species, Varietäten, Formen und Hybriden schwieriger Gattungen in Herbarien zu vereini- gen und ohne denselben eine aussere kostspie- lige Ausstattung zn geben zu den moglichst bil- ligen Preisen abzulassen. Es sind volgende : 1) Herbarium der rheinischen Menthen, 2 Lieferungen, Nro. 1-30 und Nro. 31-60. Dic erste Lieferung ist eben in zweiter Auf- lage fertig geworden Mit einigen noch nicht aufgenommenen rheinischen For- men soll, wenn die noch fehlenden For- men aus den übrigen Theilen Deutsch- lands beizubringen sind, im nächsten Jahre eine dritte Lieferung erscheinen, so dass diese Lieferungen zusammen ein Herbarium der Deutschen Menthen bilden werden. Herbarium der rheinischen Verbasken (Her- barium Verbascorum rhenan.), insbeson- dere der Hybriden. Erste Lieferung, Nro. 1-12. 3) Herbarium der rheinischenBrombeerstrau- 36 cher (Herbarium Ruborum rhenanorum), i. Lieferung, Nro. 1-20. 4) Herbarium seltener, kritischer und hy- brider rhem. Pflanzen und Pflanzenfor- men im 5 Lieferungen; die 1. und 2. Lief., jede zu 30 Nummern, sind fertig. - Die 1. Lieferung enthalt folgende Nummern: Batrachium Bachi Wirt. 17. Ervem monanihos L. - Pomaria Wirtgeni Koch. 18. Latkyrus Aphaca L. P. Vaillanin Lois. 19. Potentilla recta L. Barbarea praecox EB. Br. 20 P. Günther PoblL be , de UP ty : : g 5. Arabis sagittata DC. 21. Potentilla micranthaRane. | “6. Simapis Cheiranthu: K 22. Agrimonia odorata Ait 7- Iberis intermedia Guers. 23. Bosa trachyphylla Bam 2 8. Calepina Corvimi Desv. 24. B pomifera Herm. 3, Dianthus caesius Sm 25. Epdlobiam lameeolatum 10, Silene gallica L. Seb. & Manry- LL. Silene Armeria-L. 26. Sedum bolomiense Lots. 12. Cerastium brachypetalum 27. Sed. anvenm Wirt. Desp. | 28. Saxifraga Aizoom Le 13. Viola mirabilis L. 29_ Seseli Hippomaratheum L. 14. Polygala calearea Schultz. 30. Galium sleneum LL. 15. Acer mouspessulanam L. (Asperula galioides M Bick.) | 16. Oxytropis pilose DC. | Die 2. Lieferung enthalt folgende Nummern : 31. Galiom glaneo-Mollueo36. Filago gallies L. Witz. 37. Hieracmm Peleterianum 32. G_Mollagine-verum Fl hoe Mer. 33. Valerianella carinata Lois. 33. H. Griseh. 34. VW. eriocarpa Desv. (Pilssella = pracaltum.) 35. Doroniemm Pardalian- $9. H sefiverum Taasch ches LL. 40. Erea cmerea LL. 87 41. Pulmonaria azurea Bess. (St. sylvatica-palustris.) 42. Verbascum floccosum W.51. Euphorbia stricta Sm. & Kit. 52. Himanthoglossum hirci- 43. V. Schottianum Schrad. num Rich. (V. nigro-floccosum.) 58. Juncus nigritellus Don. 44, V. Schiedeanum K. 54, Luzula Forsteri DC. (forma V. Lychnitide- 55. Avena tenuis Monch. nigrum Wirtg.) 56. Glyceria plicata Fr. 45. Scrofularia Ehrhartt Stev. 57. Festuca sciuroides Roth. 46. Se. Balbisii Horn. 58. EF. pseudo-Myuros Sois. 47. Se. Neesii Wirtg. Will. 48. Orobanche minor Sutt. 59. F. heterophylla Lam. 49. O. amethystea Thuill. 60. Bromus commutatus Schr. 50. Stachys ambigua Sm. Jede Lieferung eines jeden dieser Herbarien kostet 1 Thlr. Ausserdem ist fir Apotheker und Studiosen der Pharmacie eingerichtet: a) Herbarium der wichtigsten deuischen Arzneipflanzen in 2 Centurien. b) Herbarium der deutschen Arznei- pflanzen und ihrer wichtigsten Verwech- selungen in 3 Centurien. : Jede Centurie kostet in Maculatur 2 Thir., in Schreibpapier mit Mappen und nach dem natürlichen System geordnet 3 Thir. Fur Oeconomen ist ausgefertigt: Ein Hundert deutsche Graser und Halbgraser, in Maculatur 3 Thir., in weissem Papier befestigt 4 Thir. Ferner sind bestandig deutsche, imshesonde- re rheinische Pflanzen, nach der Auswahl der 88 Besteller, zu 4 Thir. die Centurie zu erhalten; letztere auch in Tausch nach Einsendung von Desideraten-und Doubletten-Verzeichnissen, oder auch, nach meiner Auswahl, zu 2 Thlr. die Centurie, zu welcher Berechnung á Cent. auch das ganze Herbarium der mittel- und nieder- rheinischen Flora (in 16 Centurien und mit den Varietaten 2—3 Cent. mehr) zu haben ist. Alle Zusendungen werden franco erbeten. Freunden der Palaontologie ist es wohl angenehm zuerfahren, dass ich in den Stand gesetzt bin, 100 Petrefacten-Species des devon. Systems, theils aus der rhein. Grauwacke, theils aus dem Eifeler Kalke, zu 10 Thlr. abzuge- ben. Coblenz , im November 1853. Dr. Pu. WiIRTGEN. PLAGIOCHILA SANDEI DZ ALIAEQUE HEPATICARUM NOVAE SPECIES , BREVITER DESCRIPTAE. Onder onze verzameling van Indische lever- mossen bevond zich, sedert lang, eene soort van Plagiochila, die mijn vriend MoLKENBoER, we- gens hare daarmede zeer overeenkomende ha- bitus, voorloopig tot Pl. superba Nees had gebragt. Door menigvuldige bezigheden werden wij steeds verhinderd, om aan ons voornemen ter naauwkeuriger onderzoeking dezer verza- meling, gevolg te geven, zoodat die plant onder dien naam met zoo vele andere, nog onbeschre- vene, fraaije mossoorten verscheidene jaren bleef leggen. Het overlijden van mijn’ vriend, waardoor de zorg voor de bewerking der Indische loof- mossen op mij alleen rustte, was de reden, dat ik tot het besluit moest komen, om van het verder onderzoek dezer Hepaticae af te zien, en dit geheel over te laten aan mijn’ vriend, D". van DER SANDE Lacoste, die zich reeds door een veeljarig grondig onderzoek der Europesche levermossen daarvoor speciaal had voorbereid, en die ook door de bewerking der inlandsche He- paticee,voor den Prodromusfl.Batavze,overvloedig 99 getoond had, voor die taak volkomen bere- kend te zijn. Dat zijn arbeid hieraan, voor de wetenschap reeds vruchtbaar geweest is, getuigt zijne ontdekking van onderscheidene fraaije plantensoorten uit die familie, waarvan de korte diagnosen in het Kruidk. Archief, 3% Deel, Ade Stuk zijn geplaatst; terwijl zijn voort- durende ijver, in de bewerking van deze en van de Junghuhniaansche verzameling, nog veel zeldzaams belooft aan den dag te brengen. Hij maakte mij nu onlangs opmerkzaam, dat de bedoelde plant niet volkomen aan de beschrij- ving en afbeelding van Pl. superba, in de Spe- cies Hepaticarum van Lindenberg, pag. 80 Tab. XVII. beantwoordde. Een nader onderzoek overtuigde mij van het wezenlijk soortsverschil tusschen deze planten; weshalve ik gemeend heb, de beoefenaars dezer plantenfamilie met de bekendmaking van deze nieuwe soort te zullen verpligten. Aangezien echter de uitvoe- rigste beschrijving van die, slechts door den mikroskoop te onderscheiden planten, alleen verstaanbaar is voor hen, die zich vooraf, door speciale studie der Hepaticze, met zulke beschrij- vingen hebben gemeenzaam gemaakt, achtte ik het niet overbodig, deze Plagiochila met hare analijse te doen afbeelden, Ik had daarbij ook ‘op het oog, dat de plaatsing van zooda- nige afbeelding in dit Tijdschrift, hetwelk voor- 91 namelijk bestemd is, om in Nederland de beoefening der kruidkunde, als wetenschap, in alle hare deelen te bevorderen, welligt velen moge aansporen, om nadere kennis te maken met deze krijptoramische planten, waarvan in ons land, zoowel als in onze overzeesche be- zittingen, zoo vele fraaije vormen voorkomen. Het zal mij daarom bijzonder aangenaam zijn, om ook tot dit doel te kunnen medewerken , door mededeeling van deze en andere planten uit mijn herbarium aan allen, die daarin be- lang mogten steilen. Over de benaming dezer plant heb ik alleen aan te merken, dat ik het niet meer dan pligtmatig heb geoordeeld, om den naam van vy. D. SANDE te verbinden aan eenen der fraaiste vormen dezer plantenfamilie, bij welker be- werking hij met zoo goeden uitslag het, voor- waar niet gemakkelijk, voetspoor heeft betre- den van den beroemden Nees v. EsenBroK. Het was vooral door zijn onderzoek onzer Indische Hepatice, dat deze beroemde kruidkundige is in staat gesteld geworden, om zijn, reeds op de studie der Europesche plantenvormen ge grond, uitmuntend systeem der levermossen ook op die der tropische gewesten toe te passen en uit te breiden, en waardoor een helderder licht is verspreid, over, de toen nog duistere bewerktuiging dezer schoone gewassen. 92 Ik voeg hierbij de korte diagnose van eenige nieuwe soorten van Hepaticae, die door D". v. D. SANDE Lacoste onlangs zijn onderscheider. December. 1855. Dr. F. Dozy. PLAGIOCHILA NEES Er Mont. PLAGIOCHILA SANDEI Dz. Pl. superba Mp. mst. : caule repente, ramis erectis strictis dichotomo-ramosis; foliis im- bricatis patenti-divergentibus, cordato-ovatis, subfalcatis, obtu- sis, margine ventrali rotundato apiceque ciliatis , basi reflexo- cucullatis, dorsali reflexis serrato-ciliatis , fructu laterali et terminali, perianthio obconico , elongato, compresso, ore — truncato breviter ciliato. Habitat insulam Javae, prope Gadok, Juner. Caulis repens, flexuosus, solidus, fusco-nigricans, uti basis ramorum primariorum, nudus vel foliorum vetustorum reliquiis vestitus. Rami primarii distantes, elati, 0,07— 0,085 longi, cum foliis 0,007—0,008 lati, apice praeser- tim dichotomi, breviter subfasciculato-ramulosi. - Folia tenuia, mollia, luteo-fuscescentia, subpellucida, plana, semiverticalia, imbricata , patenti-divergentia , oblique ovata, subfalcata ; margo ventralis rotundatus, totus longe ciliatus, basi re- flexus et in cucullum revolutus; margo dorsalis arcuatim reflexus, totus vel versus apicem serrato-ciliatus; apex pla- nus, obtusus, ciliatus. Folia involucralia erecta , dorso stric- ta, obtusa, longius ciliata. Textura foliorum e cellulis parvis, sexangularibus, Perianthium involucro longius, ter- minale et laterale, obconicum, elongatum, curvatum, sub- cernuum. Spicae masculae terminales, simplices vel 2—4 in fasciculum congestae, quandoque iterum ramosae et pro- liferae, lineares, 0,01—0,02 longae, 0,002—0,0025 la- tae. Folia perigonii imbricata, rotundato-ovata, obtusa, integerrima, basi inflata, apice patentia. 93 Differt a Pl. Bantamensi N. ab HE. praeter magnitudi- nem, amphigastriorum defectu, foliis subfalcatis et perian- thio longiori; a Pl. superba N. ab B. foliis basi cucullatis et perianthio elongato non alato. 2. PL. PROPINQUA v. D. Sp. Lc.: caule repente, ramis erectis, dichotomo-dendroideis, foliis adproximatis patenti- bus, semiverticalibus, oblongis, breviter decurrentibus , subarcuatis, margine dorsali reflexis, integerrimis, ventrali ad apicem obtusum vel acutum spinuloso-dentatis ; fructu laterali et in dichotomia ramorum, perianthio compresso , obovato-campanulato , ore truncato breviter ciliato. Habitat insulam Javae; Trysm. in herb. Dz. et MB,; in montosis Salak, Coll. pl. Jav. Zoll. inter ne. 3560 d. (pl. mascula). 3. PL. sEMIALATA v. D. Sp. Le.: caule repente, ramis adscendentibns dichotomo-ramosis; foliis basi imbricatis pa- tenti-divergentibus , dimidiato-ovatis obtusis, margine dor- sali reflexis, integerrimis , ventrali apiceque spinuloso-den- tatis; fructu terminali, perianthio oblique campanulato , dorso a basi ad medium alato, [ala lata, apice ciliata], ore truncato, dentato-ciliato. Habitat insulam Javae, JUuNGH. 4. PL. GYMNOCLADA V. D. Sp. Le.: caule repente, ramis adscendentibus innovando-ramosis, innovationibus flagel- jiformibus, erectis, subaphyllis; foliis contiguis vel adpro- ximatis , semiverticalibus, patentibus , oblique ovatis , mar- gine dorsali reflexis , versus apicem serratis, ventrali apice- que emarginato spinuloso-ciliatis; fructu terminali et late- rali, perianthio campanulato, dorso alato, [ala angusta, versus apicem spinuloso-dentata], ore truncato, dentato- ciliato. Habitat insulam Javae , JUNGH. MAsTIGOBRYUM Ness, LINDBG. ET GOTTSCHE. 1. M. LINGUAEFORME v. D. Sp. Lc.: caule adscendente ichotomo; foliis imbricatis patentibus, ovatis, margine ven- O4 tral arcuatis, basi dilatatis integerrimis, apice tridenta- tis, dentibus parvis spinaeformibus integerrimis, amphigas- triis dense imbricatis , ovato-linguaeformibus, medio convexis, margine recurvis apice planis dentatisque ; fructu....... ? Habitat insulam Javae, Trysm. in herb. Dz. et MB. 2. M. ersBuM v. d. Sp. Lo. : caule adscendente flexuo- so dichotomo; foliis imbricatis patentibus, ovatis, integerri- mis, apice tridentatis , dentibus acutis integerrimis, amphi- gastilis adproximatis. parvis, quadratis, medio convexis , marginibus apiceque reflexis, crenulato-dentatis; fructu. , . ? Habitat insulam Javae, JUNGH. FRULLANIA RADDI. 1. FR. TRICARINATA v. D. Sp. Lo.: caule repente subbi- pinnato , foliis imbricatis semiverticalibus , ovatis, obtusis , auriculatis; auriculis oblongis, laevibns , obliquis, lacinia minuta aut nulla interposita; amphigastriis subdecurrentis bus obovatis, integerrimis, sinu brevi bifidis, ramulorum contiguis ad medium bifidis, laciniis acutis; fructu lateral, folia involucralia ovata, acuta, apice subdentata, lobo au- riculari oblongo-lineari; perianthio oblongo, dorso sulcato, ventre tricarinato. Habitat insulam Javae; commun. Dr. v. p. Bosca. 2. FR. ORIENTALIS v. D. Sp. Lc. : caule procumbente elongato, pinnatim ramoso; foliis adproximatis semivertica- libus, planis, ovatis, acutis, integerrimis, ramulorum laxe imbricatis, auriculis conicis cauli contiguis et parallelis tectis , amphigastriis adpressis, cordato-ellipticis, integerrimis, bifidis , laciniis acutis ; perianthio............ ? Habitat insulam Javae, Teysm. in herb. Dz. et Ms. AEL Fe TABULE EXPLICATIO. 22 33 2 33 Plagiochila Sandei naturali magnitudine. folia rami primarii a dorso, octies aucta. folia rami primarii a ventre, octies aucta. areolatio folii, quadragies aucta. perianthium cum folio involucrali et capsula, in quatuor valvas dehiscente, quater auctum. elater, ducenties auctus. ramus plantae masculee in spicis fasciculatis floreus, nat. magn. spica bifida plante masc., nat. magn. . pars spice masculae, octies aucta. . folium perigonii,tricies auctum. antheridium evacuatum , in basi folii perigo- niaci reconditum, quinquagies auctum. ee oe inital ong * PAB. K ad nat. del ys A oD 7 = Llagevhiete ‘ Joas 2 ys, Eet te NEDERLANDSCH © KRUIDKUNDIG ARCHIEF, . ONDER REDACTIE VAN = en So is 8 LEYDEN , JACOBUS HAZENBERG Corns. Zoon. 185 6. € AICS SOHITCC SD Na >) le = ICC OEE. DICE 2 NEDERLANDSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF. ONDER REDACTIE F. DOZY, DO DDR DD AD nnn nen nnn nn nova ae nnn nn nn nd Vierde deel, tweede stuk LEYDEN JACOBUS HAZENBERG Corns. Zoon. 1856. INHOUD. LLL LLL OOO Bladz Stirpes flové—Hollandas a Ferd. Mullero Collectas Detirminavit F. A. G. Miquel. 97 Waarnemingen omtrent eenige kritische inlandsche planten door A. Walraven. 151 STIRPES NOVO-HOLLANDAS A FERD. MÜLLERO COLLECTAS DETERMINAVIT F. A. G MIQUEL. *) CONIFERAE. FRENELA MimB. 1.Frenela fruticosa Env. Conif. p. 36. (Callitris pyramidalis Herb. Miu. non Sweet.) — Tatlers Range; Kangoroo-island (Ferp. Mürrer). 2. Frenela triquetra Spach. — Enpr. |. c. (Fre- nela Ventenatii MirB., Mem. Muséum 13, p. 14.) — Van Diemensland. (Stuart.) 3. Frenela crassivalvis Mrq. (§ muticae ENDL. |. c. p. 37.): ramulis obtuse trigonis, internodiis 1—2 lin. lon- gis, dentibus triangularibus obtusiusculis minutis, amentis masculis fasciculatis oblongis, femineorum abortivorum ru- dimentis trivalvibus cylindrico-trigonis basi minute bractea- tis, strobilis fertilibus maturis pedunculatis nuce Juglandis paulo minoribus, globosis, valvis majoribus oblongis obtu- sis dorso rugosis, minoribus elliptico-lanceolatis acutiusculis sublaevibus, columnâ brevi acute trigona. Spec. fem. matur.: Nova Holl. aust. inter.; spec. masc, florens cum abortivis strobilis fem. ad Enfield; m. Oct. (Ferp. MürLer). *) In describendis et definiendis his stirpibus eximiis etiam an- motationibus mss. cl. Minter, ad vivum factis, usus sum. 7 98 Rami vetustiores laeves; ramuli ultimi valde condensati, fragiles, pallide virides, lateribus unisulcis, denticulis pailide viridibus. Strobilo- rum maturorum valvae crassae, rigidissimae , intus fusco-subrubellae haud crasse tubercu- latae, majores 6; minores 4: lin. circiter lon- gae. — Qui in speciminibus, quae amentis masculinis florentibus rubigineo-flavis onusta sunt, sparsim in apicibus ramulorum occurrunt, strobuli femined abortivi sunt (notatu dignissimi, alio loco fusius describendi) tribus valvis oblon- gis pallidis subrubellis vel luteolis, 2—3 lin. longis, intus nihil recipientibus compositi,, basi bracteis suffulti. CASUARINEAE. CASUARINA. 1. Casuarina moesta Ferp. Mürr.: ramulis filifor- mibus erectis strictiusculis 5—6-angulato-teretibus, inter an- gulos uuifariam pilosulis, internodiis 5—10 vulgo circi- ter 7 millim. longis, vaginarum dentibus 5—6 lanceolatis ciliolatis adpressis pallide fuscescentibus, amentis masculis longiusculis, vaginis 6-angulatis et 6-dentatis, femineis bre- viter pedunculatis ovatis acutis, bracteis ovatis acuminatis extus subglabris, strobilis maturis cylindrico-ovatis utrinque truncatis circiter 12-stichis. In pratis collinis prope Melbourne. (F. Mürrer.) Speciem, Cas. leptocladae affinem, in adver- sariis accurate descripsit cl. auctor: «Arbor ha- 99 bitu Casuarinae quadrivalvis, sed coma graci- liore et densiore jam e longinquo differt.» — « Ramuli creberrimi conferti stricti 1”’ tenuio- res glauco-virides; vaginarum dentes }”’ longi, dorso obsolete carinati. Amenta masc. ramulos terminantia 1—2 poll. longa filiformia, vaginis adproximatis, antheris luteis. In amentis fem. bracteae extus glabrae, intus tomentosae, acuminibus imbricatae (bracteolae nondum dis- tinctae!). Maturi strobili 12” longi, 4” crassi; bracteolarum partes liberae triangulari-rotun- datae paulo exsertae, extus e fusco-nigrescen- tes, foveam amplam formantes, semina cum ala ambitu ovato-cuneata, ad 4”’ longa, 2” la- ta, ala nucleo nitenti-fusco compresso duplo major translucens acutiuscula apiculata. «Cha- racteribus inter C. leptocladam et C. tenuis- simam medium tenet.» 3. Casuarina FraserianaMig. Revis. Casuar. p. 59, n. 22, Tab. VI. d. (C. rigida Mitt. herb. non Mig., Cas. nanaScHLECHTEND. in Linnaea XX, 574, non SIEBER): Prope Brighton. (F. Mürrer). 4. Casuarina distyla VENTEN. — Mig. Le. p. 57 n. 21, Tab. VII. fig, AA—C. — formae utplurimum robus- tiores, quam quae a me olim descriptae et delineatae sunt. Prope Yore-town, van Diemensland, Noy., 2—3- pedalis, (J. Sruart n. 950), prope fl. Onkaparinga (F. MULLER) spe- cimen paulo dubium; ad Gippsland. (Idem.)_ 5. Casuarina MürLERIANA Miq. n. sp.: ramulis te- nuibns rigidulis simplicibus acute sex-angulato-sulcatis gla- bris, internodiis 5—8 vulgo 6—7 millim. longis pallide 100 viridulis, dentibus vulgo 6 triangularibus dorso convexis, pallide fusculis serius albidis, vix ciliolatis adpressis, strobilis femineis brevissime pedunculatis oblongis vertice truncato brevi-cuspidatis vulgo 12-stichis, tricentimetralis lon- gitudinis, bracteolis dorso tuberculo trigono auctis, obtuso- rotundatis, bracteis parvis ovato-triangularibus acuminatis. In monte Torrens, Lofty ranges: m. Feb. (F. Mürrer.) Prope C. distylam. Ramuli perinde subunila- terales. Amenta masc. in ramulis brevibus, 2—3 cent. longa, vaginis 6-dentatis viridulis ore pallide fuscescentibus. In alio specimine ramuli florentes longiores exstant. Bracteae strobili fem. matur. fere glabrae adpressae. 6, Casuarina pumila Orv. et Drerr. var. hirtella: ramulorum sulcis dense longiusculeque hirtellis, pilis albi- dis patulis. Alberts river, Gippsland, Jun. 1853. (F. Mux.) 7. Casuarina quadrivalvis Lapin. — Mig. Lc. pe Tlyoin.. 0295 Tab Moet XK fig. «Bir C as: distiyla Scuip. in Linnaea |. c., non VENT. In m. Kaisersstuhl. (F. Min.) Ramus etiam exstat monstrosus valde fasciatus, ramosus, ramulis pari modo fasciatis. 8. Casuarina Gunnii J. D. Hoox. mss. Cas. qua- drivalvis var. spectabilis Mig. 1. ¢, p. 73, Tab. X. fig. C, Van Diemensland. (C. Sruart.) 9. Casuarina glauca SieB. — Mig. l.c. 76,n. 30. aly OXiepation nC, In Peninsula Lefèbre, ad Portum Lincoln. (F. Mürrer.) Hujus loci esse videtur Casuarina pauper F. Mürr. adnot. mss., sub quo nomine non nisi strobili maturi exstant et quae sequitur adno- tatio: »in clivis lapidosis et in deserto versus 101 Morinde et Flinders-range. Non difficulter a C. quadrivalvi discernitur: ramulis crassioribus canis, dentibus vaginarum brevioribus, anthe- ris minoribus, strobilis longioribus, denique habitu humiliore et ramis erectis nec adsurgen- tibus. The Oak colonorum; fl. vere.” — Stro- bili 5 cent. longi, 3 crassi, cylindrico-oblongi, utringue truncati, 22-stichi; bracteolae ellipti- cae acutiusculae prominulae. Ab immaturis co- nis C. glaucae a me olim delineatis, non nisi majori magnitudine differre videntur. Adnotatio. Nomina nova speciebus jamdudum notissimis nuper imposuit Zoologus anglus , Swainson, de quibus me hic tacuisse, non mi- rentur botanici. SANTALACEAE. SANTALUM LINN. 1. Santalum lanceolatum R. Br. Prodr. Nov. Holl. p. 356. — non ScHLECHTEND. in Linnaea XX. p.579, teste auctore eadem species ac S. Preissianum meum, quod vero ab hoe genuino S. lanceolato satis differre, repe- tità observatione edoctus sum. Frutex a basi ramosus hominem altus, foliis opacis; ad ripam altam arenosam fl. Murray, supra Marnunda, Port Lincoln (F. Mürren). Hujus loci est N°. 2112 Herb. Preiss., ame olim inter dubias species relictus quum flores deessent. 102 2. Santalum persicarium Ferrp. Mit. : foliis par- vulis glaucis lanceolatis vel lineari-lanceolatis utrinque acu- tis crasse-coriaceis 32—1 poll. longis, 1—14 lin. latis, seminibus globosis magn. cerasi. Adtractum Marble-range; in virgultis ad fl. Murray, 20—30 pedes alt. attingens, ad sinum Spenceri, portum Lincoln alibique (F. Mürrer). Floret aestate. » Folia quam S. lanceolati glauciora, cras- siora, minoraque. Fructus pericarpium coria- ceum viridulum minus rubrum, amaricans, fe- re exsuccum non edule nec succoso-acidum nec splendenti-rubrum. Perispermium multo minus poroso-rimosum, saepissime majus quam S. lanceolati. Semen magnitudine et sapore avel- lanae.” LEPTOMERIA R. Br. 1. Leptomeria Billardierii R. Brown. Van Diemensland (C. Stuart.) Cuoretrum R. Brown. 1. Choretrum glomeratum R. Br. 1. © p. 354- Frutex humanae altitudinis. Ad fl. Murray, prope oppidulum New-Haniburgh in pratis are- nosis, 2—3 pedum altitudinem attingens; (F. Miter). | 2. Choretrum spinosum Mig. Pl. Preiss. I. 609. Leptomeria pungens Ferro. Mitt. Herb. Leptomeria atro- purpurea Breur, Herb. Flores extus virides, intus atropurpvrei. Ad. fl. Murray (FE. M.) 103 3. Choretrum chrysanthum Ferp. Mi. Herb. : ramis teretibus striatis, ramulis angulatis gracilibus virga- tis, foliis valde dissitis adpressis minimis lanceolatis (apice vulgo rubellis), in angulum ramuli acutum decurrentibus , florum glomerulis breviter pedunculatis 1—3-floris, race- moso-paniculatim confertis, patulis, flore singulo vulgo tri- bracteato, brateolis rotundato-ovatis concavis flavis ciliola- tis, calyculo obsoleto! perianthii segmentis fornicatis. »Frutex habitu quodammodo abludens et Lep- tomerüs fere similior. Pedunculi sparsim brac- teati; flores sessiles vel brevissime pediceliati, flavi, Wheal-Warton, m. Febr.” (F. Mürrer). Exocarpus LABILL. 1. Exocarpus cupressiformis R. Brown. (Bxoc. communis BEER, Herb.) Ad pedem m. Lofty-range, ad fl. Light Novae Holl. australis, in monte Banker-range (F. Mürrer), van Diemens- land (Stuart). 2. Exocarpus duasystachys Schlechtend. Lin- naea XX p. 48. Ad fl. Murray (Beur). 3. Exocarpus humifusa R. Br. Van Diemensland (STUART). Specimen sterile (Broc. cupressiformis 8 fruticosa F. Min. Herb.) ad Flinders-range , Nov. Holl. austr. lectum, probabil- ter ad hance speciem pertinet. 4. Exocarpus aphylla R. Brown: Dombey-Bay (F. Mürrer). 5. Exocarpus leptomerioides F. Miu. Herb.: ramulis crassis subdivaricatis teretibus vel subangulatis sul- 104 eato-striatis, foliis exilibus adpressissimis caducis ovatis dorso convexis, spicis sessilibus brevi-cylindricis, puberis: foveolatis, perianthii 5-fidi lobis ellipticis, antheris cordatis, fructibus ellipsoideis, junioribus basi cupulé primum 5-den- tata antherisque persistentibus auctâ, mox autem plane truncata (e perianthit basi et pedicelli apice tune compo- sita) sustentis. Ad fl. Murray (Stuart), versus m. Brown (Brrr) (Ex. aphylla ej. Herb. non R. BBOWN). — Stigma obtusum. 6. Hxocarpus stricta R. Be. 1. c. Van Diemensland (Srvarrt); Buffalo-range, Nova Holl. austr. (F. Mürrer). . B. syrticola Mürr. rigidior ac pallidior. Promontorium Wilson (F. Mürrer). 7. Exocarpus glandulacea Mig. Pl. Preiss. I. p. 619. Exocarpus spartea forma gracilis Mrg. ibid. p. 618 (specimina florentia). Hxocarpus pendula Sruarr et Mürr. mss. Enfield (F. Mürremr). Nuces non adeo ellipsoideae et striatae ut in Preissianis, sed magis globosae et obsolete sal- tem striatae, attamen alioquin nullo pacto di- versae. Specimina Preissiana fructibus maturis instructa, secundum quae speciem olim con- stitueram, parvula et manca erant. Notas dif- ferentiales reliquarum partium fusius expositas invenies sub descriptione formae laudatae gra- cilis, quam olim perperam ad Exoc. sparteans retuli. 105 LORANTHACEAE. LoRANTHUS Linn. 1. Loranthus Preissii Mig. Pl. Preiss. I p. 280. Inramis Acaciae melanoxylon, A. actinodes, nee non Aca- ciae falcatae, in tractu Bardisa et Loftyrange, in valle Glenessmond , m. Martii, inter sinum Spenceri et rivum Crystal-brook, m. Oct. baccifer (F. Mürrer). „Petale saepe parte superiore coalita, ad partem conca- vam viridia.” 2. Loranthus Exocarpi Breur, in Linnaea XX p. 624. : „slaber, ramis teretibus, ramulorum articulis supre- mis compressis, foliis oppositis vel suboppositis sessilibus coriaceis lanceolato-linearibus falcatis acutiusculis obtusisve muticis subenerviis venulosis, pedunculis axillaribus brevis- simis plerumque bifloris, floribus pedicellatis; calyce cylin- draceo limbo patente denticulato, petalis 6 inferne in ala- bastro tereti-subclavato cohaerentibus, superne in lacinias canaliculato-lineares apice paullo dilatatas divisis, stami- nibus petalorum triente superiore insegtis, antheris anguste linearibus inter se aequilongis, petalis brevioribus, stylo exserto , stigmate capitellato” (MürrLerR mss.) In Casuarinis, Exocarpo cupressiformi, Cassia pterolo- ba, rarius in Acacia retinode, in planitiebus ad lacum Victoriae , sinum Encounter-bay , flumen Murray, Angas- park, Third-creek aliisque locis-nullibi frequens. (F. MULLER). „Planta splendidissima. Folia I1—3’” lata, 2—5” longa, basin versus angustata. Petala subreflexa.” „Var. et. flavescens F. Mitt. tubo florum flavescente , foliis angustioribus magis arcuatis, ramis divaricatis.” Var. (B. coccineus F. Mürr. tubo coccineo, foliis latio- ribus minus curvatis, ramis magis erectis.” 106 »Baccae immaturae primo virides, tunc rubrae maturae nigrae, drupa cerasi minores, globo- sae, largam Visci aucuparii quantitatem conti- nentes. Anthesis aestate.” 3. Loranthus Miquelii Leamann. |. c. 281. (ubi error typographicus; latitudo scil. foliorum 11—4 centum. haud llim.) »Ramis Eucalyptorum frequenter et cumulate adhaeret; v. c. inter Gawler-town et Syndocs- valley. Affinis quoque L. miraculoso, rami au- tem penduli et flores majores plantam Euca- lypticolam facile distinguunt…”’ — »A diversis plantis maternis formam plus minusve differen- tem semper frondem Eucalyptorum aemulan- tem accipit; itaque provenit: foliis latioribus, angustioribus uni-ad quinque-nerviis caet.” (Mürrer adnot. ) B. micranthus F. Mürr.: corolla alba, calyce antheris- que duplo paene niinoribus, corymbis plerumque ternis , nervis foliorum conspicuis. In tractu littorali ad Halifaks-bay. „Stirps a Cl. Preiss Grantham Novae Hollandiae occid. collecta, ex notà evidenter non differt.” (Cf. Pl. Preiss. 1. 281, varietas.) 4, Loranthus miraculosus Mig. 1 e. 281. In Santalo lanceolato. — Rami erecti haud pendentes , modo L. penduli et L. Miquelii. Fl. aestate. In itinere versus fl. Murray legit etiam Dr. HILDEBRAND, Aprili; flor. aurantiaci. 5. Loranthus pendulus Sreper. DC. Prodr. IV. p. 295. Mém. Loranthac. Tab. I.! bona. 107 Beagle-range in Eucalyptis (F. Mürver). 6. Loranthus Melaleucae Lerum. Pl, Preiss. IL. p. 281. In Melaleucis, ad fl. Murray (F. Mürrer). In mss. Mürverr indicatus, in Herbario deesse videtur , hum ad unam praecedentium vel sequentium rcferendus ? 7. Loranthuseanus F. Mit. Herb. : foliis inferioribus suboppositis, superioribus fere alternis, longiuscule petiola- tis, faleato-lanceolatis , coriaceis trinerviis et venulosis, junio- ribus cum innovationibus albido-lepidotis, adultis tenui- ter lepidoto-leprosulis, cymis axillaribus breviter peduncu- latis, trichotomis cum floribus lepidotis, ramulis trifloris , flore intermedio sessili, lateralibus breviter pedicellatis , calyee ovoideo-urceolato, infra limbam brevem breviter 5-dentatnm eonstrieto. Sect. Dendrophthoe; prope L. pendulum et L. Miquelii inserendus. Rami cylindrici, petiolorum cicatricibus tu- berculati, ramuli compressi. Petioli circiter semipollicares. Folia 3:—4 poll. longa, 3-fere 1 poll. lata. Pedunculi 2 lin. albido - vel luteolo - lepidoti. Calyx defloratus fere 2 lin. longus, limbo nunc leviter incurvo dentibusque quibus- dam fissis. Stylus adhuc persistens (corolla cecidit) rubellus, fere pollicaris..—- Bractea cui- vis flori laterali extrorse adposita ovata, na- vicularis, flori intermedio postice inserta mi- nor et angustior. | 8. Loranthus Eucalyptoides DC. Prodr. IV p. 318 n. 251: glaberrimus ramulis rubellis, foliis oppositis longiter petiolatis lineari-lanceolatis falcatis fere rectis utrin 108 que attenuatis, apice quandoque obtusis, coriaceis ver- sus basin uninerviis vel plane aveniis, cymis rubellis bis dichotomis laxis paucifloris, flore axillari sessili saepe deficiente , bracteis viridulis rubro-marginulatis , calycis el- lipsoidei fusco-rubelli superne pallide viridescentis ore sub- integerrimo minute crenulato. Petioli semipollicares. Pedunculi 1—1 poll. longi. Flores 2 lin. pedicellum aequantes. Calyx 1 lin. vix longus. Yaw (Ferp. Mixer). Brevior phrasis Candolleanae satis quadrat. RUBIACEAE. OPERCULARIA RICH. 1. Opercularia hispidula Enpr. Pl. Hügel. p. 58. — Opere. coprosmoides. Ferro. MiLLER mss. Sealors corn, Nov. Holl. austr. (Ferp. Mürrer.) Stipulae subulatae superiores integrae, inferi- ores nunc bifidae. Endlicheri brevior phra- sis alioquin satis congruit. 2. Opercularia ovata J. D. Hook. Lond. Journal VI. p. 465. Op. micromerioides Ferp. Mürr. mss. Nov. Holl. austr. ad Plinty-range. Specimen depaupe- ratum m. Nov. (Ferp. Murr.) «Herba procumbens foetida, in umbra Eu- calyptorum solo arenoso-humoso et vegetabili putrido. Folia acutiora quam in phrasi Hoo- keri. Pl. fem. in capitulis paucifloris.” 3. Opercularia scabrida ScaLEcHTEND. in Linnaea XX. p. 604. In umbrosis sterilibus tractuum Lofty-ranges Novae Hol- landiae australis, m. Dec. (F. Müur.) 109 Vaginarum dentibus pluribus a sequentibus aliisque perquam consimilibus distinguitur, 1. c. accuratissime descripta. 4. Opercularia hyssopifolia Juss. Aun. d. Mus. Le. p- 428, Tab. 71. fig. 1. DC. Prodr. IV. 616°: caulibus e radice lignosa pluribus erectis strictis a basi ramosis qua- drangulis sulcatis et striulatis, adultis glabris, junioribus foliisqne pilis albidis scabridis, foliis sessilibus linearibus integerrimis, uninerviis erectis, scabridis, stipulis solitariis integris, capitulis terminalibus et axillaribus subsessilibus , floribus masculis tetrandris. Crescit Lofty-range et ad Rivoli-Bay (F. Mit.) Opercularia turpis Ferro. Mitt. herb; — quo nomine, si synonymum Jussievinum haud recte huc citatum foret (qua de re in tanta cognata— rum complurium specierum similitudine aliquo- modo dubium me haerere haud mirum) olim haec species in Botanicorum catalogis. enume- rari oporteret. — Radix teste, MürLero Raphani odorem, spirat; caules sufffrutescentes. Inter- nodia longiuscula.. Innovationes densius pilo- Sae. Pili albi conici acuti rigiduli.. Folia cauli adpressa, vulgo internodio breviora, inferiora minora breviora et latiora, fere lanceolata + poll. longa „+ lin. lata, reliqua utplurimum cir- citer semipollicem longa, ;—} lin. lata, prae- sertim supra ubique pilis conspersa brevibus et adpressis, subtus praesertim in nervo et ver- sus margines pilis magis patulis instructa et pallidiora, caeterum glabriora. Stipulae e brevi vagina utrinque in unam fere triangularem in- 110 divisam cauli adpressam coalitae. Capitulorum involucra calycesque et lobi eorum pilosuli. Antherae pallidae. 5. Opercularia eclyptoides Ferp. Mürrer herb.: caulibus e radice tenui herbaceis suberectis tenuibus an- gulatis sulcatis scabro-puberis, foliis (inferiora mediis mir nora) breviter petiolatis elliptico-lanceolatis, lanceolatis vel fere linearibus, utrinque attenuatis, apice magis acutis, herbaceis , integerrimis , marginibus (in sicco) recurvulis, su- pra saturate viridibus adpresse pilosis, subtus praesertim in nervo medio (venae obsoletae) et secus margines hirtellis; stipulis solitariis triangularibus integris (2 itaque totis con- natis) breyi vaginâ junctis , capitulis in ramulorum. vertice gubsessilibus, calycis lobis, subulatis. Haud rara stirps videtur , lecta est v. c. ad Mount Dis- appoint ad tractum Pluche-range et forma valde glabrata in Nova Hollandia interiore. Ulterius cum 0. härtella DC. Prodr. IV, p. 616 comparanda ! Radix tenuis digitum longa per- pendicularis flexuosa, ramulosa, in sicco fusca. Caules plane herbacei. Folia media, quae in- ferioribus et superioribus majora, 2—5 lin. lon- gare lata. Formae glabriores etiam ex- stant. Unam’ O' brachyphyllae (var. pilosioris) titulo’ cl. Feno. Mixer distinxit, specificam ei autem dignitatem tribuere haud ausus fui. 6. Opercularia varia J.D. Hook. Lond. Journ. of Botany, vol. VI, 466. var. y. filiformis. ej.: Tasmania (Stuart), var. scabrida ej. l.c. Opercularia Stuar- tiana Ferp. Mix. herb. et O. br Hela ay lla NS scabra ejusdem serius. Van Diemensland. (Sruart.) 111 PoMAX SOLAND. 1. Pomax umbellata SoLAND. in Gaertn. Carpol. — Pomax hirta DC. Prodr, IV, 615. Nova Hollandia australis. (Ferp. MürLeR.) 2. Pomax rupestris Ferp. Mixx. Herb.: ramis tere- tibus laevibus glabris rubellis, ramulis pedicellisque tenui- ter tomentello-puberis, foliis glabris elliptico-lanceolatis vel lanceolatis submucronatis crassiusculis uninerviis, stipulis ovatis sparse setoso-ciliatis, umbellis 5—-10-floris , involu- eris. glabris, inaequaliter, 7-dentatis.. „Mount, -remarquable P (PERD. Mürren.) COPROSMA Forst. jk. Dn dieten LABILL.. Nov. Holl Lp. 10 Tab. 95; _ Van Diemensland Fano. _Mürzen), vai Coprosma Billardieri J.D. roth Lond. Journ. of Bot. Vi.’ p.' 465- (Marquisia Billardieri A. Ricu. DC. Prodr. IV, p. 477. Canthium quadrifi- dum. LagiLL. Nov. Holl I. p. 69. Tab. 94.) Australia felix, Van Diemensland. (F. Mit.) Antheras haud sessiles esse nec ramos glabros ut DC. perhibet, Cl. Mürrer in sched. monet. 3. Coprosma nitida J. D. Hoox. Lond. Journ. of Bot. VI. p. 465. [Cujus phrasis satis congruit, quamvis folia in supp. speciminibus fere omnia acuta ipsaque longiora deprehendantur.] Van Diemensland. (Sruarr.) RUBIA TOURNEF. 1. Rubia syrticola Mig. (As perula oligantha B deserti Furp. Mürrer Herb.]: caulibus e rhizomate re- 112 pente (caule subterraneo) pluribus herbaceis erectis rigidis, superne parce ramosis, spithameis quadrangularibus retrorse aculeolatis scaberrimis, foliis senis vel ad caulium ramifica- tiones pluribus, quam internodia brevioribus, erecto-patulis vel subreflexis linearibus mucronatis rigidis, marginibus re- curvis, subtus in nervo medio prominente marginibusque hispidis, floribus terminalibus pauci-fasciculatis subsessili- bus, corolla rotata 4-fidâ , fructu didymo succulento glabro. In interioribus Novae Hollandiae australis regionibus , ad Wallindango; m. Oct. (Ferp. Mürrem). Ob fructum baccantem et corollam rotatam ad Rubias retuli; congeneribus enim licet ma- joribus, caulis subterranei indole, ramorum aculeis et foliorum habitu etiam cognata vide- tur. Tota planta exsiccatione (excepto fructu) pallescit. Folia 2—4% fere 5 lin. longa, —! lata. Ovarium glabrum. Styli corollam parum su- perantes. Mericarpia subglobosa, siccitate rugo- sa et nitida. ASPERULA LINN. 1. Asperula conferta J. D. Hook. Lond. Journ. Ve. p. 463. Asp. oligantha Ferp. Mürr. var. conferta ej. Herb. Crescit ad St. Kilda Australiae felicis et in Tasmania, m. Sept. (F. Mürrer). Var. (B. internodiis quam folia brevioribus, Hoox. 1. c. Lofty-range (F. Murr). 2. Asperula minima J. D. Hook.l. c. p. 464, Asp. oligantha . muscosa Ferp. Mit. Herb. Van Diemensland (Ferp. Mürrer). 113 GALIUM LINN. 1. Galium erythrorrhizum Ferp. Mit. : herba- ceum erectum vage ramosum, caulibus quadrangularibus subretrorse patule hispidis, foliis quaternis, inferioribus el- lipticis acutis, superioribus lanceolatis, utrinque sparse his- pidis, pedunculis axillaribus et terminalibus bifidis et bis bifidis, corollae lobis brevibus ellipticis vix acutis, ovario glabro laevi, fructu obovoideo densissime conico-papilloso. In valle Schlanken (Brrr). Kangoroo-island (F. Mürrer). Planta spithamea usque pedalis , internodiis longiusculis. Folia 2: lin. longa. 2. Galium Ciltane de Di Hook, Loudoun vof Bot. VI. p. 461 (Galium Gaudichaudii DC. var. latifolia Ferp. Miu. Herb.). Ad Delatiti Novae Holl. austr. (F. Mürremr). 38. Galium densum J. D. Hook. |. c. p. 461. G. Gaudichaudi Ferp. Mitt. non DC. Gaulbourne-river (F. Mürrer). 4, Galium australe DC. Prodr. IV. p. 608. Ga- lium subalatum Ferp. Mürr. Tasmania (STUART). 5. Galium geminifolium Frrp. Mürr. mss. : vage laxe ramosum pedale et altius, caulibus quadrangularibus, ad angulos retrorse aculeolatis, foliis quaternis, 2 oppositis majoribus, 2 quadruplo minoribus, linearibus, glabris , membranaceis uninerviis, ad margines vix scaberulis, flori- bus in ramulorum axillarium apice umbellatis breviter pe- dicellatis, ovario glabro. Ad. fl. Murray. Folia distantia, majora praesertim horizon- taliter patentia, pollicem longa, 2—: lin. lata. 6. Galium axiflorum Ferp. Miu. mss.: vage ra- mosum decumbens vel erectum, caulibus quadrangularibus 8 114 pilis rigidis patentibus hispidis, foliis quaternis lineari-lan- ceolatis mucronatis marginibus recurvis praesertim supra his- pido- pilosis, subtus uninerviis glabriusculis, floribus axilla- ribus (ex omnibus fere axillis) solitariis vel 2—3, peduncu- lis tenuibus (serius incrassatis) quam petioli brevioribus glabriusculis, fructu glabro laevi, mericarpio abortiente. Forma minor humilior glabrior, folia inter— nodiis longiora. — Lofty-range (F. Mürrer). Forma laxe ramosa glabrior , internodiis lon- gioribus. Barassa-range, in formatione arenacei transitionis (F. Mürrer). Forma procera dense hispido-pilosum— Folia in omnibus circiter 1 lin. longa. — Tasmania (Sruart).—Teste cl. Mürrer e sectione Mascha logaliorum. MYRTACEAE.’ CRYPTOSTEMON FERD. MULL. (Genus Genethylli proximum.) „Flores im apice ramulorum capitato-congesti sessiles, bracteis lineari-filiformibus stipitati, foliis involucrati. Brac- teolae binae liberae oppositae sessiles membranaceae navi- culares carinatae, cito caducae. Calyx tubulosus 5-costatus, inferne germini adnatus, superne in faucem 5-dentatam sen- sim productus ceteroquin muticus, dentibus tubi costis con- tinuis. Corolla membranacea calycis limbo adnata, petalis 5-suborbiculatis obtusis concavis plane inflexis idcirco corol- *) Eximias observationes fusasque descriptiones hujus etiam ordinis speciminibus plurimis adjecit Cl. Ferp. Minner, quibus, cum ad vivum sint exaratae, eximie hae stirpes illustrantur. 115 lam claudentibus et stamina occultantibus +) Stamina 10, omnia futilia, 5 calycis dentibus, 5 petalis inserta. Anthe- rae globosae bilocellatae cernuae, locellis dorso apertis poro rotundo. Filamenta brevissima. Germen calyci plane immer- sum. Stylus lunge exsertus filiformis infra stigma punctifor- me corpusculo papilloso fusiformi-ovato incrassatus. Pericar- plum uniloculare. Semina..... » Frutex Australasicus ericoides. Genus corolla clausa et stylo sub apice strumoso eximium.” „Cryptostemon ericaeus F. Mürrer n. sp.” Vidi specimen vivum in horto bot. Melbournensi cultum,. quod ex Austro-Wallia nova originem duxit.” »Fruticulus fere pedalis erectus in ramos plures solutus. Ramuli breves patuli densissi- me cicatrisati tantummodo apice foliosi. Folia glabra confertissima 4—5’” longa 2” lata tri- gona in basin et apicem attenuata, mucrone brevi tenuique terminata, glandulis punctata, stipulis orbata. Flores 12 vel ultra in capitulum semiglobosum conferti saepe madore melleo saturati. Bracteolae 3’” longae fuscescentes 1” latae vel angustiores acutae scariosae bracteam multo angustiorem superantes. Calyx 4” me- tiens glaber basin versus virens cylindricus inde diaphanus saepe rubens ampliatus, dentibus. erectis lanceolato-triangularibus +” longis. Pe- tala membranacea diaphano-glandulosa subor- bicularia vel paulo rhombea 1°” longa concava mutica saturatius dilutiusve rosea. Antherae minutae 10, una alterave saepius deficiente, ni- f) Quam. ob rem. generis nomen elegi.. 116 tenti-nigrae. Stylus semipollicaris erectus pul- chre ruber, struma infra apicali virenti papil- losa 5” longa praeditus glaber.” Stirps in Her- bario Mülleriano haud exstat. SCHUERMANNIA Frrp. MULLER. 1. Schuermannia homoranthoides Ferp. Mui in Linnaea XV. p. 386, 387. Port Lincoln. (F. Murer.) TRYPTOMENE ENDE. 1. Tryptomene saxicola Scuaver Pl. Preiss. I. p. 102 in adnot. Baeckea auct. Astraea ScHavER antea.— Paryphantha camphorata Ferp. Mit. Herb. Camphorotham_ nus Australasicus ej. olim. Argyle County N. S. Wales (F. Mürrer). CALYCOTHRIX LABILL. emend. SCHAUER. a. Stipulatae. 1. Calycothrix Schlechtendalii mig. m. sp.: stipulis fugacibus ovato-acutis? foliis plurifariis imbricatis breviter petiolatis semitereti-trigonis lineari-subelavatis , nunc subtetragonis, dorso eonvexis antice planiusculis vel suban- gulatis, mucronatis vel obtusis, undique hirtellis, lineam circiter longis, braeteolis obovatis viridulo-albidis viridi-ca- rinatis sursum carinaque ciliatis, ad 1 basi connatis pedun- culum } aequantibus, calycis lobis viridulo-saturato-purpureis lato obovatis subtruncatis ex brevi apiculo filiferis, filis pur” pureis corollam superantibus, staminibus circiter 20. C. scabra Herb. Mürr. non DC. Lofty-range Novae Holl. austr. (F. Mürrer). Sectio dubia; stipularum rudimentum an recte observaverim, incertus haereo. Cal. brunioide 117 quodammodo affinis videtur. Petala exsiccatione pallide flavescentia. 2. Calycothrix rosea Mig. n. sp.: glabra, stipu- lata, foliis subdissitis quadrifariam adpressis breviter petio- latis clavatis semitereti-trigonis dorso convexis, antice planiusculis, apice oblique obtuso brevi-mucronatis, lineam circiter longis, bracteolis pallidis obovato-oblongis brevi- cuspidatis basi connatis, tubo calycis duplo-brevioribus, ealycis lobis obovato-obcordatis e sinu filiferis, filis caly- cis tubum superantibus , corolla rosea. Gawler-town et Beltan Novae Holl. austr. (F. Mürrer.) Habitus Empetri nigri. Rami subscoparii, juniores laeves nitidi. Stipulae pallidae acutae. Bracteolae 1; lin. longae, scariosae, nervo me- dio carinali fusco-rubello, apice subciliolatae. Calycis tubus 2 lin. aequans. — Calyc. Behriana B. nuda Frerp. Mitt. Herb. 3. Calycothrix leucantha Mig. n. sp.: folijs subquadrifariam sub-imbricatis breviter petiolatis lineari-tri- quetris vel facie antica subelevata subtetragonis apice bre- viter mucronatis 1—1} lin. longis, junioribus haud rare secus margines subciliato-scabris, adultis plane glabris , floralibus planiusculis ciliatis, bracteolis scariosis albis dorso carinato viridulo-coloratis, tubo calycis duplo brevio- ribus basi connatis, apice subciliatis, calycis lobis latis ro- tundatis subemarginatis, fusco-purpureis vulgo pallide mar- ginatis ex apiculo brevi flliferis, staminibus plus quam viginti. Frutex fl. albis prope Gawler-town, locis desertis: Scrub. (Dr. Brur). Folia laxiuscula nunc subpatula. Petala sicci- tate lutea latiuscule lanceolata. Var. foliis patulis vel subpatulis glabris, calycibus palli- 118 dis sublutescentibus, inter Maccalisfield et Valmigan (F. Miu...) 4. Calycothrix Behriana Scurpr. Linnaea. XX. 650. A praecedenti differt foliis majoribus pilosi- oribus, fl. luteis. 5. Calycothrix squarrosa Mrg. n. sp. Calye. scabra var. nuda Ferp. Mürrer Herb.: ramulis pubes- centibus fusculis, foliis quadrifariis remotiusculis vel densis breviter petiolatis (petiolis adpressis) patulis subrecurva- tisque trigonis vel subtetragonis angulis obtusis, breviter mucronatis, glabris, 2 lin. circiter longis, floribus confer- tis, bracteolis oblongis navicularibus scariosis carina fuscis apice brevi-mucronatis basi connatis tubo calycis purpureo duplo brevioribus, calycis lobis basi fusculo-purpureis. caete- rum pallidis luteolo-subviridulis ovatis acutis, filis viridi- purpureis corollam superantibus, corolia alba, staminibus fere 20. Van Diemensland (Herb. Mürr.) Tubus calycis 2, bracteolae circiter 1 lin. longae. Corolla siccitate flavescens. Petala lan- ceolata. 6. Calycothrix monticola Mig. nov. sp.: ramulis sparsis vel subumbellatis griseo-puberis, foliis breviter et adpresse petiolatis patule erectis vel subrecurvulis, semite- reti-trigonis vel subtetragonis apice obtuso brevi-mucrona- tis vel acutiusculis, 1—2} lin. longis, tenuiter puberis gla- brescentibus, bracteolis scariosis ad + a basi connatis obo- vato-oblongis apice ciliolatis dorso carinato apiculoque ex- serto viridulo-fusculis tubo = brevioribus, calycis fusco-pur- purei lobis obovato-obcordatis seeus emarginaturam quasi auriculatis, flis calycis longitudine, petalis albis dorso rubellis ? staminibus polyandris. Jn montibus saxosis versus lacum Torrens. Nov. F. Mürr.) 119 Folia laete viridia, seriebus pilorumoin sin- gula facie 2—3; petioli pallidi. Petala siccitate subalbida. By 7. Calycothrix Milleri Mig. nov .sp. Cal. scabra Ferp. Mitt. non DC.: ramulis tenere puberis, petiolis brevibus adpressis, foliis erecto-patulis vel subrecurvis lineari- clavatis trigonis vel facie antica bisulca cum angulo exserto subtetragonis, apice oblique obtuso brevi-mucronatis, seriebus rl, glandularum punctatis, 1}—-2 lin. longis, glabris, floralibus albidis planiusculis ciliatis, floribus racemosis, bracteolis albo-scariosis obovatis 1 a basi connatis ciliolatis, apice carinaque viridulis, calycis tubum dimidium aequan- tibus, lobis ovatis saturate purpureis in setam acute conti- nuatis, staminibus polyandris. Port Lincoln (WiLHELM?). Observ. Cl. Ferro. MULLER in mss. omnes fere praecedentes species nec non C. Behrianam va- rietatum titulo Cal. scabrae subscripsit. Species quamvis perquam sibi consimiles, accuratiori examini tamen certas notas differentiales ob- ferre, vix dubium videtur. Characteres specie- rum a cl. Turczantno in Bullet. de Moscou, Vol. XX. descriptarum cum nostris caute comparavi omnesque a nostris satis diversas offendi. MELALEUCA LINN. a. folia alterna, in quibusdam simul opposita. 1. Melaleuca genistifolia Surrm. — DO. Prodr. II. pag. 212, n. 8. Torrens-river Novae Holl. austr. (F. Mit.) 29. Melaleuca curvifolia Scurpr. mm Linnaea XX, p. 654. n. 175. 120 Marble-range in fruticetis, Murray-Scrub, Holdfast-baij , Morphest-vale, ad lacum Victoriae. (F. Mürr.) Frutex 4—10 pedalis vel arbor 20-pedalis, spicis numerosis speciosissima. Descriptioni cl. Secur. adde: Phalangium sta- mina saepe pauciora. Spicae interdum bipollica- res. Fructus ovoideo-globosus, grani piperis magn. apice contractus, rugulosus, griseo-fuscus. 3. Melaleucaheliophila Frrp. Miu. Herb: glabra ramulis gracilibus, foliis densis patule subrecurvis anguste linearibus acutis muticis subsemiteretibus, antice planis , dorso convexis, enerviis, subsessilihus (basi contracta fus- cula petiolum exhibente), ramorum 6, ramulorum 3 lin. Jongis ,4—+ latis, spicarum axi pubero, bracteis ovato-lan- ceolatis acutis alabastra superantibus; calycis lobis ovatis subciliolatis, staminibus phalangibus 8-andris. Prope Yarra (F. Mürr.) Folia in sicco sordide viridia. — Petala ovato- rotundata alba?, ungue brevi. Antherae ellip- soideae. Capsula in calycis tubo fere libera. 4. Melaleuca pubescens ScHAUER in Walp. Rep. Il. pag. 928, n. 5. (M. glabrescens F. Mutt.) Barker Creek, Novae Holl. austr. (F. Mutt.) 5. Melaleuca Gunniana ScrHaver in Walp. Rep. ITE Ok m0: Ad flumen Nile Tasmaniae (STUART). Folia alterna et simul opposita. — M. vimineae proximam censet cl. Mürrer; recedit foliis an- gustioribus enerviis tuberculatis vix recurvis ta- men patentibus, spicis densioribus, brevioribus. B. capitata Ferp. Müru.: floribus in capitulum con- densatis. Flores flavi videntur. 121 Fl. vere. Van Diemensland (Srvarr). 6. Melaleuca ericifolia Smirm? Exot. Bot. Tab. 34, DC. Prodr.l. ce. 213, n. 15. (Folia alterna et opposita.) Onkaparinga (F. Mutt.). 7. Melaleuca squamea LaBiLL. Nov. Holl. II, p. 28. Tab. 158.-DC. Prodr. 1.-c.- 213, n. 13. Port. Sorell Tasmaniae (STUART). 8. Melaleuca uncinata R. Br. — DC. 1. c. p. olan: 18. In m. prope Boston-river et in ins. Halmaturorum, in districtu Galwa versus lacum Victoriae et ad fl. Three-wells river. (H. HEUZENROEDER.) 9. Melaleuca paludosa R. Br. — DC. Prodr. 1. c. Pss2 2d me) 4. In rupium fissuris ad rivulum Taminda, ad ripas aqua- rum fluentium, Torrens, Onka-paringa, Murray (F. Miitt.) Folia juniora ciliolata, dejectis ciliis scabri- uscula demum laevia; rhachis et calyces passim glabri. Foliorum nervi laterales cum venis ex- siccatione prominent. Capsulae 3-4-loculares. Vere et aestate floret. In herb. non inveni; num ad unam prae- cedentium referenda? b. folia opposita. 10. Melaleuca thymifolia Smitu. Exot. Bot. Tab. 36. DC. Prodr. III. p. 214, n. 23. In humidis montium humiliorum versus flumen Onka-pa- ringa. (M.) _ Frutex erectus vel diffufus 2—3-pedalis, ra- mis saepe decumbentibus. Petala nondum ex- plicata bracteaeque rubra. Flores lilacini. FI. aestate (F. Mutt.) {22 11. Melaleuca halmaturorum Ferp. MiLL. mss. : foliis oppositis densis hinc nunc subquaternis patule erectis subimbricatis linearibus antice. planis, acutis vel obtusius- culis, non mucronatis. 14—2 lin. longis, {—¥4 latis, ener- viis, glaucis, glabris, petiolis adpressis, bracteis spicarum ovatis acutiusculis tubum calycis aequantibus; capsulis caly- cis tubo ovoideo-truncate connatis trilocularibus. Ad flumen Three-Wells-river insulae Halmaturorum. (H, HEUZENROEDER) Fl. vere. »Habitus M. curvifoliae, differt foliorum situ, lisque obtusiusculis, nigro-punctatis, glabritie fere perfecta, fructibus apice minus contractis campanulato-hemisphaericis, floribusque plerum- que magis dissitis solitariis vel spicam pauci- floram ramo altius insertam constituentibus.” „Var;B-enervis (M. enervis F. Miu, Herb.) : foliis saepe inpunctatis, tloribus in capitulum collectis. In Nova Hoil, australi passim Boston-point, arbuscula. (FE. “Miter. bie: Var. y. tuberculifera (M. tuberculifera F. Mit. Herb.): foliis ramorum ‘majoribus fere semipollicaribus , 5 lin. latis acutiusculis vel obtusis. In Nova Holl. australi ad Gmina-bay, Holdfacehay raro (EF. Mürrer). 12. Melaleuca gibbosa LABILL. Nov. Holl. IL p. 30 Tab. 172. DC. L c.p. 205 n°. 32. Van Diemensland (Sruarr). 13. Melaleuca squarrosa SMrra. DC. Prodr. |. ernorm. Van Diemensland ad Georgetown et Mersey-flumen , (Stuart), cum var. glabrata F. Mürr. ramulis gla- briusculis. » Frutex 5-10-pedalis densus strictus, _pa- 123 ludes ,extensas, haud profundas socialiter ‚cum Leptospermo.amplectens et, fruticeta vix:pene- tranda. sistens.” In interioribus versus -sinum litoreum Rivoli-bay,, fl, aestate. 14. Melaleuca oligantha- Ferp. Mi... ,Herb.: foliis oppositis lineari-lanceolatis, floribus violaceis, ex unico frustulo suppetente non ultro definienda. New South Wales. e. folia verticillata. 15. Melaleuca ternifolia Ferp. Mitt. Herb.: ramulis tenuibus pallidis striulatis, foliis ternis brevissime petiolatis recurvo-patulis angustissime linearibus acutis semi- tereti-compressis enerviis punctulatis vix 3. lin. longis, spi- cis terminalibus, petalis rubellis, staminum phalangibus S-andris. Argyle county, N. S. Wales (F. Mürrer.) EvucaLyptus Luerit. I. folia alterna. i agri seats Tebben ila Ferp. Miu. mss, E. perforata Beer, Herb. partim. — Anne B. x antho- nema TuRCZANIN. Bull.'de Moscou XX. p. 163?: frutex gracilis glaber, ramulis rubellis vel flavescentibus, foliis’ la- to-linearibus in acumen tenue. excurrentibus. coriaceis fre- quenter pellucido-punctatis, umbellis axillaribus 3-7-floris, calycis tubo obconico-campanulato operculi flavescentis late conici mutici sublaevis longitudine, fructibus parvis cyathi- morphis. Nova Hollandia australis Murray-scrub, aestate florens (Dr. Berm). Frutex humanae altitudinis, folia 2—3 poll. longa, 1;—2 raro 3 lin. lata, costa utrinque 124 distincta nec tamen prominens, venae obtectae. Pedunculi 1—17 lin. longi; flores subsessiles. Calycis tubus 1 lin. longus. — E. viminali pro- xima, foliis angustioribus et operculo acutiore et longiore differt. 2. Eucalyptus amygdalina Lazu. Nov. Holl: IL. p. 14. Tab. 154. DC. Prodr. 1. ec; 219, n. 25. In Tasmaniae sylvis, locis arenosis, Buffalo-range N. H. austr. (StuART n. 18, Mürrer). ,, Arbor 50’—60’, pep- permint-gum-tree” incolarum, vere florens, foliis usque 4 poll. longis, } latis. B. foliis angustioribus, ibidem (Stuart, Herb. n. 8.) 3. Eucalyptus gracilis Frrp. Min. — E. perforata Breur, Herb. partim: arbuscula gracilis, ramulis teretibus apice angulatis lanceolato-linearibus vulgo subfal- catis in acumen vel apiculum uncinatum excurrentibus gla- bris coriaceis crebro pellucido-punctatis, umbellis axillari- bus et lateralibus 3-6-floris, calycis tubo turbinato opercu- lum depresso-hemisphaericnm apiculatum triplo excedente. Ab E. amygdalina proxime affini differt foliis non venosis, ab E. ambigua operculo vix api- culato, petiolis longioribus, umbellis plerum- que 5-floris, ab E. Cneorifolia floribus breviter pedicellatis (MULLER). Frutex vel saepe arbuscula gracilis 5—8 pe- dum altitudinis, partem magnam fruticetorum extensorum aliquot millizria a fl. Murray re- motorum sistens, aestate florens , ramuli junio- res rubri (F. Mier Herb. et observ. manu- script); (Stuart Herb. Tasman. n. 3). Folia 2 poll. longa, 13 lin. lata. Calycis tubus palli- dus :—2 lin. lata. 125 4. Eucalyptus patentiflora Ferp. Mürrer Herb.: ramulis adultis teretibus, superne subangulatis, foliis mem- branaceo-coriaceis concoloribus lanceolato-linearibus longe acuminatis nunc faleatis, venis patulis utrinque distinctis , tenuiter punctatis, umbellis axillaribus lateralibusque ca- pitatis 4-7-floris, floribus squarroso-patentibus, operculo conico mutico basi ampliato tubum calycinum campanula- tum (ante anthesin) medio paulo constrictum aequante. Inter Melbourne et St. Kilda, in itinere per regiones interiores versus sinum Rivoli-bay, m. Oct. cum alabastris legit F. Mürren. Folia circiter 3 poll. longa, 2—3 lin. lata, reticulata, fere subtrinervia vena adscendente utrinque fortiore. Fructus 1: lin. longus. Ar- bor probabiliter elata 20—50’. 5. Eucalyptus longirostris Ferp. Mitt. Herb. — Euc. rostrata ScHLEcHTD. Linnaea XX. p. 655, n. 176. haud CAVANILLES. Frequenter in planitiebus et montibus humilioribus v. c? Mount Burke-range, Lofty-range, Beagle-range , Salt-creek , „Red Gum tree” colonorum. Fl. aestate. — Folia 3—6 poll. longa ;—fere 1 lata, haud crasse coriacea. B. forma brevirostris Müúrr.: rostro breviore. Ad Glenely river. (F. M.) 6. Bucalyptus viminalis Lani. |. c. p. 12. Tab. 151. DC. Prodr. l.c. 218, .n. 15. — E. sacchari- fera Frrp. MürLeR mss. B. crucivalvis ej. olim. In humidis ad Onkaparinga, m. Aug., Beagle-range, Lofty-range (F. Mürrer). — Tasmania (Stuart n. 1). Arbor procera trunco cinereo albo recto. B. microcarpa F. Minn. — Ad Fifteen-miles-creek. Folia chartaceo-coriacea elongato-lanceolata e basi latiore sensim angustata, acuminata. {26 Umbellae axillares et laterales triflorae ; pedun- cnlus petiolo brevior pedicellis longior; calycis tubus conico-campanulatus operculum hemi- sphaericum muticum apice conoideo-attenua- tum aequans. — Arbor gigantea cortice griseo- nigricante rimoso secedente et truncum lae- vem cinereum relinquente, coma densiore quam E. longirostris. Suturae valvarum 4 varo 3 e tubo calycino maturo turbinato-globoso emersae . crucem imitantur. Fl. aestate (Mix. adnot.) | 7. Huealyptus Cajuputea Ferp. Miu. Herb. : ramulis tenuibus superne acutangulis, foliis linearibus apice acuminato vulgo sphacelatis, basi in petiolum brevem tortum attenuatis, utplurimum falcatis, coriaceis, costa te- nui subtus parumper prominente, venis adscendentibus ob- tectis, una utrinque e basi subdistincta, umbellis axillari- bus et lateralibus, 3-7-vulgo 5-floris, floribus breviter pe- dicellatis, operculo conico non mucronato calycis tubum obconicum fere aequante. Flinders-range (F. Mürrer). Petioli circiter 3 lin., folia 2:—4; poll. longa, 2—4 vulgo 3 lin. lata. Pedunculi 2—3 lin. longi; pedicelli 1—1: lin. longi, ancipites vel tetraquetri. Calycis tubus 1;—2 lin., quan- doque subanceps. 8. Eucalyptus Gunnii J. D. Hook. Lond. Journ. of Bot. III. p. 499. . Streleetsky-range (F. Mürrer). Forma normalis exstat et alia abludens umbellis 5-floris. — 9. Eucalyptus leucoxylon Ferp. Minter: ramu- lis teretiusculis, foliis elongato-lanceolatis sursum’ angus 127 tatis, apiculo incurvo terminatis coriaceis nitidulis penni- veniis subreticulatisque , pedunculis axillaribus tri-raro quin- que-floris petiolo brevioribus pedicellos aequantibus, floribus 2 lateralibus patentibus, calyce operculoque rugulosis, hoc depresso-hemisphaerico subulato-attenuato aequilongo (F- Mürver , Herb. et adnot.) Fere ubique in planitiebus loeisque montosis, White gum. tree incolarum. Arbor excelsa, rarius arbuscula 10—12-pe- dalis (in montium cacuminibus). Rami junio- res rubelli, saepe pruinosi; folia obtuse viri- dia, juniora glauca. »Truncus albus sublaevis, passim striis fuscis.” (D". Bear). Filamenta lu- teo-albida, antherae fuscae. Variat floribus du- plo majoribus. | | B rugulosa F. M. (E. rugulosa’ F. Mim. in schedulis herbarioram): florum majorum tubo amplo-obco- nico ruguloso, foliis longioribus;-a vere ad autumnum flo- rens; in vallibtis et planitiebus, in Devily-County, Adelaide (F. M.), Lofty-range. y. rostellata F. M.: operculo in cornu breve pro- tracto. (B. rostellata Breur, Herb.). Arbor mediocris in planitie arenosa ad oppidulum Tammida. Ramuli ru- belli, (BEHR). 0. pluriflora F. M. : umbellis plerumque 5-floris, pe- dicellis abbreviatis. B. odorata? Bear, Herb., non in Linnaea. Ad Gawler-town. e. pruinosa F, M.: alabastris ramisque pruinosis , operculo rostellato. Arbor ingens, coma vetustiore nigrieante, (E. tristis Herb. Min.) —.Saltcreek (BEHR;) n. erythrostema F. M.: filamentis sanguineis. — __Rarius ad sinum Encounty-bay et montis Beagle-range (Stuart et F. Mürrer) (BE. inetassata var. Mürt. Herb.) 10. Eucalyptus oleosa F. Minn. E. perforata 128 Beur, Herb. ex parte. Eucalypto strictae Srep. affinis. Marble-range (Wilhelmi); Murray-Scrub (Dr. Breur). Frutex, ramulis angulatis, foliis anguste lanceolatis vel sublinearibus in acumen uncinatum tenue vulgo sphacela- tum excurrentibus, basi attenuatis, utplurimum inaequilate- ris, coriaceis crebro pellucido-glandulosis, venis subobtectis erecto-patulis, umbellis axillaribus, 4—10-floris pedunculo angulato sustentis, floribus breviter pedicellatis vel subses- silibus, operculo conico-hemisphaerico obtusiusculo tubum obconico-turbinatum subaequante. »Frutex hominem altus, coma Îaetissime viridi nitente’, (Breur). Ramuli angulati albido-pallidi vel juniores saturate fusculi. Petioli 3—4 lin. longi in sicco luteoli. Folia 1:—2:!, vulgo. cir- citer 2 poll. longa, 2—3 lin. lata, recta vel obliqua. Pedunculi 2 lin. vix aequantes. Ca- lyx 1: lin. aequans, haud raro operculo sub- longior, pallidus. Filamenta pallida. 11. Eucalyptus tenuiramis Mig. n. sp.: ramulis tenuibus gracilibus teretiusculis, foliis e basi attenuata sub- aequali lanceolatis vulgo subfalcatis, apiculo recto vel eurvulo terminatis, subcoriaceis, punctatis, venis tenuibus adscendentibus tenere reticulatis utrinque cum costa subdis- tinctis, pedurculis 6-10-floris, floribus subsessilibus, calycis tubo obovato-conico striulato pruinoso, filamentis rubellis et flavis (in sicco), antheris didymis. Van Diemensland (Stuart n. 11, p. 16). Ramuli fusculi. Petioli tenues subsemipolli- cares. Folia 3-—5, vulgo 4: poll. longa, 4—7 lin. lata, nunc glauco-pruinosa. Pedunculi sub- semipollicares. Alabastra clavata. Calycis tubus fere 3 lin. longus. Species venis adscendentibus 129 a plurimis dignoscenda. — Anne cum E. unci- nata Turcz. Bull. Mosc. XXII. part. II. p. 23. comparanda ? 12. Eucalyptus ligustrina DC.? Prodr. IV. p. 219. Van Diemensland (Stuart n. 17.) 13. Eucalyptus odorata Brug, in Linnaea XX. p. 657 n. 178. EH. perforata Ferp. Mii. Herb. olim. Dombey-bay , forma angustifol. frutex 5—8-pedalis ad aquas stagnantes ad fl. Murray passim crebro; in terra cal- carea undulata prope Adelaide (F. M.); ad Light’s pass et Sandberg (BEER). »Cortex ramorum juniorum interdum nigre- scit; pedicelli pedunculique plus minus angulati rugulosi, filamenta denique 2”’’ longa.” F. Muu, B. erythrandra Ferp. Müru,: filamentis rubris, foliis ‘ latioribus, habitu robustiore. Port Lincoln Novae Holl. austr. frutex 5—6-pedalis (EF. Mürrer). y. calcicultrix? (B. calcicultrix F. Mit. Herb. et adnot.); foliis tenuioribus elliptico-vel oblongo-lanceolatis extenuato-apiculatis , adspectu subtrinerviis, 2—31. poll. lon- gis. Locis calcareis ad Adelaide Nov. Holl. austr. (F. M.) 14. Eucalyptus lamprocarpa Ferp. MürrL.: ramu- lis rigidis nunc rubello-fuscis quadrangulis, foliis haud raro per paria subadproximatis e basi acuta subaequali lanceolatis vel ovato-lanceolatis attenuato-acuminatis crasse et rigide coriaceis, costa utrinque distincta, venis erecto-patulis fere obtectis, pedunculis axillaribus et lateralibus compressis crassis 2-5-floris, floribus sessilibus, calycis tubo obconico striato nitido operculum breviconicum radiatum subacutum paullo superante. In desertis Murray-scrub, Salt’s-creek, travellers vest, - Ponindi Augaspark etc. Novae Holl. austr. (F. Mixer), FL autumno. a 430 Fruticosa ad modum ZE. odoratae teste cl. Breur. Petioli circiter semipollicares antice le- viter sulcati transverse rugulosi. Folia 2—3 poll. longa, 5—7 lin. lata. Pedunculi 1—1: lin. longi. Calycis tubus 2 lin. aequans. Ab E. an- gulosa foliis minoribus minute glandulose per- foratis differt. 15. Eucalyptus Mülleri Miq n. sp.: ramulis teretiusculis superne angulatis, gracilibus, foliis anguste lanceolatis attenuato-acuminatis, basi aequali acutis , aequi- lateris „ crasse coriaceis, costà utringue distinctâ, venis erecto-patulis subobtectis, pedunculis axillaribus: et latera- libus cylindraceis 3-6-floris, floribus sessilibus , calycis tube obconico suleato-, operculo conico 10-costato-sulcato paullo latiore. Madam Pepper-weath ad fl. Murray (F. Mürrer). E. iamprocarpae valde affinis, ramulis cy- lindraceis, operculo longiore et acutiore diversa. Petioli semipollicares. Folia 2—4 lin. longa , 4—4As lin. lata. Pedunculi 2—3 lin. longi. Alabastra cum operculo 3: lin. longa. An- therae ellipsoideae. 16. Eucalyptus haemastomma Swmirg. Act. Soc. Linn. Lond. III. 285. DC. Prodr. le. 219. n. 23. — E. largiflorens Ferp. Mizz. Herb. Locis humidis ad fl. Murray, fl. aestate. (F. M.) Van Diemensland (Stuart.) Umbellae sub-5-florae, nunc superne pani- culato-confertae. Operculum duplex; exteriusi depressum obsolete apiculatum, interius mem- branaceum convexum muticum; calycis tubus 131 obconicus apice ampliatus hoc paulum, illo duplo amplior, ambobus multo longior (ex Mit. adnot.) 17. Eucalyptus fruticetorum Ferp. Mürr. mss. : frutex vel arbuscula, ramulis angulato-teretiusculis, foliis nitidulis lanceolatis vel lanceolato-linearibus acuminatis crasse coriaceis, tenuiter patule venulosis, pedunculis latera- libus et axillaribus 4-6-floris, floribus sessilibus, calycis tubo obconico anguloso ruguloso quam operculum hemisphaeri- co-conicum acutatum triplo longiore. Frequens in deserto ad fl. Murray, fl. vere (F. M.) Decempedalis. Peticli semipollicares. Folia 2:—3: poll. longa, 3--6 lin. lata. Peduncuii 2 lin. Alabastra operculata 2: lin. longa. — Affinis E. strictae Sten. foliis latioribus lanceo- latis vulgo rectis et operculo magis conico differt. 18. Eucalyptus Stuartiana Ferp. Mürr. : ra- mulis teretiusculis rubello-fuscis, foliis longe petiolatis longe subanguste lanceolatis acumine tenui vulgo sphacelato ter- minatis, basi aequali vel inaequali in petiolum semiteretem attenuatis, coriaceis, margine incrassatis, sparse punctatis, costa subtus praesertim distinctâ, venis subpatulis fere prorsus obtectis, pedunculis axillaribus tetragono-angulatis 4-8-floris quandoque in ramulo aphyllo confertis, floribus brevissime pedicellatis, calycis tubo turbinato pallide viridi operculum brevi-conicum acutum fuscum vVerniceum supe- rante, antheris ellipticis. ‘Tasmania (STUART). Petioli :—vulgo fere 1 poll. longi tenues. Folia 4—5 poll. longa, 4—7 lin. lata, Pedun- culi fere semipollicares. | 132 19. Eucalyptus porosa Ferp. Mürr.: ramulis te- nuibus teretibus superne saltem leviter angulatis, foliis lon- giuscule petiolatis e basi acuta subaequali lanceolatis vulgo falcatis attenuato-acuminatis coriaceis glanduloso-perforatis nitidulis, venis patule adscendentibus prominentibus tenere reticulatis ante marginem unitis, pedunculis axillaribus et lateralibus petiolo duplo brevioribus 4-6-floris, floribus subsessilibus, calycis tubo viridi obconico-obovato opercu- lum conico-semiglobosum lutescens aequante vel subsuperante. In monte Kaisersstuhl Novae Holl. austr., ab aestate ad autumnum florens, Flinders-range, (F. M.) Euc. strictae Sirs. affinis. Petioli :—fere 1 poll. longi. Folia 3—4 poll. longa. Pedun- culi 2 lin., alabastra operculata circiter ae- quantes. Foliorum venis valde distinctis ab E. Santalifolia, cui caeteroquin haud absimilis, differt. 20. Eucalyptus socialis Ferp. Mürr.: fruticosa, ramulis compresso-angulatis, foliis lineari-lanceolatis vel lanceolatis acumine uncinato terminatis, rigide coriaceis, glaucis, punctatis, venis parallelo-patulis supra subperspi- cuis, pedunculis lateralibus et axillaribus 3-6-floris com- pressis, pedicellis calycis tubum obconico-hemisphaericum aequantibus vel brevioribus, operculo e basi semiglobosa sensim in rostrum conicum attenuato quam tubus flaves- eens paullo latiore et fere duplo longiore. »Occurrit alabastris majoribus et minoribus, pedicellis fongioribus vel brevioribus nec non foliis duplo angusti- oribus; forma latifolia B. laurifoliam praebet. Capsu- larum valvae sulculatae ex hypanthio denique truncato globoso emergentes”. (F. Mürr. mss.) In sylva Pine-forest prope Gawler-town; frequenter ultra Salts-creek, ubi plagas sterilissimas tegit et illa fruticeta Scrub dicta ex parte format. Fl. vere et aestate. hd 133 Folia 2—3 poll. longa, }—3 lata. Pedunculi 25 lin. longi; pedicelli 12, calycis tubus vul- go vix 2 lin. ; operculum circiter 2; lin. aequans »Flores ochroleuci fere inodori. Folia saturate viridia opaca subtilissime punctata.” Huc spec- tat E. laurifolia Beur Herb., foliis opacis, flo- ribus ochroleucis inodoris, formam latifoliam exhibens. 21. Hucalyptus Santalifolia Ferp. Mürn.: sub- arborescens, ramulis angulatis junioribus viridulis, folüs anguste lanceolatis acumine recurvo terminatis crasse coria- ceis glaucis, venis erecto-patulis numerosis fere obtectis, pedunculis axillaribus 3-5-floris, floribus sessilibus, calycis tubo ovoideo-obconico, operculo brevi hemisphaerico sub- apiculato, antheris subglobosis. Januario et Febr. florens. Crescit trans rivum Salts-creck- (Dr. Bear). Marble-range, Port Lincoln (F. Mit.) Forma venis magis distinctis subadscendentibus. — H firma Herb. Mürr. Nova Holl. austr. Frutex fere arboreus E. strictae cognatus, teste cl. Mürrer. in Herb. Breur. E. sessiliflorae nomine obvia. Folia 2:—vix 3 poll. longa, 3—4 lin. lata. Pedunculi 1—3 lin. longi. Capsula 4-locularis. : 22. Kucalyptus daphnoides Mig. n. sp.: ramulis densis glauco pruinosis subangulatis, veteribus fuscescentibus, folijs longiuscule petiolatis lanceolatis utrinque attenuatis apiculo curvulo terminatis, rigide coriaceis impunctatis, marginibus incrassatis, venis obtectis; pedunculis axillaribus et lateralibus 3-5-floris, floribus sessilibus, calycibus obco- nieis pruincsis, fructibus brevissime pedicellatis semiglobosis truncatis, capsula 5-loculari. Van Diemensland (Srvarr n. 9.) 134 Petioli 2—5 lin., folia 13;—2# poll. longa, 2—4 vulgo 3 lin. lata. Calyx 2 lin. longus. Opercula desunt. 23. Eucalyptus goniocalyx Ferp. Miu. herb. : ramulis gracilibus angulatis , foliis longiuscule petiolatis lance- olatis rectiusculis vel falcato-inaequilateris sursum attenua- tis, basi acutis, crasse coriaceis, venis adscendentibus tenere reticulatis ante marginem nervo submarginali uni- tis, peduneculis axillaribus et lateralibus crassis brevibus ancipitibus 4-6-floris, floribus sessilibus, calycis tubo cylin. | drico-trigono: facie dorsali convex&, 2 interioribus planis, operculo brevi-conico quam tubus breviore. Buffalo-range Novae Holl. austr., m. Martio (F. M.) Ramuli adultiores teretiusculi pallide viri- duli vel fusculi, juniores angulati, hic illic compressi. Petioli pollicares vel breviores, se- miteretes leviter torti. Folia 3—5:—7 poll. lon- ga, 6—8 lin. lata, costa venulisque in sicco supra etiam distinctis. Pedunculi 3—4 lin. lon- gi; calycis tubus 2—2! lin. aequans, opercu- lumi 1! lin. 24. Eucalyptus ligustrina DC. Prodr. III. p. 219, n. 24? Van Diemensland (Stuart). 25. Eucalyptus cosmophylla F. Mürr,: ramis cy- lindricis, ramulis angulatis et compressis, foliis ovato-lance= olatis falcatis acuminatis, basi aequali vel inaequali in pe- tiolum decurrentibus, coriaceis, margine incrassatis et levi- ter recurvis, glaucis, supra subnitentibus, subtus opacis, pedunculis crassis angulatis wulgo trigonis trifloris, floribus sessilibus, calycis tubo obovato vulgo quadricostato basi in- brevissimum quasi pedicellum constricto, operculo semiglo- boso brevi-acutiusculo quam tubus paulo breviore. 135 in Jugis montium Lofty-range (F. Mürr.). »Frutex spectabilis foliis 3—5 poll. longis, i—2 latis. Flores nondum expansi rugulosi cum operculo semipollicares vel longiores; fl. au- tumno.” (F. Mii. mss.). — Folia speciminum suppetentium vulgo pollice angustiora venulis patulis prope marginem unitis subdistinctis. Pedunculi 2 lin. vulgo longi, calycis tubus fere tres lineas aequans. — Antherae ellipticae. Forma leprosula,: ramulis tenuioribus angulatis cum pedunculis et inflorescentiâ scabritie albidä evanescente ob- ductis, foliis longiuscule petiolatis (petioli majores pollica- tes) falcato-lanceolatis acutis vel obtusatis, 3—4 poll. lon- gis, 1—-1-latis, pedunculis cylindricis vel compressis triflo- ris 2—2! lin. longis, floribus brevissime pedicellatis (pe- dicellis ancipitibus), calycis tubo turbinato infundibuliformi. Crescit cum specie. 26. Hucalyptus cladocalyx F. Mürr. in Linnaea XV. p. 388: ramulis gracilibus angulatis, foliis longiuscule petiolatis oblongo-lanceolatis attenuato-acuminatis, basi acu- tis, crasse corlaceis, venis patule erectis vix distinctis ante marginem conjuuctis, pedunculis lateralibus confertis levi- ter compressis 5— 1 O-floris, floribus breviter pedicellatis, calycis tubo subcampanulato, operculo depresso hemisphaerico subum- bilicato quam tubus multum breviore, fructu costato-sulcato. Ad pedes m. Marble-range Novae Holl. austr. (Wilhelmi). Species quodammodo affinis E. obtusiflorae DC. Prodr.l. c. p. 220. Mém. Myrtac. Tab. 10. Petioli semipollicares. Folia vulgo 3—4 poll. longa, 2—1 poll. lata. Pedicelli 2 lin., calycis tubus 1:—2 lin. aequans. Fructus ellipsoidei 34 lin, circiter longi, longitrorse sulcati. 136 27. Eucalyptus costata Brenr et Mürr. mss: fru- ticosa, ramulis angulatis, foliis lanceolatis apice longiter attenuatis, basi inaequali in petiolum angustatis, coriaceis nitidis, tenere venosis, pedunculis axillaribus angulato- compressis petiolum subaequantibus 3—6-floris, pedicellis angulosis, calyeis tubo conoideo-cyathimorpho costato, apice ampliato viridi, operculo fusco-nitente depresso hemisphae- rico rostro brevissimo obtusiusculo acuto quam tubus duplo breviore. Locis arenosis Sand-Serub dictis prope Augastown (BEER.) Frutex 15-pedalis. Folia usque 4 poll. longa, { lata. Calycis tubus circiter 4 pollices longus, 4 lin. in diam. operculum 2lin. aequans. E an- gulosae SHavEeR in Walp. Repert. If, 925 affi- nis, operculi forma autem: diversa. 28. Eucalyptus falcifolia Mig, (Euc, fabrornm Mit. Herb. et mss. non Schldt): ramulis tenuibus, supre- mis angulatis viridulis, ramis fuscescentibus, foliis longius- cule petiolatis e basi utplurimum inaequali et inaequilonga ovato-lanceolatis vel lanceolatis inaequilateris vulgo falca- tis attenuato-acuminatis pergamaceis, costa subtus promi- nulâ, venis patule adscendentibus ante marginem unitis utrinque praesertim snbtus distinctis tenere reticulatis, um- bellis 4—10-floris haud raro paniculato-confertis, peduncu- lis leviter compressis, floribus pedicellatis, calycis tubo tur- binato operculum semiglobosum acutiusculum superante. In montibus sterilissimis nemora aperta extensa consti- tuens, arbor excelsa, rarius humilis; fl. aestate (idem). Lofty-range trans fl. Murray (Mürr Herb.). »Cortex rimosus nigricanti-cinereus. Rami mox nigrescentes. Umbellarum pedunculus pas- sim 4 lineas longus; foliorum paginae concolo- 137 res nitentes. Alabastra decolora. Fructus hemi- sphaerico-turbinatus.” (F. Mux.) Species E. acmenoide Scuaver affinis, notis certis ab E. fabrorum tuto discernenda. Petioli vulgo ;—+ poll. longi; folia 4—6 poll. longa, 1—4; lata. Pedunculi circiter 4, pedicelli 2 lin. longi. Hujus speciei formae videntur n. 13, 22 et 23, e New South Wales. 29. Eucalyptus persicifolia Lopp. — DC. Prodr. Sp 217,025 8? Van Diemensland (Stuart n. 12). 30. Eucalyptus Baueriana ScHaver? Walp. Rep. IT, p. 925. B. citrifolia F. Miu. Herb. Tasmania borealis (STUART) 31. Eucalyptus acervula Sms. — DC. l. c. 217. n. 10. Mém. Myrtac. Folia in supp. paulo latiora. Swampy plains towards the Plenty-range (F. Mürrer). 32. Eucalyptus piperita Swra. — DC.1. c. III. Ge An 29, St. Kilda (Mürr.) 33. Hucalyptus turbinata Breur et Mürr.: fruticosa, ramulis junioribus rubris angulatis, foliis e basi obliqua ovato-lanceolatis angustato-acuminatis crasse coriaceis glau- cis, costa utrinque distinctà, venis suhobtectis, pedunculis axillaribus et lateralibus 4—7-floris petiolo duplo brevioribus pedicellis triplo longioribus, calycis tubo campanulato oper. euli semigloboso-conici acutiusculi longitudine. In sylva Pine-forest trans flumen Salts-creek, fl. aestate. (Dr. Berm). Prope #. punctatam DC. Prodr. |. c. p. 247. Mém. Myrt. Tab. 4. inserenda. »Frutex mag- 138 nitudine arboris mediae; rami recentiores atro- rubri.” Petioli 4—6 lin. longi. Folia 3—4: poll. longa. Pedunculi 1!—2 lin. longi raro plus quam 7-flori. Pedicelli brevissimi. Alabas- tra operculata 2 lin longa. 34. Eucalyptus submultiplinervis Mig. n. sp.: ramulis gracilibus teretiusculis vel hic illic angulatis, foliis e basi attenuata lanceolatis breviter acutis, herbaceo-coria- ceils, venis plerisque adscendentibus versus basin adproxi- matis utrinque distinctis submultiplinerviis, marginibus sub- incrassatis subfuscescentibus, pedunculis rugosis 5—10-flo- ris, floribus subsessilibus, calycis tubo obpyramidato-turbi- nato striato-sulcato glanduloso, operculo brevi-hemisphae- rico subumbilicato quam tubus breviore, antheris albidis didymis. Van Diemensland (Stuart n. 10, 18, 14, 15.) Petioli eirciter semipollicares antice canalicu- lati, angulosi. Pedunculi 3—4 lin. longi. Flo- res 2} lin. aequantes. Forma praesertim quod a flores minor: E. sylvicultric Mii. Herb. 35. Eucalyptus albens DC. Prodr. 1. c. 219, n. 30. B. dealbata A CUNNINGH. mss. SCHAUER in Walp. Rep. IL. p. 924? | Booker-river (F. Mürr.). „Box tree colonorum. A pago Clairvillage ad m. Remarkable, arbor 50—60-pedalis coma squarrosà, sylvas constituens.” (F. Mii.) 36. Eucalyptus polyanthemos Scuauer |. c.n. 5. Beyond mount Disappointment (FERD. Mürr.). 37. Eucalyptus fasciculosa Ferrp. Mitt. : ramu. lis tenuibus viridulis superne saltem angulatis, foliis lon- giuscule petiolatis e basi acuta inaequali elongato-lanceo- 139 latis rigidule et uncinatim apiculatis, marginibus leviter incrassatis, costâ utrinque distincté, venis subobtectis, umbellis axillaribus terminalibusque subpaniculatim con- fertis, 4-8-floris, floribus breviter pedicellatis, calycis tubo obeonieo, operculo semigloboso apiculato pallido quam tubus duplo breviore. In nemore Pine-forest prope Roolandsflatt, Villmaga Galway-town (F. Mürremr). 3 Frutex. Petioli + poll. longi. Folia 4—5 poll. longa, i—i lata. Pedunculi 1:—2 lin. longi. Pedicelli subquadrangulares. Calycis tu- bus tenuiter punctatus cum pedicello 2 lin. aequans. 38. Eucalyptus nervosa Ferp. Mürr.: ramulis tere- tibus, foliis ovatis , oblongo-ovatis, ellipticis vel oblongo-lan- ceolatis, vulgo obliquis, costa venisque adscendentibus prominu- lis, pedunculis 2-5-floris, foliis deciduis in paniculam etiam confertis, floribus pedicellatis. fructu ovato-truncato. Lofty-range, m. Nov. (F. Mürrem). Proxima E. Behrianae, a qua teste F. Mür- LER differt foliis fructibusque majoribus. Folia majora 4:—5 poll. longa, 1:—2: lata. Fruc- tus 2 lin. longi. 39. Hucalyptus Behriana Ferp. Miu. (E. prui- nosa Breur Herb. non Scuaver): fruticosa, ramulis tere- tiusculis summo apice compresso-angulatis foliisque subtus pruinosis, his ovato-lanceolatis inaequilateris acuminatis, basi in petiolum contractis, coriaceis, penniveniis, umbellis capitatis paucifloris (1-7-floris), in paniculis axillaribus la- teralibus et terminalibus confertis, peduaculis umbellarum teretiusculis, calycis tubo parvo obconico-turbinato, oper- culo hemisphaerico mutico vel apiculato quam tubus duplo breviore. 140 In Nova’ Hollandia australi legit Cl. Dr. Beur, autumno. Teste Cl Mürrer prope B. polyanthemos inserenda. Frutex 6—12-pedalis. Folia ad 3 poll. longa > lata. 40. Eucalyptus phlebophylla Fern. Mit. Herb.. ramulis teretibus fuscescentibus, foliis longiuscule petiolatis lanceolatis vel oblongo-lanceolatis in apiculum tenuem fus- cum curvulum exeuntibus, basi attenuata inaequilateris, vulgo totis falcato-curvatis, rigide coriaceis, punctatis, venis plurimis e basi ortis submultiplinerviis , umbellis axil- laribus et terminalibus confertis, 3-5-floris, pedunculis prui- nosis, floribus sessilibus, calyce obovato-turbinato. Crescit in montibus Buffalo-range (F. Mürrer). Van Diemensland Stuart. Petioli :—i poll. longi rugulosi, in siccis pallidi vel fusculi. Folia 3—7 poll. longa, 1; lata. Pedunculi 2—3 lin.; calycis tubus in fructu 2 lin. aequans. 41. Eucalyptus globulus Lasriu. Voy. I. p. 183. Tab. 18. DC. Prodr. |. e. 220 n. 37. In insulae van Diemensland parte australi, fl. aestate. >Arbor ad 200 pedes alta ex indagationibus Cl. Stuart itaque terrarum australium extra- tropicarum maxime excelsa »Blue-gum-tree” Tasmanicorum. Operculum coroniforme cum hypanthio pruinosum. Foliorum latitudo et pe- tiolorum longitudo saepe sesquipollicaris;” F. Muu. adnot. | IL. Folia opposita, rarius alterna et opposita. 42. Eucalyptus cordata Lap. Nov. Holl. II, p. 18. Tab. 152. DC. Prodr. Lc. p. 221 n. 39. 141 Van Diemensland (Stuart). 43. Eucalyptus diversifolia Bonen. Nov. I. p. eemebad. ka. DC. es p. 220 1:38. Van Diemensland (SrvarrT n. 5). 44, Eucalyptus, nov. sp.? ramulis rubellis etc. e specimine incompleto non describenda. Van Diemensland (Stuart wn, 19). 45. Eucalyptus heterophylla Mrg. n. sp: foliis suboppositis et oppositis, alternisve , longiuscule petiolatis, elliptico vel ovato-oblongis, sursum attenuatis, basi aequali vel inaequali acutis vel obtusis, coriaceis, 4—9} poll. lon- gis, 11—3 latis, floribus..... Van Diemensland (Stuart n. 2.) CALLISTEMON R. Br. 1. Callistemon salignum DC. Prodr. III. p. 223 n. 8? Buffalo-range ad fl. Mersey Tasmaniae. — Frutex 6—2-pedalis, Dec. et Jan. florens (F. Mürr.). Var. angustifolia? Torrens-river. Calyx angulatus. AG allastemoni .:).\.. non ultro determ. New South Wales (F. Mürrrr). 3. Callistemon viridiflorum DC. 1, e. n. 2. Tasmania, in paludosis ad fl. Mersey, 10 pedes alt., Jan. florens (Stuart). 4. Callistemon rugulosum DC. L. c. n. 8. New South Wales; locis arenosis secus Encounter-bay , ad lacum Alexandrinae, Gawler-town, Lyndock-valley, Oristal- brow] (Dr. Breur). Fl. vere. B. laevifolia F. Miitt.: foliis non scabris nec punc- tatis, nervis lateralibus in ipso margine. Port Lincoln. 5. Callistemon acerosum TauscH, in Flor. od. bot. Zeitung Tom. XIX. p. 411. Call. arborescens , Eero. Minter mss. 142 In arena mobili ad fl. Wood, m. Feb. fl. (F. Mürrer). »Frutex vel arbor 25-pedalis. Truncus sae- pius ad basin 2 pedes crassus, plerumque tortus. Rami patentes adulti fusco-cani sordidi, paullo rugoso-rimosi, juniores cinerei. Petala concava pallida viridia glandulose punctata. Filamenta phoenicea; antherae viridi-luteae uti stylus. Folia parum nitidula, semiteretia, su- pra suturâ haud profunda percursa.” (Mürr. adnot.) 6. Callistemon teretifolium Ferp. Mürr. in Linnaea XV. p. 387: ramulis foliisque junioribus basi longiter sparse pilosis glabrescentibus, ramulis adultis glabris tereti-trigonis, foliis subangulato-teretibus rigidis pungentibus sublaevibus minute papillosis, tactu laevibus, calycis tubo pubero, lobis ovatis obtusis glabris, filamentis basi villosis cum antheris rubellis vel in aliis speciminibus tlavis cum antheris luteis. Caeterum conf. fusiorem aucto- ris descriptionem 1. c.° Elders-range Novae Hollandiae interioris, m. Octob. (Ferp. MürLer). fie Calliicitieml omy yee yh ? Melaleuca pityoides Ferp. Minn. Herb. Buffalo-range (F. Mixer). Ob flores deficientes haud ultro determi— nanda et quoad genus dubia. LEPTOSPERMUM Forst. 1. Leptospermum microphyllum E. Mott. mss.: ramulis foliisque nascentibus basi puberis, his mox gla- bris coriaceis utrinque punctatis subsessilibus ellipticis utrin- 143 que acutis vel obovato-oblongis sublanceolatisque obsolete uninerviis non venosis, floribus in ramulorum apicibus so- litariis, bracteis scariosis dorso pilosis dense imbricatis, calycis hirtelli lobis ovatis tubum subaequantibus albo-vil- losis, petalis orbicularibus. Rivoly-bay, ad limites orientales coloniae Novae Holl. australis. (F. Miu.) Folia dense subimbricata 1—2 lin. longa pungenti-acuta. Calyx lineam superans. Flores expansi 2; lin. in diam. L. parvifotio Sm. acce- dere videtur. Formas duas praesertim distinxit Cl. Mit. in adnot. mss. a. viride: foliis glabris laete virentibus. B. glaucum: folus velutino-sericeis indeque glaucescentibus. Frutex 5—6—pedalis. 2. Leptospermum rupestre J. D. Hook. Icon. Plant. Tab. 308. In rupestribus montibus Tasmaniae 3—4000 pedum alt. Statura rubustiore, folijs ciliatis non pun- gentibus, calyce glabro, a praecedente differt. «Fruticulus prostratus. Rami Pimeliam serpylli- foliam aemuiant. Nervi laterales 2 perparum in conspectum veniunt. Fl. Jan.” 3. Leptospermum scoparium Forst. Gener. 36. (Lept. scoparium 8. linifolium DC. Prodr. HL 227.): forma angustifolia, folus lanceolato-linearibus — L. microcar- pum F. Muu. Herb. Numerosissime cunt Melaleuca squarrosà in paludibus ex- tensis terrae interioris versus sinum Rivoly-bay (F. Miu.) Frutex 4—\5-pedalis. — Horma genuina vulgaris, ad fl. Nur- sey-river Tasmaniae, frutex 8—10-pedalis (F. Mürr.). Habitu Ljuniperinum refert, sed folia supra non punctata. 144 1 4. Leptospermum juniperinum Smita. — DC. Prodrive prr2esiuim! 18. Ad montium fontes et rivulos haud rarum. Frutex 3—6-pedalis. Folia semper apice cana- liculato-concava, fl. Nov —Jan. (F. Muu. adnot.) 5. Leptospermum flavescens Smita. — DC. l.c. p 22 ol brevipes B Mint, Herb, Ad Buffalo-creek. Owen-river. (F. Mürr. Frutex 5—8-pedalis, foliis concolori-viridibus (utrinque punctatis). 6. Leptospermum lanigerum Arr. — Hort. Kew. IV. p. 182. Scuaver in Linnaea. XV. p. 414. Mount Aberdeen Tasmaniae (STUART). 7. Leptospermum pubescens Lam. SCHAUER l. c. p. 418., forma angustifolia (L. lanigerum Miu. Herb.) Barossa, ad ripas Yarra. (ubi foliis theae loco utuntur). Forma minor, van Diemensland (SruaRt). 8. Leptopermum grandifolium Smita. DC. 1. ec. 227. n. 7. Scuaver |. c. p. 413. — L. rupestri Hoox. affinis species! Tasmania (F. Mürr.). B. compactum F. Mit. robustum, prostratum , dense ramosissimum , ramis magis patentibus foliisque bre- vibus. In montosis 3—4000 pedes altis. ' 9. Leptospermum myrsinoides SCHLDL. in Linnaea XX. p. 653. n. 173. In montibus Lofty-, Beagle-, Barossa-range, in fruticetis collium ad rivulum Salts-creek et montem Shenk alibique, in collibus humilibus sterilibus dumosis ad Brighton. Normali intermixtum passim obviam: B. latifolium, foliis parvis ovalibus; y. angustifolium , foliis lanceolato-linearibus. Frutex pulcher pluripedalis; fl. Oct. Nov. Fl. albi. v. rosei. Capsula 4—5-locularis. F. Mut. adnot. Lal 145 10. Leptospermum micromyrtus Mig. ao. sp.: ramulis fuscis, nascentibus, gemmis foliisque juven ilibus basi appresse sparse villosis glabrescentibus , foliis breviter petiolatis ellipticis vel obovato-ellipticis apice obtuso-rotun- datis muticis vel breviter spinuloso-mucronatis, uninerviis, margine incrassatis, utfinque punctatis, floribus axillaribus pedunculatis, calycis tubo semigloboso glabro, lobis sub- membranaceis rotundatis rubellis pellucido-punctatis, petalis orbicularibus albis breviter unguiculatis, antheris dorso glandulosis. Mount Aberdeen (F. Miter). Frutex. Folia 2-fere 4 lin. longa, 1;-2 lata. Calyx 1! lin. longus. Capsula depresso-globosa, 2 lin. alta, 5-locularis, loculis e calyce partim exsertis. 11. Leptospermum nobile Ferp. Miu. Herb. : innovationibus, foliisque juvenilibus dorso sparse appresse albo-villosis , glabratis, his densis breviter petiolatis oblon- go-vel obverse lanceolatis vel obovato-oblongis subellipti- cisve, obtusis vel acutiusculis, subtrinerviis, ntrinque punc- tatis , adultis fere glabris , opacis, floribus in ramulorum lateralium apicibus solitariis, calycis tubo viridi obovato- semigloboso glabro, lobis fusculis subovato-rotundatis sub- membranaceis subciliatis deciduis; antheris dorso glandulosis. Tasmania (STUART). Petioli pallidi. Folia 11-5, vulgo 4 lin. lon- ga, 1-1: vel fere 2 lata. Calyx fere 2 lin. aequans. KunzEA REICHENB. 1. Kunzea pelagia Frerp. Miz. herb.: ramulis te- nuibus fuscis tomentello-puberis, foliis densis subsessilibus lanceolato-linearibus acutis, coriaceis grosse punctatis, 10 146 junioribus villoso-puberis adultis subglabris, 1—2 lin. lon- gis, At latis, floribus in ramulis albo-villosis 2—3- aggregatis, calycis turbinato-obovati tubo dense pubescente, lobis ovatis acutis puberis brevibus, petalis ovato-rotundatis tubo calycis brevioribus, staminibus petala stylumque supe- rantibus, antheris ellipticis, connectivo glanduloso-fusco. Tasmania (F. Mürrer). 2. Kunzea leptospermoides Ferp. Mit. herb.: ramulis tetragono-angulatis foliisque glabris, his densis lineari-subsemitereti-acerosis subpungenti-acutis, dorso con- vexis antice planis vel obsolete canaliculatis, utrinque punc- tatis, subsessilibus, 2—3 lin. fere longis, laete viridibus, nascentibus basi parumper pilosis , racemis circiter 10-floris ramulos laterales terminantibus axi puberis, pedicellis brevibus cum calyce circiter aequilongo obconico-campanulato gla- bris, calycis lobis ovatis apice ciliolatis tubo viridi duplo brevioribus dorso subcarinatis luteolo-viridibus. —- Tubus calycis 1 lin. parum superans. Petala suborbicularia calycis lobos excedentia. Stamina albida. Brighton (F. Mier). 3. Kunzea peduncularis Ferp. Mürr.: ramulis angulatis puberis, foliis obverse lanceolatis vel magis linea- ribus mucronato-pungentibus deorsum attenuatis glabris, nas- centibus fugaciter pilosis, 2;—4 lin. longis, pedicellis subracemosis elongatis, 2—3 lin. longis puberulis, calycis tubo obconico vel obovoideo glabro, capsula 5-loculari. Mount Aberdeen Tasmaniae (F. Mürrrr). A praecedente differt foliis majoribus, pedi- cellis longioribus, puberis, caet. 4. Kunzea pomifera Ferp. Mürr. mss. ,, procum- bens, innovationibus puberulis, foliis glabris coriaceis cor- dato-vel ovato-orbiculatis, junioribus vel omnibus ovalibus obsolete 5-nerviis venosis subrecurvo-acuminatis acutis, confertis, patulis, margine ciliolatis, floribus conglomeratis apicalibus, bracteà cava subrotundà cum hypanthio triplo 147 longiore tenuissime velutino-pubescente , hypanthio globoso capsulam trilocularem gerente, loculo uno alterove obso- leto.” variat : a. cordifolia, in sylvis juxta sinum Holfdfast-bay, in arenosis sylvae Pine-forest prope Gawler-town. B. ovalifolia, Pineforest, Angaston, Start-river , Rivoly-bay, caet. »Fruticulus prostratus ramis interdum valde elongatis, tam K. Schaueri quam K. recurvae ut videtur, aemulus. Petala et filamenta alba, stylus rubellus. Fructus saccharo conditus ob saporem jucundum ab incolis native-apple vo- catur. Floret vere.” F. Mier adnot. FABRICIA GAERTN. l. Fabricia coriacea Frrp. Mürp. mss. „ fru- ticosa erecta, foliis coriaceis planis lanceolatis plus minus- ve spathuliformibus, apiculo vel acumine acuto terminatis in petiolum brevem latum angustatis tenuissime 3-raro 5-nerviis venosis dense punctatis glaberrimis, floribus soli- tariis axillaribus lateralibusque, calycis campanulati glabri dentibus triangularibus cutaneis ciliatis caducis, capsulà 4-7- loculatà, seminibus alatis et apteris.” Fl. vere. — „In fruticetis locorum arenosorum Murray- Scrub fluvii ostium versus.” Ferp. Mürr. adnot. »Frutex 4-5-pedalis ramosus glaber. Fila- menta et petala albida. Antherae fulvae. Semina spadicea, alia explanata membranà pallide fusca crispato-denticulatà cincta, alia angus- tiora aptera.” — Specimen vidi in m. Mar- ble-range lectum : habitu teneriore, glabrum; folia brevissime petiolata elliptica vel obovato-el- 148 liptica pungenti-mucronata impresso-uni-vel sub- trinervia, utrinque punctata, coriacea, glabra, 2-3-4 lin. longa. Capsula obovoidea calycem subexcedens , superne convexa, 5-locularis. 2. Fabricia laevigata GAERIN. — DC. Prodr. IL p. 229. Fab. coriacea Ferp. Mix. in Herb. pro parte. — „ Frutex diversae altitudinis, saepe arbuscula 30 pedalis. In syrtibus prope St. Kilda Australiae felicis, m. Sept. cum fl. et fr.” — F. Mürren. SCHIDIOMYRTUS SCHAUER. 1. Schidiomyrtus crenulata ScmaverR Walp. Re- pert. IL. p. 922. (Banckza DC.) — Ischoekaea ro- tundifolia Frrp. Miu. Herb. Argyle County-New South Wales (F. M.). 2. Schidiomyrtus tenella Scgaurr in Linnaea XVII p. 237. B. ciliata foliis ciliolatis. Schid. eri- caceus Ferp. Miz. Herb. — Murray-Scrub (F. Mürr.). Argyle county N. S. W. HARMOGIA SCHAUER. 1. Harmogia densifolia ScHaver in Walp. Rep. Il. p. 921 (Baeckea DC.) Camphoromyrtus Beh- rii ScHrpL. in Linnaea XX. p. 651. n. 170. Ad flumen Murray haud longe a monte Beevor, Row- lands-flatt ad viam oppidulum Lyndock-valley versus. Fl. _ Nov. — Jan. (Ferp. Mürrer). Stamina 2 vel rarius 3 (uno minore) inter singula petala, unde genus fere dubium; ob antherae formam inter Harmogias recepi. 2. Harmogiacrenulata Mrg. n. sp.?: Baeckea (Camphoramyrtus) crenulata F. Miz. herb. : ramulis angulatis ad angulos verrucosis, foliis breviter petiolatis 149 ovato-rotundatis vel obovato-ellipticis glabris grosse glandu- losis crenulatis, pedunculis axillaribus folia superantibus 2-3-floris, floribus pedicellatis. — Folia 1—1} lin. longa et lata. Pedunculi 2 lin. _ Ad Buffalo-creek et in valle saxosà versus m. Aberdeen , m. Feb. (F. M.) Frutex 10-pedalis ramis eleganter pendu- lis et odoratis. EvuRYOMYRTUS SCHAUER. 1. Huryomyrtus alpina Scuaver? in Walp. Rep. IL p. 921. (Baeckea LINDL.) Mount Bullar (FE. Mürrer). 2. Euryomyrtus diffusa ScHaver in Linnaea XVII. p. 239. (B. leptospermoides Frrp. Mürr. Herb.) Tasmania (Herb. Mizz.) 3. Euryomyrtus parviflora Ferp. Miu. herb,: ramulis gracillimis fusculis glabris, foliis remotis erecto- adpressis linearibus acutiusculis antice concavis dorso con- vexis ciliolatis 1—2 lin. longis vix 4 latis aveniis, pe- dunculis folio brevioribus vel aequalibus supra medium bibracteolatis, bracteolis ciliolatis, calycis lobis coloratis albo-marginatis ciliatis. Tasmania (STUART). 4. Huryomyrtus Stuartiana Ferp. Mi. herb. (Baeckea ej. antea): glabra, foliis subpatulis dissitis bre- viter petiolatis brevi-linearibus acutiusculis, basi obtusis vel emarginatis, margine recurvulis, sursum denticulatis, subtus pallidis obsolete 5-nerviis, pedunculis folio brevioribus axil_ laribus medio bibracteolatis, calycis lobis albido-marginatis eroso-ciliolatis. — Folia 2—3 lin. longa, }—¥ lata. Ad fl. South-Erk-river Tasmania (F. M.) Petala orbicularia unguiculata, suberosula. Stamina calycem excedentia, petalis breviora, antherae ellipsoideae. 150 TETRASPORA SCHAUER. 1. Tetraspora Gunniana Mig. mss. — Bueckea SCHAUER Walp. Rep. II. p. 920 n. 2. Van Diemensland, in montibus (Stuart). Frutex procumbens 3—4000’ pedes alta. BAECKEA LINN. 1. Baeckea crassifolia Linpr. Ann. d. Sc. nat. RV. 57. In arenosis aridis fruticetorum Murray-Scrub diversis locis (F. Misr). «Petala alba orbiculata unguiculata. Stamina 5 longiora, 5 breviora alternantia. Folia tere- tiusculo-trigona clavata. Fruticulus 2-3-peda- lis; fl. vere.” 2. Baeckea linifolia Rupes. — DC. Prodr. III. p. 229. New South Wales (F. Mürrer) 3. Baeckea? utilis Ferp. Mizz. herb.: glabra, foliis breviter petiolatis patulis subrecurvis spathulato-linea- ribus acutiusculis antice canaliculatis dorso carinatis, gla- bris, punctatis, enerviis, 14 lin. longis, pedunculis axillaribus, calycis lobis mox deciduis, staminibus 10, antheris ellipti- cis deflexis, stigmate depresso-capitato. Buffalo-range Nov. Holl. austr. (F. M.) (Pag. 99 inserenda.) 2. Casuarina leptoclada Mig. Revis. crit. Casuar. pag. 41. N° 16. tab. IV. C. — Specimen amentis masc. fl. New South Wales: F. Mürrer. WAARNEMINGEN OMTRENT EENIGE KRITISCHE INLANDSCHE PLANTEN, DOOR A. WALRAVEN. Ss Se Omtrent de maand Julij 1852 ontdekte ik op een meekrap-veld eene plant, behoorend tot het geslacht Galeopsis die ik tot geene der inlandsche soorten wist te brengen, doch Îa- ter dacht te zijn Galeopsis bifida Bonn. Eerst in Februarij 1854 zag ik de afbeel- - dingen van de Duitsche Galeopsis-soorten in Sturm’s Deutschlands Flora, en meende toen, echter na eene slechts oppervlakkige vergelij- king, dat mijne plant niet behoorde tot G. bi- fida Bonn maar tot G. pubescens Bess. In deze opvatting werd ik in Junij daaraan- volgende niet weinig versterkt, daar ik alstoen eerst de, duidelijk van deze te onderscheiden, Galeopsis bifida heb gevonden. 152 In Mei |. 1., nog onbekend met de resultaten van het onderzoek door Prof. Cor in de laatste vergadering medegedeeld, zond ik een exem- plaar van de eerst ontdekte aan Prof. J. Krckx te Gend, die mij tot antwoord gaf: »votre ga- leopsis ne differe point du galeopsis pubescens, que j'ai recu de M. Lrsreune. Dans le galeop- sis bifida les feuilles sont longuement prolon- gées a la base.” Eenige waarnemingen, op de levende plan- ten van beiden gedaan, wil,ik hier mededee- len, aan later onderzoek en vergelijking van bevoegden , overlatende te beslissen, of mijne exemp}. goed bestemd zijn, dan of zij werke- lijk behooren tot Galeopsis Tetrahit L., waar- voor de eerstgenoemde door den Heer Cop is gehouden. Galeopsis pubescens Bess. De plant groeit ter hoogte van 1—2 voeten. Steng vierkantig, regtstandig, bij oudere voor- werpen aan de basis nederliggend , worte- lend, boven den wortel verdeeld in tegen elkander overstaande takken, onder de ge- ledingen verdikt en dáár het meest met stijve, gelede, naar beneden gerigtte ha- ren bezet, bovendien aan de bovenste gele- dingen met klierhaartjes voorzien, de sten- gels aan de jeugdige planten meer behaard, 153 doch, evenmin als aan de oudere, zacht- harig. Bladen breed-eivormig, toegepunt, getand, punt en basis gaafrandig, de onderste aan de ba- sis breed, niet versmald of in den blad- steel uitloopend, bovenvlakte met aange- drukte haren hezet, bij oudere voorwerpen . als het ware doorschijnend ongelijk ruitvor- mig geaderd. Bloemen klein paarschkleurig , bloembuis wei- nig langer dan de kelk, naar onderen ge- lijkelijk vernaauwd, middenslip vierkantig, weinig gekerfd en uitgerand, vlak, water- pas of een weinig naar onderen gerigi, aan de basis met twee geele ruitvormige vlek- ken, welke bijzonder fraai met donker rood bruine randen omgeven zijn, de bovenlip gekerfd voor over gebogen, de meeldraden en helmknopjes bedekkend, aan de buiten bovenzijde met gelede haren bezet. Kelk ruw behaard, tanden langer dan de buis, in een’ scherpen stekel uitloopend. Schutblaadjes korter dan de kelk, lancetvor- mig, aderig scherp gepunt. Zaden driekantig, ligt roestkleurig, grijswit gepoederd. Kiembladen verkeerd ei- bijna hart-vormig, aan de basis pijlvormig. Groeiplaats. Op kleigronden tusschen de mee- 15% krap- en aardappelvelden , aan wegen onder jong hout of waar de grond versch is om- gespit. - Bloeitijd. Half Julij tot en met September. Galeopsis bifida Bony. De plant groeit ter hoogte van 1—2 voeten. Steng vierkantig, regtstandig of aan de basis nederliggend wortelend, onverdeeld of kort aan en bij den wortel in zeer lange tegen- elkander overstaande takken verdeeld, on- der de geledingen verdikt en met stijve ge- lede afstaande haren bezet. Bladen lancetvormig toegepunt, naar de punt en basis versmald, in den bladsteel uitloo- pend, getand; punt en basis gaafrandig, de bovenvlakte met aangedrukte haren bezet. Bloemen klein, bijna wit of ligt violetkleurig, bloembuis korterdan dekelk, van onderen wijd omgekeerd trechtervormig, middenslip langwerpig vierkant, bijna niet gekerfd, in het midden diep uitgerand en als het ware door een nerf in tweeën gedeeld, eerst naar boven en binnen gerigt, later waterpas met omgebogen randen, in het midden don- ker violet gekleurd, aan de randen wit om- zoomd, de basis met violette aderen en geele vlekjes, bovenlip gekerfd, registandig, korter of zoolang als de twee langste naar voren 155 omgebogen en uitstekende meeldraden en helmknopjes, aan de boven buitenzijde met gelede haren bezet. Kelk ruw behaard, de tanden zoolang als de buis, scherp gepunt. Schutblaadjes. De onderste langer dan de kelk Jancetvormig gaafrandig, aderig of even als de bladen getand, met korte en breede steel, scherp gepunt. Zaden driekantig, bijna zwart, grijs wit gepoe- derd. Kiembladen? Groeiplaats. Op zandgronden tusschen rogge boekweit en ook in bosschen. Bloeitijd. Van het laatst van Junij tot en met September. In de beschrijving gevoegd bij de afbeelding van Sherardia arvensis L. in de Flora Batava deel IX n° 642 wordt gezegd, dat deze plant welligt nergens menigvuldiger voorkomt, dan in het land van Axel, en in waarheid wordt zij hier allerwege op bouwlanden aangetroffen. In de maand Augustus 1853 trof ik van deze plant individuën aan, die wat de vruchten betreft, nog al eenigzins van de gewone vorm afwijken en welligt eene verscheidenheid vormen, het- geen evenwel zoo door latere waarneming als door uitzaaijing zal moeten blijken. 156 In beide vormen, de gewone en de afwij- kende, zijn de stengen vierhoekig met haak- vormige nederwaarts gerigte haren; de onderste blaadjes viervoudig verkeerd eivormig kort toe- gespitst, de hooger staanden zes-voudig lancet- vormig langer gepunt, allen op de bovenvlakte met stijve en aan de randen met naar de punt gerigte haren; de slippen van het algemeen omwindsel lancetvormig, drie-nervig onbehaard glanzend, fijn zaagtandig, wortel rood. De stengen in de gewone vorm zijn echter meer liggend, kelk en zaden kort aangedrukt behaard, lang getand, tanden scherp gepunt, met lange stijve haren. De minder algemeene afwijkende vorm is slanker in voorkomen, meer opgerigt, kelk en zaden weinig behaard bijna kaal, tanden min of meer stomp, driehoekig, kaal. Inula Helenium L. Voor Borruave en Lin- vagus, reeds door Doponaeus als inlandsch opge- geven, in lateren tijd door van Geuns bij Almelo verzameld, werd door mij omtrent ten getale van 12— 14 planten op een boerenerf ter weérs- zijden van eene sloot aangetroffen , welke plan- ten aldaar reeds gevonden waren door den va- der van den tegenwoordigen eigenaar, moge- lijk veertig of meer jaren geleden, en bij hem bekend onder den naam van Kampagne, welke 197 naam herinnert aan Enula Campana van de oude Apotheken (zie Dodon. Kruydtboeck, edit. 1644, pag. 557). De afstand tusschen de verst van elkander verwijderd staande planten kan omtrent tien Ned. ellen bedragen hebben. | Taraxacum palustre DC. Door den heer VANDEN Bosch opmerkzaam gemaakt, dat waar- schijnlijk Taraxacum officinale var. «. lividum Koc. eene afzonderlijke soort zoude uitmaken, besloot ik door uitzaaijing als anderzins mij hiervan nader te overtuigen. Den 6% Mei 1854 werden eenige acheniën in een moestuin uitgestrooid, door mij korte dagen te voren, verzameld. Omtrent 14 dagen later vertoonden zich de kiembladen boven den grond en reeds in September daaraanvolgende zag ik daarvan twee plantjes, waarvan een met 4 en het ander met 5 smalle donker vuilbruin bijna zwart gekleurde blaadjes. In de laatste helft van Maart dezes jaars zag ik mijne plantjes van onder de sneeuw zich vrij spoedig ontwikke- len, terwijl ik reeds den 2% April éénen en den 5% meerdere bloemknoppen op korte steel- tjes geplaatst zag te voorschijn komen. De bui- tenste kelkbladen waren vast aangedrukt en bleven dit ook, terwijl de eerste bloem zich op den 24° April half geopend vertoonde. Den 158 23°" was de bloem geheel open, de buitenste kelkbladen waren nu afstaande, doch volgden geregeld de binnensten in rigting op, die den vol- gende dag zich om de alsnu verflenste bloem- bladen weder slooten, om niet weder open te gaan, aléér de verspreiding van het zaad bij de rijpwording op den 15% Mei plaats greep, als wanneer al de kelkslippen zoo binnenste als buitenste, naar beneden tegen den steel werden omgebogen. De heele bloemsteel buigt zich even als in Tarax. officinale langzamerhand onder en na het wegvallen der bloembladen vast tegen den grond, terwijl de vruchtknop, alsdan, als in een regte hoek daarop geplaatst is. Drie tot vier dagen vóór de verspreiding van het zaad heft hij zich weder op, tot hij eindelijk met den vruchtknop ééne lijn uitmakende, bijna verticaal op de rhizoma te staan komt. De eerste bloem bragt 96 volkomen rijpe zaden voort. | Zoo door gestalte, groeiplaats als bloeitijd, onderscheidt zich deze plant genoegzaam, soor- telijk naar het mij voorkomt, van Tarax. offici- nale. De plant mist de helder groene kleur van Tarax. officinale, en is meer vuil bruingroen, de bladen zijn smal lancetvormig, weinig ge- tand; buitenste kelkslippen ei- bijna hartvor- 159 mig, gepunt, met vliezigen niet verdroogden rand, omtrent de helft korter dan de binnen- ste en daartegen aangedrukt; achenién ligt groen gekleurd, lang gepunt, de punt”) bijna zoo lang als het halve ligchaam van het zaad zel ve, onder de punt weinig geschubd; wortel schuins groeijende, meestal als afgebeten. De groeiplaats der plant is zeer beperkt en bepaalt zich alleen, tot brakke vlieten of wei- den, die in den winter onder water staan en derzelver onmiddelijke nabijheid. De bloeitijd duurt van het laatst van April tot het begin van Junij. In hoeverre nu zal bewaarheid worden, het- geen vaN Hatt, Flor. Belg. septentr. T. I. pag. 843, volgens de aldaar geciteerde schrijvers opgeeft, dat deze plant door kweeking in de gewone vorm overgaat, zal nadere uitzaaijing leeren, daar bereids wederom door mij eenige zaden van de gekweekte planten zijn uitge- Door punt versta ik hier wat Kocu het gekleurde ge- deelte des snavels noemt, waarschijnlijk ten onregte, daar bij eene weeking van het zaad, zich het ongekleurde ge- deelte des snavels met het pappus, als een afzonderlijk deel, gemakkelijk laat scheiden van het gekleurde gedeelte of liever de punt van het zaad, welk laatste deel , waar- onder de schubben, eigenlijk geplaatst zijn, alleen door breking van het zaad te scheiden is. 160 strooid, waarvan ik bij nadere gelegenheid hoop melding te maken. Ook van eene afwijking van Tarax. officinale met smalle lancetvormige afstaande buitenste kelkslippen wil ik in een volgend jaar waar- nemingen opteekenen en mededeelen. Na het overlijden van den Heer Redacteur Dr. F. DOZY, heeft de Hooggeleerde Heer Prof. W. H. de VRIESE, vroeger mede-redacteur voor de drie eerste deelen van dit Archief, de Redactie weder op zich genomen. DE UITGEVER. SA we Hen Fe ee, er ee | i od | NEDERLANDSCH | KRUIDKUNDIG ARCHIEF. ONDER REDACTIE W.H. DE VRIESE, W. F. R. SURINGAR en S. KNUTTEL. VIERDE DEEL, DERDE STUK, | Met ééne Ra E LEYDEN, JACs, HAZENBERG Corns. Zoon 1858 NEDERLANDSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF, ONDER REDACTIE W.H. DE VRIESE, W. F. R. SURINGAR en S. KNUTTEL. Vierde deel, derde stuk. MET ÉÉNE PLAAT. LEYDEN, JAC*, HAZENBERG, Corns Zoon. 1858. INHOUD. bladz, Verslag van de elfde jaarlijksche Verga- dering der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche be- Zien ee. ede EO Verslag van de twaalfde jaarlijksche Verga- dering der Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne overzeesche be- FMI SET deen vile) elen tR 2E Orchideae quaedam Lansbergianae, des- criptae auctore H . G, REICHENBACH, FIL. 315 Orchideae Splitgerberianae Surinamenses, recensitate auctore H. G. REICHENBACH GATEN IE CAG ited Be fe LEHI EOD Fin. hese EEN Eee eer Cactearum species novae, determinavit BAG ue MIQUEL ee ned ewe Elp Es ae te EEDE TEE AOP EE Sa teat 00 fs AD AENEIS AA vi Ae aster Zelan LIBRARY VERSLAG NEW YORK BOTANICAL VAN DE GARDEN ELFDE JAARLIJKSCHE VERGADERING DER VEREENIGING VOOR DE FLORA VAN NEDER- LAND EN ZIJNE OVERZEESCHE BEZITTINGEN , gehouden te Utrecht den 25°te" Julij 1856. Aanwezig de Heeren Dr. R. B. van DEN BoscH, Dr. F. Dozy, Dr. H. Boursse Wits, Mr. L. H. Buse, Dr. C. M. vAN DER SANDE Lacoste, Dr. L. P. Kros, Dr. C. A. J. A. OupEmMans, W. F. R. Surinear. De Vergadering wordt, bij afwezigheid van den honorairen Voorzitter, den Heer pe Bruyn, en bij ontstentenis van een Vice-President, geopend door D". OupEmANS, aan wien door de aanwezige leden het Praesidium dezer Verga- dering wordt opgedragen. De Secretaris berigt dat de Heeren pe Bruyn, Srratinen, Prof. Cop, Dr. KORTHALS, VAN DER Scare, Prof. L. Mutper, KRAEPELIEN, Prof. Dr VRIESE, GiILDEMEESTER, Buse, HARTMAN, schrif- telijk zich wegens hunne afwezigheid hebben 11 162 verontschuldigd; huldigt met warme woorder de verdiensten jegens de Flora van ons vader- land en jegens de Vereeniging, van welke hij sedert hare oprigting lid was, van den Hr. SCHUURMANS STEKHOVEN, Hortulanus te Leyden, der Vereeniging in het afgeloopen jaar door den dood ontvallen, en vermeldt de toetreding als leden van de Heeren D". W. C. H. Srarine te Haarlem en H. van Hart, Adjunct-Conservator aan ’s Rijks Herbarium te Leyden. Aan de orde is de benoeming van een Vice- President, ter vervanging van wijlen D". Mor- KENBOER. Bij volstrekte meerderheid van stem- men wordt daartoe benoemd Dr. van DER SANDE Lacoste, die echter bepaaldelijk voor de op hem uitgebragte benoeming bedankt. De Ver- gadering besluit hierop eenparig, de vervulling dier vacature nogmaals aan te houden tot het volgende jaar, in de hoop, dat alsdan een grooter aantal leden aan de Vergadering zullen deelnemen. Voor de Vergadering van het volgende jaar wordt met algemeene stemmen Zwolle aange- wezen en tot honorairen Voorzitter gekozen D". L. P. Kros. Tot eene botanische excursie na den afloop der Vergadering verbinden zich eenige leden en wel in het bosch van Wolf hezen. Door den Heer Buse wordt voorgesteld, om 163 den Conservator te magtigen, zich voor reke- ning der Vereeniging toe te voegen een Amanu- ensis, aan wien het meest tijdroovende ge- deelte der voor het Herbarium noodzakelijke werkzaamheden zou kunnen worden opgedra- gen; welk voorstel met eenparigheid wordt goedgekeurd. ‚Door DF. van pen Boscu worden ter sprake ge- bragt de klagten, van onderscheidene corres- ponderende leden bij hem ingekomen, over het in het geheel niet, of ongeregeld ontvangen van de stukken, uitgegeven door de Vereeniging. De Vergadering, deze ongeregeldheid afkeu- rende, besluit: dat aan ieder corresponderend lid bij circulaire zal worden gerigt de uitnoo- diging, om op te geven, welke stukken door hem zijn ontvangen, opdat het aan ieder ont- brekende ten spoedigste aangevuld worde, en dat voortaan de bedoelde stukken niet meer door Boekhandelaarsgelegenheid, maar regt- streeks naar buitenslands zullen worden verzon- den. Met betrekking tot de in vorige jaren tot correspondenten benoemde Heeren: Prof. Norre te Kiel en Dumortier te Doornik, wordt be- sloten, die Heeren uit te noodigen, om, in ge- val hun stilzwijgen op die benoeming het be- wijs is hunner niet-aanvaarding van het lid- maatschap, de bereids door hen ontvangene . stukken aan de Vereeniging te willen terugzen- 164 den. Den Secretaris wordt opgedragen, om aan die besluiten uitvoering te geven. Daarna wordt door hetzelfde lid gewezen op de bepaling van Art. 23 en op de voor hem onoverkomelijke zwarigheid, om ten volle aan de hem daar opgelegde verpligting te voldoen, sedert de Vereeniging ook de Flora der Over- zeesche bezittingen in den kring harer werk- zaamheden heeft opgenomen. Hij stelt mits- dien voor , om aan een der leden, die zich met de studie dier Flora bezig houden, de taak op te dragen, om jaarlijks een verslag uit te brengen in den geest der aangehaalde wets- bepaling. De Vergadering, zich met dit voor- stel vereenigende, besluit, daartoe uit te noo- digen den Heer Kornruats, aan wien van dit besluit schriftelijk kennis zal worden gegeven. Vervolgens wordt op voorstel van het Bestuur tot Corresponderend lid der Vereeniging be- noemd de Heer A. ze Jours, Voorzitter der So- ciété Impériale des Sciences naturelles te Cher- bourg. Door D". Dozy wordt in herinnering gebragt, dat, ingevolge besluit der vorige Vergadering, 30 exemplaren van het, voortaan door hem te redigeren, Kruidkundig Archief, voor reke- ning der Vereeniging worden genomen, bepaal- delijk ten dienste der corresponderende leden; dat de verslagen der Vergaderingen niet afzon- {65 derlijk verkrijgbaar zullen zijn, en dat het mitsdien voor ieder lid der Vereeniging van be- lang te achten is, zich dat Tijdschrift, bij voorkeur bestemd om alle van de Vereeniging of hare leden uitgaande stukken op te nemen, aan te schaffen. De Heeren Buse en vaN DER SANDE LACOSTE, aan wie het nazien der rekening en verant woor- ding over het afgeloopen jaar werd opgedragen, berigten, dat zij beide in behoorlijke orde heb- ben bevonden. De Voorzitter van het Bestuur brengt hierop het volgende verslag uit: M.M. H. H.! Alvorens tot het verslag over te gaan, be- doeld bij Art. 23 onzer Statuten, voel ik mij gedrongen, uwe aandacht eenige oogenblikken te bepalen bij het verlies, door onze Vereeni- ging in het afgeloopen jaar geleden in Geore Friepricu Winerm Meier, haar Corresponde- rend Lid, den 19°" Maart jl. aan de Göttinger. Hoogeschool door den dood ontrukt. Met den titel van Physiograaf van het Koningrijk Han- nover, waren hem de studie en de bewerking der Flora van dat land opgedragen. De zorg en ijver, waarmede hij zich van deze veelomvat- tende taak kweet, blijken uit zijne Chloris Ha- noverana en zijne Flora Hanoverana excur- soria, welke beide werken, bestemd tot voor- 166 loopers eener Flora van Hannover, cen tafe- reel der vegetatie van dat rijk bevatten , waar- van het plan, een voorbeeld van volledigheid en grondigheid, door den Schrijver wel ont- worpen is, maar welks uitvoering hem niet was voorbehouden. Naast deze werken heeft de we- tenschap hem nog op een ander gebied veel te danken, daar het Mrrser was, die in zijn geschrift: die Entwickelung, Metamorphose und Fortpflanzung der Flechten een werk heeft ge- leverd, dat door rijkdom en degelijkheid van inhoud uitmunt, dat zeer krachtig heeft bij- gedragen, om het tijdvak der Lichenographie, „sedert weinige jaren ingetreden en reeds nu door een grondiger en veelzijdiger onderzoek dier gewassen uitmuntende, voor te bereiden, en dat onmisbaar is voor ieder, die dieper in den bouw en de ontwikkeling der Lichenen wil doordringen, iets, dat door die rigting dezer studie een volstrekt vereischte is geworden. De wijze, waarop Meger het aanbod van het Cor- responderend Lidmaatschap onzer Vereeniging « aanvaardde, getuigde van hooge ingenomen- heid met haar. Geen twijfel, dat hij met be- reidwilligheid zijne veelomvattende kennis der Flora van Hannover aan ons doel zou hebben dienstbaar gemaakt, ware ’t noodig geweest dit van hem te vragen. ’t Betaamt ons dus wel eene eenvoudige maar welgemeende hulde toe 167 te brengen aan den man, wiens werkzaam leven gewijd was aan de bereiking van cen doel, zoo zeer in overeenstemming met dat, *t welk wij beoogen en eenmaal wenschen te be- reiken. Ik ga thans over tot het Verslag van ’t geen door de Vereeniging sedert onze laatste bijeen- komst is verrigt. In het vorige Verslag ts reeds melding ge- maakt van de welwillende vergunning van den H". W. C. Srarine, om zijn der Vereeniging toegezonden Herbarium aan haar belang dienst- baar te maken. 1k kan thans berigten , dat die verzameling door mij zorgvuldig is doorgezien. Zij bestaat uit planten, deels door den Heer STARING zelven, deels door wijlen zijn vader, den Heer STARING VAN DEN WILDENBORCH, Meest in het graafschap Zutphen (cp en bij den Wil- denborch, Voorst, Lochem, enz.) maar ook el- ders (b. v. bij Leyden) verzameld; voorts bevat zij planten uit verschillende streken, den be- „zitter door anderen (de H. H. Wr”rewaar, HorFMan, e. a.) geschonken. Van alles, wat zij van nieuwe groeiplaatsen onzer inlandsche ge- wassen bevatte, is door mij zorgvuldig aantee- kening gehouden; maar bovendien is door mij gebruik gemaakt van de zeer vriendelijke ver- gunning van den Heer Staring, om voor het Herbarium onzer Vereeniging die exemplaren, 168 welke voor haar van blijvend belang waren, af te zonderen. Ik noodig u uit, om inzage te nemen van de kleine, maar belangrijke ver- zameliag, die ons Herbarium aan de vrijge- vigheid van den Heer Starine te danken heeft. Zij bevat in de eerste plaats onderscheidene bijdragen tot die geslachten, welke nog op een bewerker wachten, maar waarvan de soorten al vast in goede exemplaren van de meest verschillende groeiplaatsen moeten bijeen ge- bragt worden; ik bedoel onder anderen de ge- slachten Centaurea, Hieracium, Galium, Carex, Arctium. Ten anderen vindt gij daarin meer dan ééne zeldzame of om hare bij ons onbe- kende groeiplaats belangrijke indigena. Als zulke noem ik u: Spiranthes autumnalis Ricu. uit het Wiersche Broek, Viola lancifolia Tore uit de omstreken van Lochem, Erica cinerea L. van de Oirschotsche heide, Phyteuma nigrum Scumipt van bij het klooster de Glare, Erythraea litto- ralis Fr. uit duinvalleijen op Schiermonnikoog, Cochlearia anglica L. van de buitendijksche lan- . den bij Blokzijl, Narthecium ossifragum Hops. uit de veenen aan de Dedemsvaart, enz. Over sommige dezer planten straks nog eenige korte opmerkingen. Wanneer de belangrijkheid voor onze Veree- niging de rangorde zal bepalen der verzame- lingen, door de leden aan den Conservator 169 toegezonden en mij door dezen voor het verslag medegedeeld, dan komt ongetwijfeld de voor- rang toe aan eene verzameling van den Heer STRATINGH, bij en om Groningen, Haren, Ha- rendermolen, Helpman, Eelderwolde, Pater- wolde, Peize, Scheemda, Slochteren, Eexta en andere plaatsen in de provincie Groningen bij- eengebragt en uit bijna 400 soorten bestaande. Daardoor is eene leemte in ons Herbarium aangevuld, dat slechts enkele exemplaren uit die Provincie bezat, en heeft onze kennis der inlandsche Flora eene lang gewenschte uitbrei- ding erlangd. Ik durf op uw aller toestem- ming rekenen M. H.! wanneer ik deze aan- winst zeer belangrijk noem. Mogten ons spoe- dig uit zoo vele andere streken van ons vader- land, wier vegetatie in onze verzamelingen niet of slechts gebrekkig vertegenwoordigd is, der- gelijke verzamelingen geworden, dan zal het tijdstip niet zoo ver meer verwijderd zijn, waarop onze Vereeniging de zamenstelling eener . Flora van Nederland zal kunnen ondernemen. Vooraf echter is het volstrekt noodig, dat de identiteit der exemplaren ééner soort uit alle streken des lands bewezen zij. Zonder dit be- wijs immers is de bepaling van iedere verdere bijzonderheid, de soort betreffende, b. v. haar bloeitijd, hare verspreiding, haar voorkomen, enz., onzeker of liever onmogelijk. En dit be- 170 wijs moet, zoo veel mogelijk, op autopsie be- rusten; niet om eene vermeende onfeiibaarheid, maar omdat de onmogelijkheid eener objectieve zekerheid waarborgen noodzakelijk maakt voor de meest mogelijke naauwkeurigheid. En daar nu b. v. het bewijs der grociplaats eener plant alleen geleverd kan worden door het exemplaar dier plant, en de juiste bepaling der soort, waartoe zij behoort, in den regel de verge lijking vordert met ’t geen als type dier soort is aangenomen, zoo spreekt het van zelf, dat autopsie voor de vereischte naauwkeurigheid behoefte is. _ De zeer naauwkeurige naamlijst van den Hr. StrrATINGH heb ik het genoegen hierbij over te leggen, ter inzage der leden. De belangrijk- heid zijner bijdragen zal daaruit blijken, ook zonder dat ik in een uitvoerig verslag daarvan trede. Alleen wil ik de volgende, als zeldza- mer voorkomende, indigenae aanstippen: La- thyrus palustris L. (bij Groningen), Spiraea Sa- licifolia L. (bij Haren), Potentilla procumbens Sipru. (bij Harendermolen), Callitriche hamu- lata Ke. (bij Peize), Saxifraga granulata (bij Haren), Serratula tinctoria (bij Eelderwolde), Tra- gopogon porrifolius (bij Winsum en Mensingeweer, comm. DE GAVERE), Campanula persicifolia (bij Groningen), Scrophularia Neesit Wirte. (bij Eex- ta), Veronica peregrina L. (bij Groningen), Lamium 171 mncisum W. (bij Helpman), Salix pentandra L. (bij Groningen), Gagea lutea (bij Groningen), Malaxis paludosa W. (bij Haren), Juncus filifor- mis L. (bij Wedde; comm. D". J. W. A. Port), Carex teretiuscula Goon. (Eelderwolde), Milium ef- Jusum L. (bij Paterwolde), Avena hybrida Pe- TERM. (bij Scheemda), Poa fertilis Host (bij Scheemda). Over Lilium bulbiferum, reeds in eene vroegere vergadering vermeld en thans door den Heer Strarinen in een 30-tal fraai gedroogde exemplaren ingezonden, wensch ik nader nog een en ander op te merken. Van kleinere bezendingen ontving de Ver- eeniging in het afgeloopen jaar: eene verzameling van den Heer Bonpam, in de omstreken zijner woonplaats bijeengebragt, die deels zijne vroegere bezendingen aanvult, deels enkele zeldzamer voorkomende planten , b. v. Cynodon Dactylon, in doubletten bevat ; eene verzameling, deels uit de omstreken van Amsterdam, belangrijk door exemplaren van Oxalis corniculata, overvloedig in moeslan- den aldaar voorkomende, en van Scrophularia Nees, te halfweg Haarlem en Amsterdam ge- vonden, deels bij Maarsbergen en in het Spul- ster- en Nunspeeterbosch op de Veluwe door den Heer van DER SANDE Lacoste bijeengebragt; eene verzameling, door den Heer L. H. Buse ingezonden, waarin Batrachtum hederaceum van 172 Renkum en Centunculus minimus van Voorst, en Lycopodium Selago van de heide bij Wolfhezen voorkomen, en Asplenium Trichomanes, benevens Polystichum aculeatum (de laatste nog slechts van Maastricht als inlandsch bekend) de bij- zondere geschiktheid van den Wageningschen berg, de groeiplaats mede van Asplenium Adi- antum nigrum, voor de ontwikkeling der Varens bewijzen ; eene verzameling Zeeuwsch-Vlaamsche plan- ten van den Heer Watraven, onder andere op- merkelijke zaken exemplaren bevattende van Trifolium striatum, aan een beschaduwden dijk bij Koewacht gevonden, die den eigenaardigen habitus dezer soort (Sturm Dld’s Flora IV tab. 53) ten volle vertoonen en schijnen te bewijzen, dat de, elders in ons vaderland, en wel in of by bouwland gevondene, exemplaren waarschijnlijk met zaad van elders aangevoerd zijn geworden. Immers, terwijl bij gene de ongeveer !/2 palm lange stengel nederligt en kleine, uit ongeveer 10 à 12 bloemen bestaande, bloemhoofdjes draagt, is de stengel bij deze tot 4 palmen hoog, opstaande, met tweemaal zoo groote bloemhoofden. Overigens onthoud ik mij van verdere mededeelingen over deze verzameling, daar de inzender voornemens is een overzigt der vegetatie van het door hem onderzochte 173 gedeelte van Staats-Vlaanderen als bijdrage in te zenden. Vergunt mij, U omtrent sommige der ge- noemde planten eenige korte opmerkingen mede te deelen. Viola lancifolia Trore. De exemplaren in het Herb. van den Heer Srarine, bij Lochem ver- zameld, komen in alles overeen met die van den Heer Wrrewaar, in het Herbarium der Vereeniging aanwezig, en onder dien naam in den Prodromus vermeld (bl. 33). De juistheid van dien naam, voor zoo ver hij op Rercnen- Bacu’s afbeeldingen (Icon. crit. I. tab. 96 ; Icon. FL. Germ. III. fig. 4506) berustte, was bij de be- werking van den Prodromus twijfelachtig. Eene vergelijking met de Lochemsche exemplaren heeft dien twijfel niet weggenomen, veeleer ver- sterkt, vooral ook, omdat mij sedert, uit exem- plaren van V.lancifolia, op verschillende punten der westkust van Frankrijk verzameld, met welke die afbeeldingen zeer goed overeenkomen, het afwijkende van de door ons zoo genoemde plant duidelijker geworden is. Deze komt mij thans voor eerder tot V. lactea Sm. (Eng. Bot. tab. 445) te behooren, die, zoo ik meen, ten on- regte door latere Schrijvers, b. v. BABINGTON (Man. 3% Ed. p. 36), als verscheidenheid van V. canina wordt vermeld. Immers, wanneer wij ons herinneren, dat deze soort, naar mate 174 zij op vochtigere en beschaduwde plaatsen voorkomt, hare bladen verlengt en versmalt (b. v. 7 lucorum), ze daarentegen verkort en verbreedt in hare heide- en duinvormen, dan kunnen wij niet toestemmen dat V. lancifolia of lactea, eene heideplant met lancetvormige bla- deren, daartoe behoore. Intusschen komt het mij wenschelijk voor, dat zij door onze leden, die in de nabijheid der Geldersche heidevelden wonen, levend onderzocht en nagegaan worde, opdat die kenmerken, die aan gedroogde exem- plaren van dit geslacht niet of slechts onvol- ledig kunnen waargenomen worden, duidelijk in ’t licht worden gesteld. Erica cinerea L. Ik reken op uwe toestem- ming, wanneer ik deze plant eene belangrijke aanwinst voor onze Flora noem. Want, hoezeer door den Heer v. Hoven bij Maastricht waar- genomen (Prodr. p. 146), ontbrak ons eene tweede groeiplaats, ten gevolge waarvan de door DE Gorter vermelde (Naarden en de Bildt) twij- felachtig meesten schijnen. Die twijfel schijnt mij toe, thans niet weggenomen, maar ver- zwakt te zijn. Het blijkt nu althans, dat de bedoelde soort geene bergachtige standplaats behoeft, ’t geen uit de Limburgsche groeiplaats en uit de opgave in LeseuneE en Courtois (Comp. II, p. 55) van haar voorkomen in Luik en He- negouwen zou kunnen opgemaakt worden en 175 dat zij op gelijke groeiplaatsen als Calluna vul- garis en Erica Tetralix gedijt. Hopen wij, dat eene of meer groeiplaatsen op de Veluwe door onze medeleden ontdekt, en daardoor pr Gor- TERS opgave van allen twijfel ontdaan worde. Lilium bulbiferum L., in roggelanden bij Vries m Julij 1855 door den Heer Srrarinen verza- meld, komt, blijkens mededeeling ten vorigen jare, in die streken van Drenthe zeer menig- vuldig voor. Wat de nadere bestemming dier plant als L. bulbiferum B. croceum Pers. (Syn. I. p. 358) betreft, veroorloof ik mij, daar ik gis, dat zij in verband staat met de door den Hoogleeraar v. Hatt bekend gemaakte (Landh. Fl. bl. 225) als ZL. croceum Crarx, de opmer- king, dat door latere Schrijvers die verschei- denheid soortelijk onderscheiden wordt, b. v. bij Roemer en Scuutres (Syst. veg. VII p. 414), ReicHENBACH (Icon. fl. Germ. X. p. 10), terwijl uit de opgaven van anderen, b. v. GRENIER en Gopron (FL. de France II. p. 182), wel schijnt te blijken van het bestaan van twee zeer verwante soorten , maar tevens, dat er onzekerheid bestaat omtrent de kenmerken ter onderscheiding. Daar nu de door die Schrijvers, op het voetspoor van VirLars (Fl. de Dauph. I. p. 322), als L. croceum Crarx onderscheidene plant, slechts in Piemont, Savoye en de zuidoostelijke Alpen van Frankrijk voorkomt, zoo is het uit dien 176 hoofde wenschelijk te achten, ons van den naam van L. bulbiferum L. te bedienen, onder welken wel de meeste Schrijvers dezelfde plant bedoelen, die voor ons ligt. Op de vraag, of wij haar voor- komen ter aangehaalder plaatse op geographische gronden verklaren kunnen, durf ik geen stellig antwoord geven. Ik vergenoeg mij met een en an- der mede te deelen , als bijdrage tot eene latere beantwoording dier vraag. L. bulbiferum L. be- woont vochtige beschaduwde plaatsen in bosschen en grasvelden der bergstreken en vooralpen van Duitschland (Oostenrijk, Boheme, Saksen, Thu- ringen en de westelijke staten), om niet te ge- wagen van het zuidelijk Europa. De noorde- lijkste grenzen van haar areaal worden, zoo- veel ik kan nagaan, gevormd door het Saksi- sche Ertsgebergte, den Harz, westelijk waarvan zij niet gevonden wordt, behalve bij Frankfort a. Main. Hieruit blijkt, dat zij veel meer be- perkt is dan L. Martagon, die in bijna alle Flora's van Midden- en Zuid-Duitschland wordt aangetroffen. L. bulbiferum komt in geene der naburige Flora's voor. In België is Henegou- wen de eenige groeiplaats (Les. en Courr. Comp. I. p. 12), die nog wel den Schrijver tot de vraag aanleiding geeft: an e hortis aufugum? In de Flora der Rijnstreken, in die van West- phalen (*) en Hannover ontbreekt zij geheel, (*) Junast in zijne Fl. Westphal. p. 123 geeft ééne 177 zoowel als in die van Engeland. Hoezeer nu het een en ander het denkbeeld van indigeniteit onzer plant niet schijnt te begunstigen, zoo is er toch ééne omstandigheid, die wel verdicnt in aanmerking genomen te worden. Het is haar sporadisch voorkomen in de vlakte, noordelijk van haar gebied, een voorkomen, dat zij met andere planten der bergstreken, b. v. Geranium lucidum, Pyrola media, Geranium sanguineum e. a. deelt (GrisrBacu Ueb. d. Vegetationslinien des nordwestl. Dids. Gott. 1847.). Zoo treffen wij L. bulbiferum hb. v. aan in het zuidelijkst Noor- wegen en in de zuidelijke provinciën van Zweden (Gottland, Halland) waar WAHLENBERG haar wel is waar als planta adventitia be- schouwde (Fl. Suec. II. p. 1097), maar Fries (Summ. veg. J. p. 63) haar voor werkelijk in- landsch houdt. Van grooter belang echter voor ons is haar voorkomen in Denemarken, en wel in Sleeswijk, Jutland en Seeland (Lance Danish. Fl. p. 200), waar zij, zonderling genoeg, ook in bouwlanden en wel tusschen de haver ge- vonden wordt. Op welke groeiplaatsen zij in Zweden is gevonden, blijkt mij niet; Wan- groeiplaats op bij Brilon in een weiland, waar zij echter zelden bloeit; Karscm (Phanerogamenflora d. Prov. West, p. 571) voegt er eene tweede bij: Aschendorf, in bouw- landen sedert jaren een lastig onkruid. 12 178 LENBERG's meening echter zou doen vermoe- den, dat die eveneens ongewoon is. Juncus filiformis L., tot nu toe slechts van ééne groeiplaats (Meppel, v. Heynincen) bekend, is, blijkens het door den Heer Srratincn mede- gedeelde ex., ook bij Wedde, in de provincie Groningen, gevonden door Dr. J. W. A. Porr. Bijaldien omtrent de indigeniteit dezer soort al twijfel mogt bestaan hebben, dan is die thans opgeheven. Trouwens, het ontbreken eener soort in onze Flora, die niet slechts in alle na- burige Flora’s gevonden wordt, maar bovendien eigen is aan veengronden, zoowel in de vlakten van het noordelijk Duitschland als in die der hoogere gebergten in meer zuidelijke streken, zou eer verwondering mogen wekken dan haar voorkomen. Ik vermoed dan ook, dat zij, al- thans in onze oostelijke provinciën, op méér plaatsen groeit en welligt, door hare gelijkenis met J. conglomeralus is over ’t hoofd gezien. Op gelijke wijze is misschien het voorkomen in onze Flora van J. Balticus W. verborgen gebleven, namelijk door verwisseling met J. glaucus Enrn.; het is althans meer dan waar- schijnlijk , dat deze bloembies, die in de duinen niet alleen der Oost-, maar ook der Noordzee gevonden wordt, aan onze Flora niet geheel ontbreekt. Avena hybrida Piverm. (Prodr, fl. Bat. p. 311) 179 is thans op eene tweede groeipiaats aangetrof- fen, en wel door den Heer Srrarinen bij Scheem- da (Gron.); of zij ook hier onder 't vlas voor- komt, vind ik niet aangeteekend. Belangrijk ware het dit te weten, omdat, in Zeeland al- thans, geen ander dan inlandsch lijnzaad , zoo- genaamd Rigaasch, uitgezaaid wordt. De soort zelve is, dunkt mij, boven allen twijfel verhe- ven, evenzeer als hare wettige afkomst. De naam, die haar door Hosr, volgens Reicuensacn’s FI. Saxon., is gegeven, zal plaats moeten maken voor dien van A. intermedia LinpGRrEn (in Botan. Not. 1841 pag. 151), onder welken zij door dezen kruidkundige het eerst onderscheiden werd. Zij is tot nog toe, behalve in ons vader- land, in het zuiden van Zweden, op de Deen- sche eilanden, in Sleeswijk, Saxen en Thurin- gen aangetroffen. Volledigheidshalve zou ik nog moeten berig- ten aangaande de door de leden ingezondene Cryplogamen, voor zoo ver zij tot mijne taak betrekking hebben. Wat de Algen betreft, waarvan door onze medeleden, de H. H. Buse en v. p. Sanne La- cosTE verzamelingen ter bestemmingen voor het Herbarium zijn ingezonden , zoo heb ik deze, ge- voegd bij ’ geen ik zelf sedert de bewerking van het laatste stuk van den Prodromus heb verzameld, in handen gesteld van ons medelid 180 den Hi'. Surincan, die zich met den besten uit- slag op de studie dier familie heeft toegelegd en mij de toezegging heeft gegeven, om voort aan de bestemming en bewerking van dit ge- deelte onzer Flora op zich te nemen. Ik durf vertrouwen, dat gij M. H. met deze rolverwis- seling, waarbij onze Vereeniging in ieder ge- val winnen zal, genoegen neemt. Vergunt mij bij deze gelegenheid nog éénmaal den wensch te herhalen, dat meer onder U zich mogten belasten met een zoodanig gedeelte der gemeen- schappelijke taak , als waarvoor zij neiging ge- voelen en waartoe zij door hunne woonplaats en hulpmiddelen de geschikte gelegenheid be- zitten. De last drukt te zwaar, zoodra hij door weinigen gedragen wordt! Van Lichenen, die dus op dit oogenblik mijn aandeel in onze Cryptogamische Flora uitmaken, is niet alleen in het laatste jaar, maar ook in vo- rige jaren zeer veel belangrijks ingezonden door de H. H. Buse en v. p. SANpe Lacoste, terwijl de H". Srratincu de zoo straks vermelde verzame- ing Phanerogamen vergezeld deed gaan van eene keurige collectie Lichenen, in de omstre- ken van Groningen bijeengebragt. Ik zou én uit deze verzamelingen, én uit ’t geen ik zelf in de laatste jaren heb waargenomen, vrij wat belangrijke toevoegsels tot dat gedeclte onzer Flora kunnen vermelden. Ik vermeen mij ech- ist ter daarvan thans te moeten onthouden. De Lichenographie is sedert de uitgave van het laatste stuk van den Prodromus een nieuw tijd- perk ingetreden. Wat vóór dien tijd slechts als verspreide waarnemingen over structuur en morphologie der Lichenen, als op zich zelven staande aanduidingen betrekkelijk hunne sys- tematiek , bestond, is sedert uitgebreid, ver- volkomend en in verband gebragt. De rig- ting, door Fries in ’t leven geroepen of al- thans tot wetenschappelijke waarde verheven, waarbij de biologische morphose der Lichenen, benevens de uiterlijke kenmerken, voor zoo ver zij door het ongewapend oog waarneembaar zijn, bij de onderscheiding der soorten en hare groepering tot geslachten enz., den uitslag gaf, is, niet verlaten, maar gewijzigd door het mi- croscopisch onderzoek der ontwikkeling, vooral van de vrucht en hare organen. Het ligt in den aard der zaak, dat de toepassing dezer methode hier tot even belangrijke resultaten heeft geleid, als zij dit elders, b. v. bij de Mos- sen, vroeger deed, en dat het microscoop, met betrekking tot ontwikkeling en morphologie, zeer veel heeft doen zien, wat aan het onge- wapend oog te voren ten eenenmale verborgen was. Vooral geldt dit van de kleinere en een- voudigere vormen, zoodat, terwijl de nieuwe methode in den regel de beschouwing van Fries 182 en SCHAERER, ten opzigte van de blad- en struik- vormige Korstmossen heeft bevestigd, zijde on- toereikendheid der oudere methoden heeft aan ’t licht gebragt voor de Lecidineeën, Graphideeen en de meeste angiocarpe geslachten. Dit gedeelte onzer Flora behoeft derhalve eene geheele om- werking, zal het op de hoogte zijn der tegen- woordige wetenschap. Ik heb mij dit dan ook bepaald voorgenomen en hoop in onze eerst- volgende bijeenkomst , ten minste gedeeltelijk, aan dit voornemen uitvoering te geven. Al watde sedert 1853 ingezondene verzamelingen nieuws of belangrijks behelzen, vindt dan daarbij ge- reedelijk eene plaats. Daarna wordt door den Conservator mede- deeling gedaan van zijn verslag als volgt: Het zal U, M. M. H. H.! niet bevreemden, dat ik thans geene zoo aanzienlijke uitbreiding van ons Herbarium kan vermelden als in ’t vorige jaar, toen de Zuid-Afrikaansche ver- verzameling van planten van Drece, Zevuer en Ecxton, door onzen Voorzitter aan onze Vereeniging geschonken, den omvang van onze exotische plantenschat verdubbeld, en de botanische excursie na den afloop der ver- gadering te Haarlem ons een ruimen voorraad 183 doubletten van inlandsche planten verschaft had. — Niettemin waren de bezendingen van gedroogde planten, mij gedurende het afge- loopene jaar toegezonden, verre van onbe- langrijk. In de eerste plaats breng ik dan ook onzen dank aan de Heeren pr Vriese en VAN DEN Boscu, waarvan gene ons een aan- tal doubletten van Oost-Indische planten, door Reinwarpt verzameld, afstond, terwijl deze ons alle Fungi ten geschenke aanbood, welke zich in eenige door hem aangekochte exo- tische collecties (namelijk die uit Nieuw- Zeeland van S. Horrmann, van de Philip- pijnsche eilanden van Cuming, uit Pera van LecHreR, uit Venezuela van J. LinpEN, en uit Algerië van Batansa) bevonden. — Ook de HH. Buse zond mij eene kleine verzameling inland- sche en Duitsche planten toe, benevens eenige zaden en vruchten uit Berbice. — De H". War- RAVEN ging voort met zijn bryologisch onder- zoek van Staats-Vlaanderen, en strekte dit ook uit tot de Mycetes van die streek. Welkom was mij ook zijne toezending van een aantal wel- gelijkende afbeeldingen dezer plantengroep, waarvan ‚bij de bewerking van ‚het 3%° stuk 2de deel van onzen Prodromus gebruik zal worden gemaakt. — Van D". J. WrrEwAArL ont- ving ik eene voor de bewerking der inland- sche Fungi allerbelangrijkste bijdrage, bestaan- 18% de uit zijne gansche verzameling Zwammeit, reeds vóór 25 jaar door hem bijeengebragt. Voor zoo verre ik daarover na eene oppervlak- kige beschouwing kan oordeelen, levert mij die verzameling nieuwe en door keurige exem- plaren zoowel als door welgelijkende afbeel- dingen uitmuntende bouwstoffen op voor de bewerking onder mycologische Flora. Ook de Hi. van DER TRAPPEN zond mij onlangs een fraai exemplaar van Parmelia abietina. — Niet minder belangrijk waren de bijdragen van den Heer Acker Srravincu. Aan het meermalen geuite verlangen, om in ons Herbarium ook de Flora van Groningerland vertegenwoordigd te zien, voldeed dit ons medelid in ruime mate door de toezending van omtrent 400 species, waaronder ook verscheidene Musci, Fungi en Lichenes voorkwamen. Het behoort tot de taak van onzen Voorzitter, U de bij- zondere waarde van deze en andere door ons ontvangene verzamelingen voor de kennis on- zer Flora nader uit een te zetten. Ik behoud mij echter voor, omtrent het bryologische ge- deelte dezer collectie later een meer uitvoe- rig verslag uit te brengen, en daarbij tevens al de sedert de uitgave van het 1° stuk 2° deel van den Prodromus Florae Batavae mij door de leden toegezondene bijdragen voor onze bryolugische Flora aan een naauwkeurig 185 onderzoek te onderwerpen. — Behalve door den Heer Srratincn, werden mij ook door de H. H. VAN DER SANDE LACOSTE, WALRAVEN en ABELE- vex bijdragen voor ’t bryologische gedeelte van ons Herbarium toegezonden, tn de eerste plaats belangrijk omdat zij strekken konden om over de verspreiding onzer reeds bekende in- digene Musci en de verschillende vormen, waaronder zij voorkomen, een helder licht te verspreiden, en ten andere omdat daarin soorten voorkomen, waarvan het bestaan in Noord-Nederland wel vermoed, doch door geene exemplaren werd gestaafd. Zoo bevatte de ver- zameling van D". vAN DER SANDE LACOSTE 0. a. een aantal vruchtdragende exemplaren van Bryum Marattii, in eene veenplas bij Waver- veen (als 2° groeiplaats) ontdekt, en zoo ver- rijkte de Heer Aspeteven ons Herbarium met vruchtdragende voorwerpen van Plerygophyllum (Hookeria) lucens, vroeger alleen bekend van de omstreken van Maastricht, doch thans ook waargenomen aan beekjes bij den Heumener Plasmolen. — Tevens heb ik het genoegen U hierbij over te leggen exemplaren van Lep- todon Smith, door Dr. van DEN Boscu gezameld op een Beukenstam in het Haagsche Bosch, waaruit blijkt dat ons thans ook voor deze zeldzame soort van Mos eene tweede groei- plaats bekend is, daar zij toch door mijzelven 186 (zie Prodrom. Fl. Bat.) reeds vroeger op een ouden Eik aan den duinkant van Wassenaar was gevonden. Noch op eerst-, noch op laatst genoemde groeiplaats droeg dit Mos vruchten, maar wij kunnen dan ook niet zeggen, dat het aldaar door een weelderigen groei uit- muntte. Eene andere helangrijke bijdrage tot de kennis onzer inlandsche Flora ontving ik van ons ijverig medelid Dr. van DER SANDE LACOSTE. Hij bezorgde mij namelijk onlangs, hoewel te laat om door onzen Voorzitter in zijn ver- slag te worden vermeld, ongeveer 200 soorten van planten uit onderscheidene familiën, die een naauwkeurig onderzoek van de vegetatie van het eiland Wieringen hem had opgeleverd, grootendeels in nog verschen staat. Ik maak opzettelijk van deze laatste omstandigheid ge- wag, ten einde die leden, welke wel genegen zijn om botanische excursies te doen en plan- ten te verzamelen, maar door hunne bezighe- den verhinderd worden deze laatsten behoor- lijk te droogen, daarop opmerkzaam te maken, dat ik mij met deze taak volgaarne belasten wil „Ook uit verder gelegene streken onzes Va- derlands kunnen zoodanige bezendingen, in eene blikken bus of een blikken trommel geborgen, door middel van spoorwegen als anderzins, mijne woonplaats spoedig en versch genoeg 187 bereiken. — Hetzelfde lid bezorgde mij tevens verscheidene planten, te Ankeveen en Neder- horst den Berg verzameld, en daarenboven een aantal exemplaren van Bunias orientalis en andere zeldzame gewassen uit de omstre- ken van Amsterdam, welke hem vroeger ten behoeve eener ruiling waren opgegeven. — De Heer v. p. Scurer te Coevorden voldeed dit jaar ook aan eene dergelijke opgave door toe- zending van een aantal doubletten uit die streek van Spiraea Salicifolia en Veronica longifolia. Aan het ordenen en inschikken van onze planten heb ik weder een groot gedeelte van mijn daartoe beschikbaren tijd moeten beste- den, zoodat ik hierdoor op nieuws verhinderd ben geworden om gevolg te geven aan mijn vroeger aangekondigd voornemen, om de dou- bletten van ons Herbarium onder de leden der Vereeniging te verdeelen. Intusschen heb ik zoo veel mogelijk voldaan aan alle aanvragen om planten uit onze verzameling ter vergelij- king en bewerking, en om boeken uit onze bibliotheek. Voor zoo verre de geringe mid- delen, die de Vereeniging te mijner beschik- king stelde , zulks toelieten, werd het Herba- rium in een meer bruikbaren staat gebragt. Nogthans zal er nog een geruimen tijd ver- loopen, alvorens de aanwezige voorraad van planten, en voornamelijk het exotische ge- 185 deelte , behoorlijk geëtiquetteerd en gekatalogi- seerd is Onze Bibliotheek heeft dit jaar weder be- langrijke aanwinsten gedaan. Immers werden de volgende boekgeschenken daarin opgenomen: Van het corresponderend lid J. Kickx : Recherches pour servir a la flore cryptoga- mique de Flandre, 5™° centurie, par J. Krckx Professeur de Botanique à l’Université de Gand. Bruxelles 1855. De auteur heeft hiermede zijn belangrijk werk over de Cryptogamen van Vlaanderen gesloten en stelt zich voor, om zijne onderzoekingen _ over de Belgische Flora in vereeniging met die van andere Belgische Botanici voort te zetten, met het oog op eene wetenschappelijke kritiek der, reeds tot dat einde verzamelde, bouwstof- fen. De behandeling der Cryptogamen in de uit- gekomene centuriën doet ons met verlangen de uitvoering van het voorgenomen plan van den Schrijver te gemoet zien, en voornamelijk uit hoofde van de verwantschap der Belgische Flora met die van de zuidelijke provinciën van ons vaderland. Het mycologisch gedeelte der Belgische Flora heeft daarenboven voor ons eene bijzondere waarde, omdat het gegrond is op de waarne- mingen, die door den beroemden STERBECK zoo- wel in België als in Noord-Braband geschied 189 zijn, en waarvan het resultaat in zijn klassiek werk: Theatrum fungorum etc., is nederge- legd. Zoo als daaruit blijkt, heeft onze ver- __ maarde landgenoot Crusitus hem door zijne ken- nis der Nederlandsche fungi meermalen grooten dienst bewezen. Van het corresponderend lid D*. DARLINGTON te Westcheffer : Reliquiae Baldwinianae: selections from the correspondence of the late Wirrram BALDWIN M. D. etc. compiled bij W. Daruineron M. D. Philadelphia 1843. Dit werk bevat belangrijke opmerkingen over de Flora van Noord-Amerika, ook met betrek- king tot de gesteldheid van den bodem, de planten-geographie en geschiedenis van dit we- reiddecl. Van het corresponderend lid Dr. Asa Gray : Plantae novae Thurberianae e nova Mexico et Sonora. Cambridge , Massachusetis 1854. Note on the affinities of the genus Vavaea Benn. also of Rhytidandra Gray, by Asa Gray M. D. Cambridge, Massachusetts 1854. Het eerstgenoemde werk is het resultaat van een botanisch onderzoek, door Mr. TrurBer in genoemde streken gedaan ter gelegenheid van de vaststelling der grensscheiding tusschen de Vereenigde Staten en Mexico. Behalve een over- zigt over de geographische gesteldheid van die 190 landstreken en eene karakteristieke schets der vegetatie aldaar, vindt men in dit werk de naauwkeurige beschrijvingen van de volgende nieuwe plantensoorten en geslachten, t. w. Ranunculus hydrocharioides A. Gr., Argemone fruticosa A. Gr., Malvestrum Thurberi A. Gr., Abutilon Thurberi A. Gr., Thurberia A. Gr. (no- vum genus Malvacearum), Zh. Thespesioides A. Gr., Holacantha A. Gr. (novum genus Simaru- bacearum), H. Emoryi A. Gr., Guajacum Coulleri A. Gr., Astragalus (Phaca) Thurberi A. Gr., Dau- bentonia? Thurbert A. Gr., Robinia Neo-Mexi- cana A. Gr., Dalea Gregg A. Gr., Dalea Emoryt ‘A. Gr., Dalea spinosa A. Gr., Dalea Tremonti A. Gr., Dalea arborescens A. Gr., Hosackia (Syrmatium) argophylla A. Gr., Acacia? crassi- folia A. Gr., Potentilla Thurberi A. Gr., Peta- lonyx A. Gr. (novum genus Loasacearum), P. Thurberi A. Gr., Eremiasirum A. Gr. novum genus Compositarum), HH. bellidioides A. Gr., Melampodium longicorne A. Gr., Psathyrotes in- cisa A. Gr., Dicranocarpus A. G. (novum ge- nus Compositarum), D. parviflorus A. Gr. (Hele- rospermum dicranocarpum Gray), Bartlettia A. Gr. (novum genus Compositarum), B. scaposa A. Gr., Perezia Thurbert A. Gr., Stephanomeria Thurberi A. Gr. , Jacquinia pungens A. Gr., Pi- lostyles Thurberi A. Gr., Olneya A. Gr. novum venus Leguminosarum), O. Tesota A. Gr. 191 Van de Smithsonian Institution enz. Report of the commissioner of patents for the year 1852, 1853. Agriculture 2 Tom. Was- hington, 1853, 1854. Eighth annual report of the board of regents of the Smithsonian Institution. Washington 1854. Ninth annual report etc. Washington 1855. List of publications of learned Societies and periodicals in the hbrary of the Smithsonian Institution, pars 1. List of works published by the Smithsonian Institution, Washington, January 1855, bene- vens een berigt over deze geleerde instelling, overgedrukt uit de wissenschaftliche Beilage zu n°. 27í der Leipziger Zeitung van f855. Het is mij onmogelijk om in een kort bestek zoo veel wetenswaardigs zaam te vatten, als in de genoemde werken van de beroemde, echt welenschappelijke, Instelling gevonden wordt. Men kan daarvan inderdaad zeggen, dat alle vakken van menschelijke kennis, die in Amerika worden beoefend, telken jare daartoe bijdragen leveren, en voornamelijk dezulken, welke on- middelijk praktische resultaten kunnen opleve- ren, zoo als onder anderen blijkt uit de eerst- genoemde rapporten, die op den landbouw be- trekking hebben. De opsomming alleen van de onderwerpen, die daarin verhandeld worden, zou U verbaasd doen staan over den omvang dier 192 reusachtige onderneming, die in den korten tijd van haar bestaan door de ijverige en belang- looze zamenwerking van het verlichtste deel der Amerikaansche natie uit alle klassen der maat- schappij, reeds zoo veel gedaan heeft ter be- vordering van de wetenschappen en de ver- spreiding van kennis. Van de Société Imperiale des sciences natu- relles de Cherbourg hare Mémoires Volume IL, Cherbourg 1854. Hoewel de werkkring dezer maatschappij zich ook, gelijk die der bovengenoemde Inrigting, uit- strekt over alle deelen der natuurlijke geschiede- „nis, physica, astronomie, meteorologie, genees- kunde, toxicologie, statistiek, geodesie, land- huishoudkunde, enz., zal ik mij enkel bepalen tot eene opnoeming van hetgeen in deze ge- denkschriften voorkomt betreffende de weten- schap, die wij in onze Vereeniging beoefenen: Essai d'une nouvelle classification des Lichens, par M. le Dr. W. NyYranDER. — Note sur Ja syno- nymie des Ulva lactuca et latissima L. suivie de quelques remarques sur la tribu des Ulvacées, par M. Gusr. Tourer. — Maladie de la Vigne, observations faites pendant les années 1851— 1853 en France, en Suisse, dan les Etats Sar- des, en Lombardie et en Allemagne, par M. A. Craris. — Note sur le genre Spirulina, par. M. M. Crouan frères — Du bourgeon dansle genre Ly- 193 thrum, par M. le Dr. Leser. — Note sur quelques Diatomées marines, rares ou peu connues, du littoral de Cherbourg (avec une planche gravée) par M. Atpu. pe Brépisson. — Etudes sur les Li- chens del’Algérie, par M. le Dr. W. NYLANDER. — Déscriptions d’Algues nouvelles des environs de Cherbourg, par M. G. Taurer. — Sur quelques espèces du genre Ectocarpus, par M. A. LE Jouis. Van den President dezer Maatschappij : Observations sur les Ulex des environs de Cherbourg 1853. Examen des espèces confondues sous le nom de Laminaria digitata, suivi de quelques obser- vations sur le genre Laminaria, par M. A. LE Jouts. (Extrait des comptes rendus des séances de Académie des Sciences, tome XL, 26 Févr. 1855.) Sur le mode de réproduction des Algues zoo- sporées. Discours prononcé dans la séance pu- blique de la Société des Sciences naturelles de Cherbourg, 29 Oct. 1852, par M. A. rr Jous. Van den Hoogleeraar Dr. W. Vrom: Revue des Sociétés savantes de la Neérlande, par W. Vroum, Sécrétaire général de |’Acadé- mie Royale des Sciences 4 Amsterdam. (Over- gedrukt uit de verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Af- deeling Natuurkunde, Deel V). De uitgave van dit overzigt is het gevolg eener 13 19% aanvraag van de Fransche Regering aan de on- ze, om ingelicht te worden aangaande het aan- tal, den aard, den werkkring, enz., van de ge- leerde genootschappen en maatschappijen, die in Nederland: bestaan. De beantwoording dezer aanvrage, door den Minister v. B. Zaken aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam opgedragen, is door haren alge- meenen Secretaris opgesteld, die tot dat einde de noodige inlichtingen van de bestuurders der onderscheidene genootschappen heeft ingewon- nen. Ek heb daaraan voldaan door eene eenvou- dige opgave van den titel onzer Vereeniging, die tegelijk haar doel en werkkring zeer goed uitdrukt, van het jaar harer stichting, het getal harer leden, hare bezittingen en de mid- delen ter bestrijding der noodwendige uitga- ven. Voor hetgeen zij gedurende haar tienjarig bestaan heeft verrigt, heb ik verwezen naar de uitgegevene jaarlijksche Verslagen, den Pro- dromus Florae Batavae en den staat harer verzamelingen. Van ons medelid Prof. ve Varese: Zwölfter Jahresbericht der Pollichta ; Neustadt 1854, waarin voorkomen : Beiträge zur Flora der Pfalz von Dr. G. F. Kocn. — Ueber die Arten, Abarten und Bastarde der Gattung Mentha, uber Polygonum Persicaria und mite minus und ihre Bastarde, Epilobium Lamyi, tetragonum, ob- 195 scurum und palustre, von Dr. F. ScnuLrz, Dreizehnter Jahresbericht der Pollichia, Neu- sladt 1855, waarin opmerkingen over Senecio flosculosus Au. Jorp. en Aster Linosyris van Dr. C. H. Scuuttz Bont: — Beiträge zur Flora der Pfalz von Dr. G. F. Koca. — Ueber die in der Pfalz vorkommenden Arten der Gattung Epilobi- um, und über Standorte und Verbreitung der Juncaceén und Cyperaceén in der Pfalz, von Fr. SCHULTZ. Statuten der Pollichia, eines naturwissen- schaftlichen Vereins für die Pfalz. Zweite Aus- gabe, Neustadt a. d. H. 1855. Van Dr, Wis: Plantarum tum patriarum tum exoticarum in Walachria, Zeelandiae insula, nascentium sy- nonymia, a. Casp. PirrErERIO Monspeliensi M. D. Middelb. 1610. Van Dr. C. M. v. p. Sanne LACOSTE: ALBERTI HArLERI Opuscula botanica cum tab. V. Göttingae 1749. Lichenographiae Suecicae Prodromus ab Erik Acnario. M. D. Lincopiae 1798. E. Acnarius M. D. Methodus Lichenum cum tab. VIII, Stocholmiae 1803. Lichenum Helveticorum Specilegium, Sect. Xi a L. E. Scnaeren. Bernae 1823—1842. Uber die Vegetationslinién des nordwestlichen Deutschlands, ein Beitrag zur Geographie der 196 Pflanzen, von A. GriseBacu. Göttingen 1847. Kort verslag der Vergadering, gehouden te Leyden 20 Julij 1855. (Overgedrukt uit den Al- gemeenen- Konst en Letterbode, n°. 36, 1855.) Behalve door deze belangrijke boekgeschen- ken is onze Bibliotheek nog door aankoop uit de nalatenschap van Dr. MoLkensoer vermeer- derd met RaBennorst’s: Deutschlands Kryptoga- men-Flora, in welk, met papier doerschoten, exemplaar vele aanteekeningen van onzen voor- maligen Conservator betreffende de inlandsche Fungi, gevonden worden, die voor de zamen- stelling onzer mycologische Flora onmisbaar _ zijn; terwijl hetzelfde werk tevens als handlei- ding voor het gebruik van het kryptogamisch Herbarium onzer Vereeniging dezelfde diensten bewijst als de Synopsis van Kocu voor de Pha- nerogamen. Daarenboven zijn voor rekening der Veree- niging genomen dertig exemplaren van het Ned. Kruidk. Archief, Deel IV 1*° stuk, waarin het Verslag der Vergadering van 1855 is geplaaist. Deze exemplaren zijn grootendeels bestemd voor de Corresponderende Leden, aan wie in vorige jaren slechts overdrukken van zoodanige Verslagen werden toegezonden. Daar nu dit tijd- schrift, behalve uit die verslagen, grootendeels uit bijdragen van de leden onzer Vereeniging be- staat, zal er door deze verspreiding eene meer- 197 dere bekendheid aan hun werk buitenslands ten deel vallen. De Hr. ve Bruyn heeft, zoo als hij schrif- telijk meldde, zijn onderzoek der inlandsche soorten van Rubus voortgezet en stelt zich voor, de uitkomsten daarvan in de Vergadering van het volgend jaar ter tafel te brengen. De Hr. Kros deelt mede, dat hij, voor zoo veel zijne bezigheden hem zulks toelieten, de omstre- ken zijner woonplaats (Zwolle) heeft doorzocht, maar bovendien eenigemeer afgelegene plaatsen, die weinig bekend zijn, in zijn onderzoek heeft opgenomen en wel de omstreken van Grams- bergen, Harderwijk, Dalfsen, Steenwijk, Om- men, Frederiksoord, Vilsteren, enz. Exempla- ren van de, door hem dáár verzamelde, plan- ten worden aan het Vereenigingsherbarium aangeboden. Als merkwaardig worden daaron- der opgemerkt: Corispermum Marshalli (in aard- appelvelden bij Vilsteren), Genista tincloria (in menigte bij Dalfsen), Fritillaria. Meleagris (bij Zwolle en clders in zoo groote menigte voor- komend, dat zij in ruikers te koop wordt aangeboden), enz. Het voorkomen ter aangedui- der plaatse van Cortspermum Marschall geeft aanleiding tot de opmerking, dat die plant, oorspronkelijk in de Caucasische landen. .in- heemsch, daar buiten slechts op enkele plaatsen 198 aangetroffen wordt, b. v. bij Schwetzingen; dat haar voorkomen op deze plaats wordt in ver- band gebragt met eene daar in 1813 opgerigte legerplaats der kozakken, en dat welligt het onderzoek, in hoeverre zoowel te Zandvoort als te Vilsteren eene dergelijke legerplaats geves- tigd zij geweest, de zonderlinge verspreiding dezer plant bij ons te lande bevredigend zal verklaren. Door D'. v. p. Bosca wordt mededeeling ge- daan van waarnemingen omtrent den bloeitijd van inlandsche planten, door het lid den Hr’. Bonpam hem toegezonden en ten doel hebbende om ons aan te toonen, dat bij vele gewassen de bloeitijd langer duurt dan doorgaans, en ook in den Prodr. Fl. Bat., opgegeven is. De eerste waarneming, gedaan 15 September 1855 over 99 planten, bewees: dat hiervan 37 werke- lijk overeenkomstig den opgegeven bloeitijd, bloeiden, terwijl van die soorten, bij welke Augus- tus als einde van den bloeitijd was opgegeven, 4% en van die, bij welke als zoodanig Julij was genoemd, 18 op dat tijdstip bloeijend waren waargenomen. Van die 99 bloeiden er den 54° October nog 49, waaronder 7, wier bloeitijd met Augustus verstreken behoorde te zijn, terwijl eindelijk den 341%" dier maand daarvan nog slechts 17 ‘overgebleven waren. De voort- 199 zetting en herhaling dezer waarnemingen, door den Hr. Bonpam toegezegd, worden als zeer wenschelijk beschouwd, eensdeels omdat juist het afgeloopen jaar (1855) zich kenmerkte door achterlijkheid in de vegetatie ten gevolge van het koude zomersaisoen en den zeer warmen herfst, ten andere, omdat daardoor blijken zal van het verschil tusschen den bloeitijd der soort, en het bloeijen van idividus, dat zeer dikwijls buiten dien tijd waargenomen wordt, naarmate de grociplaats voor de ontwikkeling der plant gunstig of ongunstig is. Van eenige, door datzelfde lid medegedeelde groeiplaatsen der Flora van Kampen, enz., zal, voor zoo ver dit niet reeds vroeger is geschied, im het doorschoten exemplaar der Vereeniging aanteekening worden gehouden. De Hr. v b. Sanpe Lacoste berigt, dat door hem eene excursie is gedaan op het eiland Wieringen; dat hij specimina heeft verzameld van alle planten, dáár waargenomen, en aantee- kening heeft gehouden van dezulke, die of reeds verwelkt, of nog niet genoegzaam ont- wikkeld waren, om als specimina te kunnen dienen. Daar de tijd hem ontbroken heeft, om een overzigt van den bodem en de vegetatie van dat eiland op te stellen, belooft hij, daar omtrent in de volgende Vergadering mededee ling te doen. 200 Gelijke belofte, wat betreft het eiland Schok- land, wordt door Dr. Kros gegeven. De ‘Hr. Surinear doet hierop de volgende mededeeling: M. M. H. H.! Gij zult U herinneren, dat ik op onze Ver- gadering van voorleden jaar de eer had, U eene verzameling van door mij bijeengebragte en bewerkte Algen aan te bieden. Daarna heeft onze geachte Voorzitter, Dr. v. p. Boscu, die tot nu toe de Algen voor onze Vereeni- ging bewerkte, maar daarin wegens andere „bezigheden voortaan verhinderd wordt, mij voor- gesteld, die taak uit zijne handen over te nemen. Ik heb zulks gedaan in de hoop, dat ook mij Uwe belangstellende medewerking niet zal ontbreken. Alvast heb ik een aanvang ge- maakt met het bewerken van den voorraad, die nog voorhanden is, en zoo spoedig mo- gelijk hoop ik daarmede geregeld voort te gaan. Hetgeen ik tot nu toe heb behandeld, zijn de Algen, welke door de Vereeniging op hare botanische excursie in de omstreken van Box- meer (Julij 1853) zijn bijeengebragt, en eenige van die, welke de Heer Buse vroeger te Zand- voort en elders aan het strand der Noordzee heeft verzameld. Reeds dit weinige zal U voldoende kunnen 201 overtuigen, welk een rijke bron tot nader on- derzoek deze plantenklasse in ons Vaderland nog steeds bevat. Immers onder de Algen, in den omtrek van Boxmeer verzameld, zijn twee soorten, welke tot nu toe in ons Vaderland niet wa- ren aangetroffen, en wel Botrydium Wallrothu Kg., en Batrachospermum affine Kg., waarbij ik de volgende bijzonderheden heb aangeteekend. Botrydium Wallrothi Kg. D. D. N° 6. aan de Maasoevers bij Mook en Heumen, op vochtige klei. Unio Boxmeer, Julij 1853. Van B. argillaceum, die reeds vroeger bij Goes was verzameld, onderscheidt zich deze soort gemakkelijk door hare lichtere, meer gele kleur, en door haren vorm. De bovenste blaas is nl. niet peervormig, maar gaat meer plotse- ling in de loodregt neerdalende, van onder ver- takte wortelbuis over. Deze is veel langer dan bij de vorige soort. Ook zijn de afzonderlijke plantjes meer geïsoleerd, zelfs dààr, waar zij tamelijk digt tegen elkander zijn gedrongen. In de grootte heb ik geen verschil waargenomen. Batrachospermum affine Kg. D.D. N°. 1. Unio Boxmeer, Julij 1853. Heipoelen bij Wij- chen en Malden, Kapel van Willebrordus. Ook deze soort laat, met betrekking tot de zekerheid harer naamsbepaling, geen twijfel 202 over, hcewel de beschrijving van Kirzine (Sp. p. 536) geene zeer scherpe kenmerken tegen- over die van B. moniliforme aanbiedt. Zoo als die beschrijving opgeeft, is de ver- takking meer dichotoom, vooral bij de hoofdtak- ken, en zijn de kransen iets platter. Zij vloei- jen echter, even als bij bij B. moniliforme, eerst nabij de uiteinden der takjes ineen. Behalve deze kenmerken, bevat zij echter andere, die niet in de genoemde beschrijving zijn opgenomen, maar zoowel bij vergelijking van exemplaren, als van de afbeeldingen in de Tabulae phycologicae dadelijk in het oog vallen. Vooreerst zijn de uiteinden der takjes eenig zins aangezwollen, maar wooral zijn de afzon- derlijke cellen (articuli Ke.) veel grooter en scher- per van vorm. Ik zou daarom voorstellen, bij de diagnose, zoo als die door Kurzine gegeven is, te voegen : »articulis oblongis vel rhombotdeis, saepe clava- tis, 15u—60p (+15 —; |) longis).” en bij de diagnose van B. moniliforme: »articulis oblongis vel clavatis , obtusis, 5y—20p. oo —tin ) longis”. Ook de collectie van den Hr. Buse heeft, al heb ik nog slechts een gedeelte daarvan kun- nen bewerken, reeds nieuwe bijdragen voor onze Algenflora opgeleverd, en wel: Micromega parasiticum Ke.? D. D. N°. 3. 203 Aan het strand bij Wijk aan Zee, legit Buse. De soortsbestemming is eenigzins twijfelach- tig, doordien deze tedere plant zoo vast op het glas was vastgekleefd, dat zij niet in alle op zigten naauwkeurig kon worden onderzocht. (”) Rhipidophora paradoxa Ke. D. D. N°. 9. Op Ceramium rubrum; bij Wijk aan Zee, Dec. 1843 legit Buse. Van R. oceanica duidelijk onderscheiden door de stevigere, meer vertakte stelen, en de groo- tere breedte van den bovenwand der loricae, ofschoon ik in de lengte geen onderscheid heb opgemerkt. — Loricae 5Ap—65p (5 —5 ) longae. — Chaetomorpha setacea Ke. D. D. N°. 2. Strand bij Wijk aan Zee; legit Bose. (*)In dergelijke gevallen kan ik zeer aanbevelen, een ge- deelte van den voorraad op slappen wijngeest te bewaren, waartoe korte reageerbuisjes of zoogenoemde „stof buisjes’ der chemici zeer geschikt zijn. Op de kurk, waarmede ze worden afgesloten, kan dan, even als op de andere exem- plaren, het N°. der collectie met inkt worden aangeteekend. Deze aanbeveling geldt tevens voor Spirogyra’s en andere vormeu, die door het droogen te veel veranderen, en dik- wijls geheel onkenbaar worden. Vele Algen nemen daarentegen, na opweeking, haren vorm genoegzaam terug, maar van deze drooge men, be- halve de exemplaren op papier, ook gedeelten, zoo veel mogelijk uitgespreid, op mica of glas, waartoe stukjes van ongeveer 13 Ned. duim in het vierkant wel het meest doel- matig schijnen te zijn. 204 Diam. 150p—200g (35° —14'"). Longit. paullo major—!/2—2 diam. Het aangehechte benedeneinde was niet aan- wezig. Dasya elegans Ac. D. D. N°. 5. In aliis Algis, Zandvoort. Jan. 1844; legit Buss. Klein en onvruchtbaar exemplaar, dat echter met de beschrijving van Ke. overeenstemt. Namens den H". WArraven wordt vervolgens voorlezing gedaan van eene door hem ingezon- dene bijdrage van dezen inhoud: De gelegenheid om de inlandsche soorten van het geslacht Zostera te onderzoeken, mij zoo ruimschoots, door de nabijheid van hare groeiplaats, geschonken, deed mij besluiten deze nader te beschouwen en mijne waar- nemingen daaromtrent mede te deelen. Het geslacht Zostera, behoorende tot de na- tuurlijke familie der Najaden, heeft, volgens Kocu, de volgende onderscheidende kenmerken. »De vrucht nootachtig, onder haar top aan de lijnvormige kolf vastgehecht. Bloemscheede in een blad eindigend.” Zoowel mannelijke als vrouwelijke bloemdee- Jen zijn in twee rijen tot eene lijnvormige één- zijdige bloemkolf vereenigd, zoodanig dat de vruchtbeginsels eenvoudig afwisselend, en de 205 antherae, wier aantal altijd dubbel zoo groot is als dat der vruchtbeginsels, telkens twee aan twee, eveneens afwisselend, over elkander zitten. Het stijltje is tweespletig en als ware het haakvormig op het vruchtbeginsel geplaatst; de helmknopjes zijn eivormig, in de lengte met eene spleet voorzien en even als de vrucht- beginsels ongesteeld. De kolf is besloten tusschen twee vliezige, in de lengte op een blad geplaatste, kleppen, die de bloemscheede vormen. Het stijltje, eerst uitgestrekt, bij en met de helmknopjes tusschen de bloemscheede besloten, rijst ten tijde der bevruchting in de hoogte en steekt met zijne twee tanden, tusschen de vliezige kleppen door , bijna regthoekig op het vruchtbeginsel staande, naar buiten, terwijl de helmknopjes ter plaatse van de overlang- sche spleet bersten, en eene gele slijmerige stof (het pollen) ontlasten. Later, wanneer de bevruchting heeft plaats gehad, zwelt de vrucht op, terwijl het stijltje zich weder, tusschen de vliezige bloemscheede, boogvormig naar bin- nen buigt, en zijne tanden wegvallen, en de helmknopjes verflensen en verdroogen. De wortel schiet diep in den grond, is rol- rond, mergachtig', geleed, en naar boven in takken verdeeld, waarop de zamengedrukte, drijvende, stengels zijn geplaatst. 206 De bladen, eveneens drijvende, ontspringen bundelsgewijze, van onder in vliezige schee- den gesloten en elkander door middel van vlie- zige kleppen omvattende, uit afwisselend ge- plaatste bladstelen. Zij zijn lijnvormig, gras- achtig, doorschijnend. generfd, onregelmatig gevensterd, en aan de punt rondachtig uitge- sneden. De bloeijende takken zijn verdeeld en hebben dikwijls van 4—8 en meer bloeijende kolven. ZOSTERA MARINA L. Bladen drienervig. Bloemstelen naar boven verbreed, zoo breed als de bloemscheede, aan de bovenvlakte gootachtig, korter dan de bloemscheede. Bloeikolf lijnvormig, uitgehold, met eenigzins breeden rand, 6—7 vruchtbe- ginsels bevattend. Het zaad of de noot cilin- dervormig, in de lengte gestreept. ZOSTERA NANA ROTH. Bladen éénnervig. Bloemstelen naar boven weinig verbreed, smaller dan de bloemscheede, aan de bovenvlakte ter naauwer nood gootach- tig, zoo lang alsof langer dan de bloemscheede. Bloeikolf langwerpig-ovaal, bijna plat, met smal- len rand, van weerszijden met bandjes of 207 - klaauwtjes voorzien, welke, met elkander af- wisselende, tegenover ieder der 4of 5 vrucht- beginsels staan, en over deze heenreiken. Za- den eivormig, glad. Beide inlandsche soorten worden aangetrof- fen op de slikken, minder in schorren , buitens- dijks, en wel bepaald in kommen of geulen, die bij den vloed telkenreize ondervloeijen, en bij de ebbe niet geheel en al droog loopen, maar zoo veel water behouden, dat de planten daarin bestendig onder blijven. Nog deelt de H". WALRAVEN *t volgende mede: Van de, tot de zeldzame inlandsche planten behoorende, Trifolium striatum L. vond ik ten jare 1854 een onvoldoend exempl. aan een dijkje onder Koewacht. Dit jaar en het vorige is het mij evenwel gelukt, daar ter plaatse, vol— doende exempl. te verzamelen. Van Nicandra Physaloides Gärtn., onder de twijfelachtige indigenen gerangschikt, vond ik vier exempl. in den zomer van 1855 alhier op een bed Radijs in een tuin. Naderhand werden mij daarvan ook exempl. toegezonden, die in het wild waren gevonden op Kersenburg bij Brigdamme (eiland Walcheren). Het is mij een genoegen, aan de indigenen van ons vaderland weder te kunnen toevoe- gen eene door Prof. Cop in der tijd als in- landsch vooronderstelde (zie verslag 8° Vergad.) 208 plant, namelijk Agrimonia odorata Ait. Deze soort vond ik het eerst in een Eikenboschje bij Zuiddorpe, daarna ook alhier te Hoek aan slootkanten. Bijzonder karakteristiek zijn de glinsterende ongesteelde kliertjes aan de ach- terzijde der bladen en op de vruchtkelken, waardoor zelfs jonge exempl. zeker genoeg van die van Agr. Eupatorium. kunnen onderscheiden worden. De vruchtkelken zijn klokvormig, niet diep, en kort gegroefd, ter naauwernood be- haard, even als de onderzijde der bladen, die dat donsachtige missen, hetwelk aan die der Agr. Eup. eigen is. De twee afzonderlijke in- volucra, één aan de basis van het bloemsteeltje, _ naar onder,en één, boven aan het bloemsteeltje, onmiddellijk tegen den vruchtkelk, met zijne slippen naar boven gerigt, leveren eenig ver- schil op bij beide soorten. De onderste invo- lucra zijn bij Agrim. Eup. 3- of soms 5-deelig, met lijn-lancetvormige slippen; bij Agrim. odorata daarentegen 3-spletig, met slippen die uit een breed eironden voet puntig uitloopen. De boven- ste involucra zijn bij Agrim. Eup. in twee deelen gedeeld, waarvan icder meestal in 3 punten uit- loopt; bij Agrim. odorata eveneens in tweeén ver- deeld, terwijl ieder deel uit een breed eironden voet slechts in ééne punt uitloopt. Vervolgens wordt door D'. v. p. Boscu de volgende bijdrage medegedeeld. 209 M.M. A. H.! In eene onzer vorige bijeenkomsten (1850) ont- haalde ons Dr. Dozy op eene belangrijke bij- drage over de vegetatie onzer duinen. Zij be- vatte, behalve eene uitvoerige opgave der plan- ten, die óf uitsluitend in de duinen voorkomen, of die deze met andere zand- en veengronden gemeen hebben, eene aanduiding der omstandig- heden, die aan die vegetatie een zeer eigenaardig karakter geven: omstandigheden, die, deels in de ligging der duinen, deels in de blinkende, door terugkaatsing der zonnestralen meer ver- warmde en verlichte, oppervlakte werden ge- vonden. Door vriendelijke tusschenkomst van ons Corresponderend Lid, den Hr. Lenormanp te Vire, onlangs bekend geworden zijnde met den inhoud van een geschrift, dat ik sedert dien tijd, maar te vergeefs, getracht heb in handen te krijgen, wensch ik U een en ander van den inhoud mede te deelen. De titel is: Observa- tions sur la végétation des dunes a Calais, par Ap. Stemnet. De onderzoekingen des Schrij- vers strekken zich uit over de duinstreken, die aan weerszijden van Calais zich twee uren ver uitstrekken. Als daar voorkomende planten noemt hij: Convolvulus Soldanella, uitsluitend aan de zuidwaarts gelegene hellingen, C. arven- sis, met dikkere, zeegroene bladen, Salix repens, Elymus arenarius, Triticum repens met 14 210 onderscheidene variëteiten , Galium erectum , ve- rum, Festuca cinerea, Psamma arenaria, Trifo- lium repens, fragiferum, Sedum acre, Viola tri- color var. sabulosa Dc. Prodr. (V. sabulosa Bo- REAU), Hieracium umbellatum (met lagen 1—5- bloemigen stengel), Solanum Dulcamara (met behaarde bladen), Orobanche coerulea, Triticum junceum, acutum, Betu maritima, Salsola Tragus, Cakile maritima, Plantago graminea, Inppophae, Caucalis Scandicina, Eryngium maritimum, Lo- tus corniculatus. Aan den voet der duinen, door het hoogwater bespoeld, worden daar gevonden: Poa procumbens, Statice Armeria, Artemisia maritima, Chenopodium maritimum, Sa- licormia herbacea, Alriplex Portulacoides, rosea en pedunculata, Glaux maritima, Arenaria mari- na en Peplotdes, Plantago maritima en Serraria, Rottboetlia incurvata, Hordeum maritimum, Agros- tis maritima, Aster Tripolium; in en aan slooten, enz., van brak water: Triglochin maritimum , Ruppia maritima, Juncus maritimus, Arundo Phragmites, Apium graveolens, enz. In de duin- valleijen vindt men : Schoenus nigricans, Galium palustre, Ranunculus Flammula, Gentiana Ama- rella, Chironia ramosissima, Parnassia palustris, Glyceria fluitans, Orchis latifolia, Rhinanthus Crista galli, Linum catharticum, Pyrola rotund- folia, Ophrys apifera, monorchis, Orchis Conop- sea, Juncus bufonius B. fasciculatus. 211 Uit dit overzigt, hoezeer het de blijken draagt van onvolledigheid en welligt slechts de resul- taten bevat van eenige weinige excursién, blijkt echter de overeenkomst der vegetatie van die duinen met de onze genoegzaam. Waarschijn- lijk dat bij een naauwkeuriger onderzoek zich nog meer punten van overeenstemming, maar ook punten van verschil, zouden opdoen. Want terwijl wij aan den eenen kant mogen voor- onderstellen, dat sommige duinplanten van ons vaderland, die tot de vegetatie van zuidelijker streken behooren, b. v. Euphorbia Paralias, Milium scabrum, Trifolium subterraneum en an- deren, in de duinen van Noord-Frankrijk niet zullen ontbreken, zoo is het aan den anderen kant waarschijnlijk, dat zij soorten bezitten, die zich niet verder noordwaarts verspreiden, evenzeer als wij in Psamma baltica, Erythraea littoralis en anderen vertegenwoordigers der noordelijke Flora hebben, die in de onze de zuidelijke grens harer verspreiding vinden. On- getwijfeld biedt dit onderwerp — ik bedoel de vegetatie der duinen aan de westkust van het Europesche vaste land — eene voor plantengeo- graphie hoogst belangrijke opgave aan. Een op- zettelijk onderzoek onzer duinvegetatie is reeds destijds door ons medelid aanbevolen. Ik wensch van harte, dat diegenen onzer leden, die daar- toe in de gelegenheid zijn, aan die aanbeveling 212 gehoor mogen geven en dat wij het genoegen zullen hebben, eerlang eene naauwkeurige duin- flora van ons land te bezitten. In verband ge- bragt met de flora’s der duinen, zoowel van Oost-Friesland, de Deensche hertogdommen en Jutland, als van België en Frankrijk, zou daaruit zeker eene hoogst gewigtige bijdrage voor plantengeographie ontstaan. Aan hulp en ondersteuning niet slechts van onze Correspon- derende Leden, maar ook van andere buiten- landsche Kruidkundigen, zou het den bewerker zeker niet ontbreken. Het overzigt der vege- tatie eener streek, waarvan de bodem overal dezelfde gesteldheid en menging bezit en waar- van de rigting met slechts korte tusschenpoo- zen, over ongeveer 15-graden breedte stand- vastig Noord en Zuid loopt, en die daardoor na- genoeg geheel in dezelfde verhouding staat tot de zon zoowel als tot de heerschende winden, zoodanig overzigt zou gewis belangrijke feiten voor de verspreiding der planten doen kennen. Hetzelfde lid doet mededeeling van zijne be- vinding omtrent het soortelijk verschil van Utri- cularia minor, intermedia en Bremii, door Prof. Cor in eene vorige Vergadering (zie verslag 1854) besproken. Zijn onderzoek van levende exem- plaren heeft tot bevestiging gestrekt van het soortelijk verschil dier planten en van haar 213 voorkomen, bepaaldelijk in veenachtige heide- plassen bij Malden en Heumen. De plek, waar door D'. Dozy en hem in 1853 eene Utricu- laria is verzameld, die bij gemis aan bioemen niet voor bestemming vatbaar was, maar in bladvorm. overeenkomst scheen te hebben met U. neglecta (zie dat verslag), is door hem aan den Hr. ABELEVEN aangewezen. De plant kwam daar nog voor, maar weder zonder bloem. De H°. Aseteven had echter gemeend, in haar eene soort te zien, die ook op andere plaatsen bij Nijmegen en wel bloeijend door hem was aan- getroffen en had zich voorgenomen, om van deze, zoowel als van de straks genoemde Utri- cularias, volledige exemplaren te verzamelen, en ze met afzonderlijke op liquor bewaarde bloe- men aan Prof. Cop toe te zenden, ter juiste bestemming van de in onze Flora voorkomende soorten. Van dit voornemen wordt door de Ver- gadering met belangstelling kennis genomen. De verhandeling over de Indische Hepaticae, vergezeld van afbeeldingen der, als nieuw be- schrevene, soorten door D*. v. p. SanpE LACOSTE, welke door de Koninklijke Academie zal wor- den uitgegeven, wordt door D'. Dozy besproken en aangehaald als voorbeeld van onze steeds toenemende kennis der vegetatie van Indië; het aandeel, dat de Vereeniging zich mag toeëigenen in die uitbreiding, is, zijns inziens, niet onbe- 214 langrijk, daar zij vooral bij hen de lust tot be» oefening der Kruidkunde gaande houdt en aan- wakkert, wier maatschappelijke werkkring aan die studie vreemd is. Dezelfde doet mededee- ling van een schrijven van D". J. WrrTEWAALL, die ten bewijze van zijne bijzondere belangstel- ling in de pogingen der Vereeniging, behalve het reeds vermelde geschenk zijner verzameling Fungi, haar de gezamenlijke soorten en vormen van Rubus aanbiedt, door hem vóór lange jaren bijeengebragt als bouwstoffen voor eene destijds voorgenomene bewerking van dat geslacht. D". Boursse Wits zegt, tijdens een kortstondig verblijf in Friesland, Pteris aquilina bij Beester- zwaag, en Osmunda regalis nabij ’t Oranjewoud onder Heerenveen te hebben aangetroffen. D". Oupemans deelt mede, dat hij zich een toestel heeft laten vervaardigen om planten te droogen, dat aanvankelijk aan zijne ver- wachting voldoet. Dit toestel bestaat uit een houten raam (iets langer en breeder dan het droogpapier, ’t welk men gebruikt), welks inwendige ruimte ingenomen wordt door een stuk fijn kopergaas (even als bij een chassinet), en dat gesteund wordt door 4 pootjes van 26 Ned. duim hoogte, en aan de 4 hoeken voorzien is van even zoo vele opstaande koperen stangen, welke dienen moeten om een tweede 215 raam, dat volmaakt aan het eerste gelijk en aan de 4 hoeken doorboord is, op te vangen en te steunen. De drukking wordt bij dit toe- stel aangebragt door ronde ijzeren schijven, wegende ieder 1 Ned. pond, die in ’t midden door- boord zijn en eveneens door de 4 koperen stan- gen kunnen worden opgenomen, hetgeen na- tuurlijk eerst dan geschiedt, wanneer het tweede raam is neérgelaten. De lengte der meergenoemde koperen stangen hangt af van de hoogte van het pak met planten, die men te gelijker tijd droogen wil, terwijl het aantal ijzeren schijven, welke men bezigt, geheel af- hankelijk is van de drukking, die men meent te moeten aanwenden. Dit toestel heeft niet alleen het voordeel, dat de lucht overal vrijen toegang heeft tot het droogpapier, maar ook dat de drukking, die men aanwendt, steeds dezelfde blijft, iets wat b. v. het geval niet is, indien men een toestel gebruikt, waarbij de drukking aangebragt wordt door riemen. Want, zoodra toch, onder ’t droogen, het vo- lumen van den inhoud des toestels vermin- dert, zullen de riemen in ’t laatste geval te wijd worden, terwijl in ’t eerste geval het bovenste raam in dezelfde verhouding zakt en immer aan dezelfde drukking onderhevig blijft. — Spr. hoopt later op de waarde van dit toestel terug te komen. 216 De Hr. v. p. Sanne Lacosre wenscht, dat de Vereeniging niet uit het oog verlieze, wat reeds bij herhaling vroeger besproken is, t. w. de ver- zameling van DE Gorter en andere oudere Kruid- kundigen. Betrekkelijk die van de Gorrer kan hij der Vergadering het volgende mededeelen : Reeds meermalen heeft onze Vereeniging het betreurd, dat verzamelingen van inlandsche plan- ten, door vroegere Kruidkundigen bijeengebragt, verstrooid. zijn of verloren zijn geraakt, waar- door wij de documenten voor onze Floramissen, en alzoo menig: punt in de geschiedenis daarvan duister blijft. De pogingen van den Hoogl. Cop, om het inlandsch Herbarium van pre Gorter op te sporen, hebben tot geene gewenschte uit- komst geleid. Ik heb het genoegen U mede te deelen, dat het inlandsche Herbarium van DE Gorrer nog bestaat, en gezien is door een lid der familie van genoemden Kruidkundige. Het is thans in het bezit van iemand, die buiten ons land woont. Met den Heer, die deze vérzameling, nog goed geconserveerd, gezien heeft, ben ik in briefwisseling getreden, ten éinde hem met het doel onzer Vereeniging be- kend te maken, en het wenschelijke te schet- sen, dat deze verzameling, ten bate der we- tenschap, op Neérlands grond mogt wederkee— ren, waartoe ik zijn veelvermogenden invloed 217 en zijne hulp inriep. Spoedig ontving ik een welwillend antwoord , inhoudende dat ZEd. zich sterk maakte, binnen betrekkelijk korten tijd met mij over het Herbarium van Prof. DE Gor- reR em verscheidene zijner werken nadere schikkingen te kunnen treffen „ waartoe ZEd. reeds de noodige pogingen had in ’t werk ge- steld en waarover hij mij binnen kort nader hoopte te schrijven. Daaraan sluit zich de opmerking van den Hr. Kros, dat het herbarium, in het bezit van de Overijsselsche Vereeniging ter bevordering van provinciale welvaart, hem is voorgekomen, pe GCRTER’S verzameling van inlandsche planten uit te maken; hij vermoedt uit dien hoofde, dat de straks bedoelde welligt eene collectie is, tijdens zijn verblijf in Rusland bijeengebragt. Hetzelfde lid deelt verder mede, dat de verza- meling, door Dr. Dassen nagelaten, zich in het bezit bevindt derzelfde Vereeniging, en dat hij vermoedt, dat, óf dáár óf in de thans te Leeuwarden bewaarde verzameling van het ge- wezen Athenaeum te Franeker, planten zullen te vinden zijn van Bruman, den Schrijver der oudste lokaalflora van Nederland. Een en an- der geeft aanleiding tot de aanbeveling aan den Hr. Kros van een nader onderzoek des- wege en tot de magtiging aan den Hr. v. p. 218 SANDE LACOSTE, om met de regthebbenden op de vermelde litterarische nalatenschap van DE Gor- TER in onderhandeling te treden. Niets meer te verhandelen zijnde, wordt de Vergadering gesloten , nadat door Dr. Dozy den honorairen voorzitter een woord van dankzeg- ging was toegesproken voor de uitmuntende wijze, waarop hij de Vergadering had geleid. Namens de Vereeniging voor de Flora van Ne- derland en zijne Overzeesche Bezittingen Dr. C. A. J. A. OUDEMANs, Secretaris. VERSLAG VAN DE TWAALFDE JAARLIJKSCHE VERGADERING DER VEREENIGING VOOR DE FLORA VAN NEDER- LAND EN ZIJNE OVERZEESCHE BEZITTINGEN , gehouden te Leiden, den 3°" Julij 1857. Aanwezig de H. H. Dr. R. B. van DEN Boscr uit Goes, Dr. H. Boursse Wits, Prof. W. H. pr Vriese, H. van Haut en Dr. W. F. R. SurINGAR uit Leiden, Dr. J. Ever- WIJN uit Noordwijk, Mr. L. H. Buse uit Renkum, Dr. C, A. J. A. OuprMaNs uit Rotterdam, Dr. C. M. van DER SANDE Lacoste, S. KNürreL en J. HARTSEN uit Amster- dam en pr A. J. Broun uit ’s Hage. Brieven van verontschuldiging over *t niet bijwonen der Vergadering waren ingekomen van de H. H. BurGersDIJK uit Breda, ABELEVEN uit Nijmegen, Kros uit Zwolle, Cop en Murper uit Deventer, STARING uit Haarlem en HART- MAN uit Utrecht, De Voorzitter. van het Bestuur, Dr. VAN DEN Boscu, vraagt en bekomt van de aanwezige leden de vergunning, om, uit hoofde van de afwe- zigheid van den Honorairen Voorzitter, D". Kros; 220 en uit aanmerking van het nog steeds onver- vuld zijn der betrekking van Vice-Voorzitter, deze Vergadering te openen en de beraadslagin- gen te leiden. In de allereerste plaats wenscht hij, ook namens den Hr. Boursse Wits, de redenen bloot te leggen van het uitschrijven der Verga- dering op eene andere plaats en op een ander tijdstip, dan ten vorigen jare was vastgesteld. en uit hij het vertrouwen, dat het belang dier re- denen den genomen maatregel bij de leden zal regtvaardigen. Nog onder den indruk van het treffend verlies, door de Vereeniging in den _loop van dit jaar geleden, terwijl een vroeger niet minder treffend verlies nog niet had kun- nen hersteld worden, hadden de beide overge- blevene leden van het Bestuur begrepen, dat in deze oogenblikken het van ’t overwegendst belang was, een zoo groot mogelijk aan- tal leden ter Vergadering te vereenigen, ten einde doeltreffende maatregelen voor de toe- komst te nemen. Van daar de keuze van Lei- den tot plaats van bijeenkomst. Met die ver- plaatsing verviel echter de noodzakelijkheid om zich aan het bepaalde tijdstip te binden en had men zelfs daarvan moeten afwijken, om de geneeskundigen, die de vergadering der Maat- schappij tot bevordering der Geneeskunde te Zwolle wenschten bij te wonen, in staat te stellen 224 aan dit hun voornemen gevolg te geven. Nadat de Vergadering met deze verklaring genoegen had genomen, vat de Voorzitter we- der het woord op, om aan eene behoefte te voldoen, die gewis alle leden der Vereeniging met hem deelen, en eenige oogenblikken te wijden aan de herinnering van het, zoo even kortelijk vermeld, treffend verlies. Hij zegt : Nog geene twee jaren zijn verloopen , sedert ik den treurigen pligt vervulde, om in uw midden, M. M. H. H.! te spreken over de ver- diensten van onzen vriend Dr. MorLkeENsoeR, in wien onze Vereeniging zoo veel verloren had, dat wij zijn verlies voor onherstelbaar hielden. Nog geene twee jaren zijn sedert verloopen en reeds wederom heeft de dood een offer van ons geéischt, — een offer, dat ons in dubbele mate smartelijk treft, omdat de dood hém van ons scheidde, die niet alleen gezind, maar ook in staat was, om aan onze Vereeniging het gemis van MoLkENBoER te vergoeden. Gij herinnert U toch, hoe Dozy zich niet slechts aanstonds be- reidwillig betoonde, om de omslachtige en tijd- roovende werkzaamheden van het Herbarium op zich te nemen, toen ze zijnen vriend te zwaar viel, maar ook daarmede gelijktijdig iedere andere verpligting als lid van ’t Bestuur waarnam, ja zelfs, bij afwezigheid van den Se- cretaris, diens werkzaamheid in en na de Ver- 222 gadering met trouw en naauwgezetheid ver- vulde. Trouwens hoe zou hij, die de volvoering der taak, waaraan hij jaren lang met zijnen vriend gearbeid had, na diens dood kloek en vastberaden alléén op zich nam, niet ook ten behoeve onzer Vereeniging, die hem zoo na aan het harte lag, een dubbelen last gaarne hebben gedragen! En in waarheid — onze Vereeniging lag hem na aan het harte. Hij beschouwde haar niet slechts als het eenige middel, om tot eene volledige en naauwkeurige kennis der Flora van ons vaderland te geraken, maar hij achtte het tevens hare roeping, om, door bevordering van eensgezindheid en onderlinge welwillend- heid , den band te versterken tusschen elkander vreemde en vaak niet bevriende beoefenaren der Kruidkunde. Waarneming en studie der ons omringende natuur te bevorderen en aan te moedigen, en dienstbaar te maken aan de uit- breiding en volmaking onzer kennis van het ge- heele planterrijk — dit was het, wat onze Ver- eeniging moest kenmerken en waarom hij haar lief had. De bijzonderheden van Dozy’s werkzaam le- ven zijn verzameld in het levensberigt, door den Hoogleeraar Vrouik, als Secretaris der Konink- lijke Akademie, opgesteld. In dat berigt is aan onzen vriend de hulde toegebragt , waarop zijne kennis en werken zoowel, als zijn karakter en 223 levenswandel regtmatige aanspraak hebben. Ik bied hetzelve der Vereeniging ten geschenke aan. De lezing er van zal U, M. M. H. H.! met te meer voldoening doen terugdenken aan hem, wien onze kring voor altoos moet missen. En wanneer gij daarin, en zoo geheel te regt, boven alles zijn edele inborst geprezen ziet, die, vreemd aan iedere baatzuchtige bedoeling, het hem tot een genoegen deed zijn, wanneer hij den arbeid en de verdiensten van anderen in een helder licht kon plaatsen — dan ben ik zeker, dat vooral in onzen kring de vermelding dier eigenschap van hem in aller harten weêr- klank vinden zal. In onzen kring toch, waar gemeenschappelijk streven naar één doel, waar onderling hulpbetoon om dat doel ook voor min geoefende en minder van hulpmiddelen voorziene medeleden bereikbaar te maken, de leuze is — daar moesten zijne welwillendheid , zijne mededeelzaamheid en hulpvaardigheid ruimschoots gelegenheid vinden, om zich in al hare beminnelijkheid te toonen. Er is dan ook zeker niemand onder ons, die niet menigmalen en op verpligtende wijze hulp, raad en teregt- wijzing van hem ontving. Moge dáárom onder ons vooral Dozy’s nagedachtenis in zegening blijven! Moge onze hulde deze zijn, dat wij uit de volheid des harten van hem getuigen: hij 224 was een regtschapen, een edel mensch, ons allen lief, hij is ons allen onvergetelijk! Overgaande tot de werkzaamheden, wordt nu in de tweede plaats door den Voorzitter aan de orde gesteld de benoeming van een Vice- Voorzitter en Conservator, ter vervanging van de H. H. Morkengoer en Dozy. Hij brengt vooraf in herinnering, dat, wat eerstgenoemde vaca- ture betreft, in de Vergadering des vorigen jaars, na het bedanken van D". v. p. SANpE Lacoste voor de op hem uitgebragte benoeming, besloten is in deze Vergadering tot eene nieuwe benoeming over te gaan. De uitslag der stemming was deze, dat tot Vice-Voorzitter benoemd werd M'. L. H. Buse, en tot Conservator Dr.W. F. R. Suringar. Beide H. H. lieten zich de op hen uitgebragte keuze welgevallen. Hierna doet de Voorzitter de volgende drie voorstellen : 1°. Om een ruimer lokaal te huren en een of meer kasten aan te koopen, ter berging van het in de laatste jaren aanmerkelijk uitgebreid Herbarium, de Bibliotheek , en andere eigen- dommen der Vereeniging; 2°. om een nage- laten manuscript van Dr. F. Dozy, inhoudend eene naamlijst van inlandsche Hymenomyceten, als 34° stuk van het 2% deel van den Prodro- mus te doen drukken, en 3°. om voor de uit 225 dat alles voortspruitende buitengewone uitgaven, welke nog vermeerderd zullen worden door . het aanstellen van een amanuensis voor den Conservator, eene subsidie aan te vragen bij de Regering. — Het eerste voorstel werd zonder discussie goedgekeurd. Het tweede echter vond een warmen bestrijder in den Hr. Buse, aan wien het in het licht geven van het nagelaten manuscript van Dr. Dozy vooral daarom min- der wenschelijk voorkwam , omdat het niet ge- bleken was dat de Schrijver zelf dat manu- script voor den druk bestemd had. — Nadat Dr. v. p. Boscu echter de verklaring had afgelegd, dat D". Dozy hem, bij zijn leven, meermalen mondeling over een afgewerkt stuk gesproken had, handelende over de inlandsche Hymenomy- ceten, ’t welk geen ander dan het in zijne nalaten- schap gevondene wezen kon, werd ook het 2° voor- stel des Voorzitters aangenomen. Het 3° voor- stel gaf tot de vraag aanleiding, of het beter ware, bij de Regering op eene jaarlijksche subsi- die dan wel op eene geldelijke toelage in eens aan te dringen. Na eenige discussie werd besloten, dat de laatste maatregel de voorkeur verdiende, weshalve de Secretaris werd uitgenoodigd om aan de Regering eene som van f 500.— aan te vragen, ten einde de door den Voorzitter opgenoemde uitgaven te bestrijden. De Voorzitter rigt thans de vraag tot den 15 226 Secretaris, of door hem gevolg werd gegeven aan het besluit, genomen in de Vergadering van 1856, om namelijk 1°. alle Corresponde- rende Leden uit te nocdigen om op te geven, welke werken en verslagen zij van de Veree- niging ontvingen, ten einde het Bestuur in staat te stellen deze hunne collectie, zoo noodig, met het ontbrekende aan te vullen, en 2° om aan de H. H. Norre te Kiel en Dumortier te Doornik de vraag te rigten, of hun stilzwijgen na hunne benoeming tot Corresponderend Lid onzer Vereeniging, in zich sluit, dat zij die benoeming niet aannemen, en, wanneer dit het geval mogt zijn, bij die H. H. aan te drin- gen op terugzending der werken, welke zij van de Vereeniging ontvingen. De Secretaris ant- woordt, dat hij aan dat besluit geen gevolg gegeven heeft, en wordt dien ten gevolge nog- maals dringend uitgenoodigd om aan dezen, hem thans op nieuw opgedragen last zoo spoe- dig mogelijk te voldoen. — Daar er van den H". Korrnars, op de vergadering van 1856 be- noemd om een verslag uit te brengen omtrent de bemoeijingen onzer Vereeniging aangaande de Flora onzer overzeesche bezittingen en om- trent den toestand van haar exotisch Herbarium, niets was ingekomen, werd de Secretaris ver- zocht, den H™. Korrnars aan deze hem opge- dragene werkzaamheid nogmaals te herinneren 227 en_beleefdelijk te verzoeken, die althans voor de volgende Vergadering in gereedheid te bren- gen. De Secretaris doet mededeeling van,de inge- komene stukken. Hieruit blijkt dat als leden der Vereeniging bedankt hebben de.H. H. For- NARA en GEBEL, terwijl zich als zoodanig aan haar hebben aangesloten de H. H. J. HARTSEN en S. Krürrer, beiden uit Amsterdam en ter vergadering tegenwoordig. Verder brengt hij ter tafel twee brieven, een van den H". Bur- GERSpIJK en een van den H°. ABELEVEN, ‚beide wenken bevattende omtrent. de toekomstige re- geling van de werkzaamheden der Vereeniging. Na kennisneming van den inhoud wordt beslo- ten, beide brieven ter gelegener tijd nogmaals ter tafel te brengen. Verder berigt hij, dat de Bibliotheek verrijkt is geworden met de volgende werken , als: Van de Smithsonian Institution : Tenth annual Report of the board of regents of the Smithsonian Institution. Washington 1856. / Report of the commissioner of patents for the years 1854 and 1855. Washington 1855, 1856. Joseen Jones Investigations both chemical and physiological refative to certain American vertebrata. 228 Publications of learned Societies and periodi- cals in the library of the Smithsonian Institu- tion. Part. II. Van den Heer J. Kickx te Gend: Essai sur les variétés indigenes du Fucus ve- siculosus. Gand. 1856. Van den Hr. R. S. Tyapen Mopperman zijne Dissertatie over de leer der Osmose. 1857. Van den Hr. W. F. R. Surinear zijne Ob- servationes. phycologicae in Floram Batavam. c. tab. col. 1857. Van den Hr. C. M. v. p. Sanne LACOSTE zijne Synopsis Hepaticarum Javanicarum. 1856. Van den Hr. Le Joris de »Mém oires de la Société Impériale des Sciences naturelles de Cherbourg”. 3° vol. 1855. Van den Hr. W. H. pe Vriese zijne »Uitkom- sten der Kina-kultuur in Ned. Indië in 1856.” 1857., en verder: | M. Léon Sovseman. Une course aux Iles d’Houat et d’Holdic; M. Léon Sovuseman. Sur la matiére sucrée de quelques Algues. Van den Hr. M. L. H. Buse: PrexcK. Physiologia et pathologia plantarum ; 1794. Preror. De Mudar s. Calotropi gigantea. 1839. Kuiper v. WASCHPENNING. Eerste naamlijst van planten uit de omstreken van Breda. 1826. 229 Hierna brengt de Commissie, belast met het nazien der rekening van het afgeloopen jaar, en bestaande uit de H. H. pe Vriese en OupdE- MANS, verslag uit, en stellt zij voor, die goed te keuren. Dienovereenkomstig wordt besloten. Alsnu vraagt en erlangt Dr. v. p. SANDE La- coste het woord, om eene schets voor te dra- gen van de vegetatie van het eiland Wieringen. Hij zegt: M. M. H. H.! In onze voorlaatste bijeenkomst heeft onze geachte Voorzitter verslag gegeven van twee belangrijke bezendingen van planten, door den Heer WALRAVEN in Staats-Vlaanderen en door D", Kros op het eiland Ameland bijeengebragt. Hij wees tevens op de vele plaatsen in ons land, die in een kruidkundig opzigt slechts opper- vlakkig of in het geheel niet onderzocht zijn. Hiertoe behoorden onder anderen de eilanden, in de Noord- en Zuiderzee gelegen. Van het ei- land Ameland bezitten wij voorzeker nu de volle- digste en naauwkeurigste kennis. De hoogleeraar Harting gaf in zijn werkje: »het eland Urk” eene naamlijst der phanerogamische planten, * welke daar ter plaatse ontdekt zijn. Of die op- gave echter naauwkeurig zij, zoude uit het onderzoek der verzameling zelve moeten blijken. Voorshands hebben wij grond, volgens opmer- 230 king van onzen Voorzitter, daaraan te mogen twijfelen. Als voorbeeld. onder anderen van hoogst twijfelachtige diagnose noem ik Jun- cus trifidus L., eene plant, die de rotsspleten der Alpen en der hooge gebergten van Duitsch- land ‘bewoont. Zoude' deze op het alluvium van Urk voorkomen en daarentegen ontbreken Jun- cus Gerardi Lois., die zoo menigvuldig op zilte kleigronden wordt aangetroffen ? Onze kennis omtrent de vegetatie van het eiland Wieringen is nog zeer gering. De GORTER geeft in-zijne Flora VIL provinciarum, als aldaar groeijende, de volgende planten: op: Potamoge- ton natans , Plantago” major; Salsola fruticosa; Zostera marina, Zostera oceanica, Fucus vesiculo- sus, Fucus ceranoides, Fucus nodosus en Fucus Fi- lum. Reinwarvr vermeldt Atriplex portulacoides. Later schijnt Wieringen niet: onderzocht te zijn. In het midden der maand Junij van het vo- rig jaar deed ik een uitstapje naar dit eiland en vertoefde daar anderhalven dag: Hoewel tot de juiste kennis van de vegetatie eener land- streek ééne enkele excursie onvoldoende is. te achten , en er meer, in verschillende tijden van het jaar, moeten ondernomen worden , zoo meende ik echter de uitkomsten van dat on- derzoek U niet te: mogen «onthouden; welligt spoort het anderen aan; de leemten aan te vullen, of ons met de planten van andere eilanden of 231 weinig onderzochte streken bekend te maken. Wieringen, het grootste en noordelijkst gele- gene der Zuider-Zee-eilanden, heeft een omtrek van omtrent 5 uren gaans, de polder het Nieuw- land niet medegerekend, die aan de zuidzijde van het eiland ligt, en, wegens den beperkten tijd van dit onderzoek, werd buitengesloten. Het westelijk gedeelte van dit eiland is het hoogst, en de bodem heuvelachtig of golvend; het overig gedeelte is vlak en lager. De bodem bestaat uit gemengden grond, namelijk klei en zand in verschillende verhoudingen. In het heuvelachtig gedeelte vooral treft men gerolde steenen aan. In het middengedeelte is de bodem meer kleiachtig en met eene dunne veenkorst op vele plaatsen bedekt. In het oos- telijk gedeelte eindelijk wordt meer zand aan- getroffen en een gedeelte enkele klei. Het ei- land wordt door wier- en aardendijken en zee- weringen beveiligd. Strand is er óf niet aanwezig, óf aan de noordzijde van het eiland zeer gering, en, althans aan de oppervlakte, zanderig en zoo zeer bedekt met Zosteru, welke door de zee wordt opgeworpen, dat er schaars eenige phanero- gamische planten kunnen tieren. Het geheele eiland is begroeid en vruchtbaar. Men vindt er geene heide-, duin- of dorre zandgronden. Rogge en aardappelen worden er het meest ver- bouwd; het grootste gedeelte echter is weiland. 232 In hèt hooge gedeelte zijn de landen door aarden wallen begrensd, en het overige door sloten. Wegens het voorafgegane koude voor- jaar, en welligt ook ten gevolge van de ligging aan zee, waren de planten in ontwikkeling ten achteren en bloeiden zij er later. De graszode in de weilanden en aan de dijken is kort en fijn, hoofdzakelijk bestaande uit Trifolium repens, Cynosurus cristatus, op vochtiger plaatsen met Alopecurus geniculatus en Juncus Gerardi. Het karakter der Flora is alluviaal, maritiem. Aan de aarden wallen echter treft men in wei- nige exemplaren sommige planten aan, die meer aan het diluvium eigen zijn, zoo als Fes- tuca Myurus , Avena praecox, Lepigonum rubrum, Ornithopus perpusillus en in eene drinkput voor schapen Peplis Portula. In de weilanden van hetmiddenste en meer veenachtig gedeelte groei- den Lychnis Flos Cuculi, Rhinanthus major, Eu- phrasia officinalis, Hydrocotyle vulgaris, Cirsium palustre, Scirpus Tabernaemontani, Eriophorum angustifolium, Triglochin maritimum en palustre, Orchis Morio en Orchis latifolia, Carex vulga- ris en Ophioglossum vulgatum; op zandiger plaatsen Carex panicea en Carex leporina en op de klei Hordeum secalinum. Ranunculus Philone- tis treft men er in verschillende vormen en zoo menigvuldig aan, dat vele plaatsen in de wei- landen door de bloeijende planten geel gekleurd 233 waren. In bouw-, vooral aardappellanden komt als lastig onkruid veel voor Raphanus Ra- phanistrum, hier en daar eene Setaria (nog niet bloeijend). Tusschen het koorn omtrent Oosterland en den Oever groeiden Myosurus minimus, Papaver Argemone, Centaurea Cya- nus, Fumaria officinalis, Sisymbrium Thalianum, Spergula arvensis, Alchemilla arvensis, Vicia sativa, Ervum hirsutum, Viola tricolor var. ar- vensis, Lycopus arvensis en Euphorbia Helt- oscopia. Langs de wegen, die in het heu- velachtig gedeelte soms hol zijn: Anthriscus vulgaris, Ranunculus bulbosus, Senebiera Coro- nopus, Trifolium pratense en fragiferum., Sisym- brium Sophia, Juncus bufonius en Glyceria distans. In de slooten trof ik aan eenige Batrachia, Hip- puris vulgaris, Myriophyllum spicatum, Calli- triche vernalis, Hydrocharis Morsus ranae, Za- nichellia palustris, Potamogeton natans en eenige andere soorten van dit geslacht, doch nog niet bloeijend en uitsluitend behoorend tot de sectie met lijnvormige bladen, Lemna trisulca en minor. Even als in de brakke wateren van Amsterdam , ontbraken hier de geslachten Hot- tonia, Sparganium, Stratiotes, Limnanthemum, Nymphaea, Nuphar en Sagittaria, en daarenbo- ven Scirpus lacustris. De dijken bestaan of ge- heel uit wier, of de binnenglooijing is klei, of eindelijk. de geheele dijk bestaat uit klei. De 234 wierdijken zijn krijtwit en bevatten geene plan- ten. Op de klei der dijken kwamen voor als zeldzame planten : Torilis nodosa bij het Nieuw- land, Cochlearia Danica bij-den Oever en Sagina stricta. aan’ de noordzijde van Hipolitus-hoef. Op het weinige strand ontwikkelden zich eenige Chenopodeae en Triticum; op de slib bij ‘het Nieuwland: Salicornia herbacea, soorten van Lepi- gonum, Schoberia maritima, Kochia: hirsuta’ en Glaux maritima; op eene zanderige vlakte aan zee bij den Oever Halianthus peplotdes en Sedum acre. Als zeldzame planten van dit eiland zamelde ik op eene kleistrook tusschen den: Oever en Oos- terland : Plantago” maritima, Statice elongata, Statice Limonium en Artemisia: maritima; zeer zeldzaam. is Alopecurus bulbdsus. Van het geslacht Atriplex was A. littoralis alleen met zekerheid te bestemmen Men! vindt aan de binnenzijde der dijken de zoogenoemde dijks—putten.. Zij waren omzoomd door Phragmites communis, Scirpus maritimus, Typha angustifolia, Oenanthe fistulosa, Alisma Plantago en Aster Tripolium. Waren deze putten droog en ‘begroeid, zoo bestond de zode uit. Alopecurus geniculatus, Myosotis palustris, Agrostis, Heleocharis lacustris en uniglumis en slechts eenmaal werd Cineraria palustris gezien. Boomentreft men uitsluitend bij de dorpen en buurten «aan; zij behooren. tot Ulmus , Salix, Fraxinus, Populus-en Alnus. Tusschen Westerland 235 en Hipolitus-hoef ligt eene eendenkooi in een boschje, de groeiplaats van twee Filices, be- nevens Aegopodium Podagraria, Urtica dioica, Galium Aparine, Geranium Robertianum, Geum urbanum en Anthriscus sylvestris. Daar, waar de oever zanderig: is en bij lage zee omtrent twee ‘voeten\:water bevat „ groeit Zostera nana, hier en daar in boschjes ; waar de zee dieper is en de bodem klei bevat, vindt men Zostera marina. Wegens de hooge zee heb ik die merkwaardige. wiervelden niet ge- zien ; met moeitevhad ik het geluk door mid- del eener dregge eenige planten: uit de’ diepte op te halen. Tete De lijst, welkeik U-overleg, bevat-de namen van omtrent. 150 phanerogamische -planten van Wieringen , meerendeels-door mij verza- meld en aan ‘het Herbarium onzer Vereeni- ging toegezonden. Wanneer men echter bij deze naamlijst de soorten konde voegen, die nog niet bloeiden of geene: vruchten droegen en daardoor niet met zekerheid te bestemmen waren , zoo als uit de genera Atriplex, Cheno- podium, Rumex, Polygonum, Agrostis „ Triti- cum, Potamogeton, Ruppia, Lappaen anderen, dan kan het getal derop Wieringen groeijende Phanerogamen, ligt op 200 soorten geschat worden. Bij inzage der lijst zult Gij welligt vele 236 soorten missen, welke men wel eens algemeene noemt, zoo als: Alopecurus pratensis, Dactylis glomerata, Phleum pratense, Symphytum — offi- cmale, Galium Mollugo, Daucus Carota, Hera- cleum, Carex riparia, enz. Ik heb echter deze soorten niet opgemerkt; even zoo schijnen Apium graveolens, Althaea officinalis en Equisetaceae te ontbreken. Vergelijkt men nu de vegetatie van Wierin- gen met die der overige Zuiderzee-eilanden , zoo blijkt het, voor zoo verre onze kennis strekt, dat ieder eiland eene verschillende Flora heeft. Het eiland Schokland immers bevat, vol- gens mededeeling van D". Kros in onze vorige bijeenkomst, slechts eenige zeeklei- en vooral moeras- en oeverplanten. De planten van het eiland Marken zullen niet veel verschillen van die, welke de kleioevers van het Yen de bui- tendijksche gronden bij Monnickendam bewonen. Eene nog niet genoeg onderzochte Salicornia (+) heeft welligt Marken met het nabijgelegen Monnickendam gemeen. — Het eiland Wierin- gen. bevat reeds eenige planten , die op hoogere diluviaal-.en zandgronden in ons land voorko- men, en eene soort, die langs zeeduinen groeit. Het getal duinplanten is op Urk reeds groo- (+) De zaden zijn pilosa, pilis aduncis, Behooren deze planten tot. 8. radicans Sm.? Verg. Prodr. Fl. Bat. I. p. 2 7 237 ter. Volgens de plantenlijst van Urk, zouden in moeras op dat eiland Carex stellulata en op het alluvium Juncus squarrosus groeijen, beide soorten, die alleen onze lage veenachtige heidevelden bewonen; zoodat de vegetatie van Urk een overgang zoude vormen tot die der Noordzee-eilanden, b. v. Texel en Ameland, waar duin-heide en alluviale klei-vegetatie ver- eenigd zijn. Nog een enkel woord over de celplanten van Wieringen. Mijn onderzoek daaromtrent is hoogst onvolledig. Zij mogen echter niet ont- breken, wil men een beeld ontwerpen van de vegetatie eener landstreek. Zij zijn daartoe on- misbaar. De maand Junij is echter voor cryp- togamische nasporingen niet zeer gunstig. Mogt dus het onderzoek der cryptogamische Flora van Wieringen nog veel te wenschen overlaten, de weinige gevondene planten lei- den tot gewigtige gevolgtrekkingen. De betrek- kelijk weinige Musci, Hepaticae en Lichenes , die er voorkomen , duiden reeds den bebouw- den grond aan, waar geboomte zeldzaam is. Aan de aarden wallen groeiden Barbula su- bulata, ruralis, Ceratodon purpureus, Dicranum scoparium, Polytrichum piliferum, Hypnum albi- cans, Bryum argenieum, Peltigera canina en Cladonia fimbriata; langs de wegen aan grep- pels Pottia Heimii, Funaria hygrometrica, Bryum 238 inclinatum en intermedium; in het boschje van de. eendenkooi Ramalina calicaris, Evernia pru- nastri, Parmelia parietina; in ‘weilanden Hyp- num rutabulum, squarrosum, cuspidatum en lu- tescens; aan schuttingen en muren Lecidea ca- nescens (zonder vrucht); aan boomen Parmelia pulverulenta en stellaris, Hypnum cupressiforme, Leskea sericea, Zygodon viridissimus , Orthotri- chum fastigiatum, diaphanum en phyllanthum, Barbula laevipila en. Frullania dilatata; in de begroeide dijksputten Hypnum cordifolium , Mni- um hornum, Aulacomnion palustre, Marchantia polymorpha, Lophocolea bidentata en Junger- mannia bicuspidata; aan de steenen zeeweringen _Parmelia. parietina, murorum,: nigra, subfusca en menigvuldig . Verrucaria maura. De Algen , door pe Gorter vermeld, werden teruggevonden aan de zeeweringen; Fucus ceranoïdes groeit op het strand, vastgehecht aan muursteenen ; Chorda Filum aan steenen en schelpen. Deze wordt door de eilanders zeepier genoemd. De Algologen wacht de rijkste oogst. NAAMLIJST DER PHANEROGAMISCHE PLANTEN OP WIERINGEN GEZIEN, den 15 Juny 1856. Myosurus minimus. Batrachium sp. Ranunculus acris. — — repens. — — _ bulbosus. — — Philonotis. —— sceleratus. Papaver Argemone. Fumaria officinalis. Cardamine pratensis. Sisymbrium Sophia. —— Thalianum. —— officinale. Cochlearia danica. Capsella Bursa pastoris. Senebiera Coronopus. Raphanus Raphanistrum. Viola tricolor, var. arvensis. Lychnis Flos cuculi. Sagina procumbens. —— stricta. Spergula arvensis. Lepigonum rubrum. es sp: Halianthus peploides. Stellaria media. Cerastium semidecandrum. triviale. Geranium Robertianum. == § Erodium Cicutarium. Ononis spinosa. Trifolium pratense. tragiferum. —— repens. —— filiforme. Lotus corniculatus. uliginosus. Ornithopus perpusilius. Vicia Cracca. —— sativa. Ervum hirsutum. Geum urbanum. Rubus caesius. Potentilla anserina. reptans. Alchemilla arvensis. Myriophyllum spicatum. Hippuris vulgaris Callitriche vernalis. Peplis Portula. Scleranthus sp. Sedum acre. Hydrocotyle vulgaris. Aegopodium Podagraria. Berula angustifolia. Oenanthe fistulosa. Torilis nodosa. Anthriscus sylvestris. vulgaris. Galium Aparine. —— palustre. Aster Tripolium. Bellis perennis. Gnaphalium uliginosum. Artemisia maritima. Achillea Millefolium. Anthemisvel Matricariasp. Cineraria palustris. Senecio vulgaris. —— sp. Cirsium laneeolatum. —— palustre. —— arvense. Carduus crispus. Lappa sp. Centaurea Cyanus. Thrincia hirta. Taraxacum officinale. Sonchus asper. Convolvulus arvensis. Lycopsis arvensis, Myosotis palustris. versicolor. Solanum Duleamara. Veronica sp. Rhinanthus major. Euphrasia officinalis. —— Odontites. Lamium amplexicaule. Ballota foetida. Leonurus Cardiaca: Glaux maritima. Statice elongata. —— Limonium. Plantago major. — — lanceolata. —— maritima. —— Coronopus. Schoberia maritima. Salicornia herbacea. Kochia hirsuta. Chenopodium sp. Blitum sp. Atriplex littoralis. —— sp. plures. Rumex acetosa. —— sp. plures. Polygonum aviculare. —— Convolvulus. sp. plures. Euphorbia helioscopia. Urtica urens. dioica. Ulmus sp. Salix sp. Alnus glutinosa. Hydrocharis Morsus ranae. Alisma Plantago. Triglochin maritimum. —— palustre. Potamogeton pusillus. —— pectinatus == natans. sp. Zanichellia palustris. Zostera marina. —— nana. Lemna trisulca. —— minor. Typha angustifolia. Orchis Morio. —— majalis. Juncus lamprocarpus. —— Gerardi. bufonius- —— sp. Luzula campestris. Heleocharis palustris. uniglumis. Scirpus Tabernaemontani. maritimus. Eriophorum angustifolium. Carex vulpina. —— leporina. —— vulgaris. —— distans. — — panicea. Setaria sp. 241 Anthoxanthum odoratum. „Festuca duriuscula. Alopecurus bulbosus. —— Myurus. geniculatus. Bromus racemosus. Agrostis sp. —— mollis. Phragmites communis. —— sterilis. Avena praecox. Triticum repens. Poa annua. —— sp. —-— pratensis. Hordeum raurinum. Glyceria fluitans. —— secalinum. —— distans. Lolium perenne. Cynosurus cristatus. Nog vermeldt de H". v. p. Sanne Lacoste, dat het hem gebleken is, dat Hypnum riparium €. pseudostellatum van onzen Prodromus gebragt moet worden tot Amblystegium polygamum Br. et Scu., terwijl hij eindelijk, ook in naam van de H. H. Harrsen en Kniirrer, de volgende bijdrage levert tot de Flora van Amsterdam: M.M. H. H! In den Prodromus Florae Batavae maken Dozy en Morkensoer opmerkzaam op eene soort van Sphagnum, voorkomende bij Amsterdam en door zeer groote perichaetiaal-bladeren af- wijkende en misschien soortelijk verschillende van Sph. capillifolium. De bedoelde soort, van genoemde groeiplaats in mijn Herbarium aanwezig, onderzoekende, bleek het mij weldra, dat zij volkomen over- eenstemt met de beschrijving en afbeelding 16 22 van Sphagnum fimbriatum Wimson, te vinder in de Bryologia Britannica. (°) Zij wijkt niet alleen door de groote perichae- tiaal-, maar ook door hare stengelbladen van de verwante Sph. acutifolium af. Deze sten- gelbladen namelijk zijn omgekeerd-eirond, ter- wijl hun weefsel, in de nabijheid van den bree-. den top, zeer los is en de mazen aan den — top zelven aan de boven- en buitenzijde, niet gesloten zijn, zoodat de rand zich vertoont als met franje versierd. Volgens Wirson ontbreekt aan deze soort steeds de roode tint, die zoo menigwerf bij Sph. acutifolium wordt waargeno- men. Volgens C. Mutter zijn Sph. acutifolium Enru. en Sph. fimbriatum Witson synoniemen. Bij het herzien der Sphagna in het Herbarium der Vereeniging, en inzonderheid van Sph. ca- pillifolium, zal moeten blijken, of de exempla- ren, onder dezen naam aldaar nedergelegd, alle (*) Van deze plant is het eerst gewag gemaakt door Dozy (Bijdrage tot de Anat. en Phytogr. der Sphagna 1854), en later door Hooker Jr. en Witson in hunne Muse. An- tarct. p. 92. De diagnose in Witson’s Bryologia Britannica, in het jaar 1855 in het licht verschenen, is: Sphagnum fimbriatum WiLsoN ; stem slender, elongated, with very deflexed attenuated branches; stem-leaves obovate, very broad and obtuse, fimbriated ; branch-leaves ovate lanceolate, acuminate; perichaetial leaves obovate, obtuse , cucullate; capsule on a short pedicel. t. a. p. Bladz, 21. Pls axe 243 tot Sph. fimbriatum of, naar ik gis, gedeeltelijk tot Sph. acutifolium behooren. Zeker is het, dat deze fraaije plant ook gevonden is bij Zeist en Warmond. Zij schijnt derhalve in ons land niet zeldzaam te zijn. Hierna deelt dezelfde nog het volgende mede: M. M. H. H.! Ik wensch, als bijdrage tot de kennis der Flora van Amsterdam, uwe aandacht te ves- tigen op de vegetatie eener streek, welke aan vroegere botanische nasporingen ontgaan was. Ik bedoel den weeken sponsachtigen veengrond, gelegen tusschen Oud-Diemen, de watermolens en het Gemeenlands-huis. Als weiland is deze plaats voor als nog ongeschikt en gevaarlijk. Het voorkomen van Oenanthe Lachenalii, Althaea officinalis en Scirpus Tabernaemontani pleit voor den brakken aard van dien grond. Wij von- den er onder anderen de volgende, voor de Flora van Amsterdam meerendeels nieuwe, planten: Drosera rotundifolia , Potentilla erecta, hier en daar Lonicera Periclymenum, Platanthera bifo- ha, Orchis incarnata en Hydrocotyle vulgaris, Bryum nutans, Br. bimum, Polytrichum gracile, Aulacomnion palustre, Spaghnaecetis communis en vegetior, Jungermannia bicuspidata en vul- garis en J. diwaricata. Een boschje daar tre 244 plaatse, hetwelk blijkbaar wild opgeslagen is, bestaat uit Betula pubescens en Alnus glutinosa. Hierin groeijen Erica Tetralix, Empetrum ni- grum, Juniperus communis, Prunus Padus, Ru- bus fruticosus, R. caesius, Sorbus Aucuparia, Epilobium angustifolium, Hypnum triquetrum , H. Schrebert, Polytrichum commune, P. strictum, Peltigera canina en Cladonia rangiferina. Rond- om het boschje is de grond moerassig en be- groeid met Euphorbia palustris, Sonchus pa- lustris, Lysimachia vulgaris en LE. thyrsiflora, Calamagrostis lanceolata, Polystichum cristatum, P. spinulosum (P. Thelypteris schijnt daar te ontbreken), Hypnum polygamum Bryol. Eur. (=H. riparium var. pseudostellatum Prodr. Fl. Bat.) rijkelijk vruchtdragend, Hypnum denticu- latum , Mnium hornum, Dicranum palustre met vrucht, Lophocolea bidentata, Chiloscyphus pal- lescens , Jungermannia ventricosa 8. laxa en B” attenuata, J. incisa, Aneura pinguis en erassior, en Blyttia Lyell var. Flotoviana, Calypogeia Trichomanis var. attenuata en eindelijk Sphag- num cymbifolium, Sph. squarrosum, Sph. acutt- folium en Sph. cuspidatum var. recurvum WiLsoN (= Sph. recurvum Pal. Beauv. = Sph. flexuo- sum Prodr. Fl. Bat.). Hierop vertoont de Hr. Surincar teekenin- gen van monstrositeiten , door hem waarge- 245 nomen bij bloemen van verschillende plan- ten. Eene dier monstrositeiten betrof den kelk eener Provinsche roos, waarvan de vijf kelkbladen tot gevinde bladen, gelijk aan de stengelbladen en ten deele met steunblaadjes voorzien, waren uitgegroeid. (+) Het inter- nodium tusschen het onderste blad en het tweede bezat eene lengte van bijna één Ned. duim. Op dien afstand boven het eerste kelkblad stonden de vier overige digter bijeen in een krans, juist ver genoeg van elk- ander verwijderd, om hunne quincunciale rangschikking rondom den stengel (1: spiraal- winding, uit de as des stengels gerekend, regts- om naar boven) door hun verschil in hoogte te doen waarnemen. Het internodium, dat dezen krans van de bloemkroon scheidde, was wederom ruim één Ned. duim lang. Daarentegen waren de bloembladen klein, lederachtig, de buitenste ten deele groen gekleurd en het on- derste bijna kelkbladvormig. Binnen de bloem- krans bevond zich het begin eener prolificatie. De andere monstrositeit was die van Digita- lis purpurea, dezelfde, waaromtrent de hoog- leeraar G. Vrouik in het jaar 1842 bij het (+) Zie de plaat bij dit stuk. Het is een duidelijker exem- plaar van dezelfde monstrositeit, welke door de Candolle (Or- ganographie pl. 33) is beschreven en afgebeeld. Wiha nas 246 Koninklijk Nederlandsch Instituut (p. 262 sqq.) waarnemingen heeft medegedeeld. Spreker wees op de regelmatige topbloem, met ver- dubbeld of verdriedubbeld aantal deelen in elk der kransen, als een voorbeeld van vol- komen innige vereeniging van twee of drie bloemen tot een geheel. Zelfs de vruchtbladen hadden zich in éénen krans geschaard en daar- door eene zaaddoos met het twee of driedub- bele aantal hokjes gevormd. Veelal verlengde zich de as nog door het midden van deze uit twee of drie zijdelingsche bloemen gevorm- de topbloem. Deze prolificatiën (waarvan zeer sterke voorbeelden door den hoogleeraar Vrorik t. a. p. zijn beschreven en afgebeeld) hadden Spreker overgangen tusschen meeldraden en vruchtbladen, en meer andere, voor de leer der bloemdeelen gewigtige, bijzonderheden ver- toond. Daar echter het aantal afbeeldingen te groot was, om in het Kruidkundig Archief te worden opgenomen, wenschte Spreker voor de uitgave zijner verhandeling over dit onder- werp eene andere gelegenheid af te wachten. Thans wordt het woord door den Voor- zitter verleend aan Prof. pe Vriese, die aller- eerst aan de Vereeniging verzamelingen gedroog- de planten aanbiedt, afkomstig van Corsica, S'. Thomas, Balie, de Vereenigde Staten van 247 Noord-Amerika en aan de aanwezige leden ge- droogde exemplaren mededeelt van Dryobalanops Camphora Coresr., en daarna vier mededeelin- gen doet, als: ééne over eene ontdekking van den Heer A. WirpeBoer te Paramaribo, daarin bestaan- de, dat deze het melksap van den zoogenaamden Bolletrie (Lucuma mammosa) dienstig gemaakt had aan de bereiding van eene soort van gutta percha; ééne over de Vanieljekultuur op Java, waaruit bleek, welke vorderingen deze tak van industrie bereids op dat eiland ge- maakt had; ééne over de kultuur van Smilax syphilitica, op hetzelfde eiland, en ééne over de moederplant der roode Kina. Spr. biedt daarbij ter beschouwing aan: een vruchtdra- genden tak van Lucuma mammosa op liquor, verschillende specimina van Vanielje, afkom- stig van zeer uiteenloopende groeiplaatsen ; den gedroogden en op Java verzamelden Sarsaparil- lawortel van Smilax syphilitica, en eene schijf van den stam van de moederplant dér roode Kina (Cinchona ovata var. erythroderma Wepp.), den Spr. door den quinoloog Howarp vereerd. De Hr. Buse deelt daarna eenige losse opmer- kingen mede omtrent de groeiplaats van eenige Lichenen in Nederland, en zegt daaromtrent het volgende: Evernia divaricata Acu. Deze soort komt 248 waarschijnlijk langs den geheelen duinkant var Holland voor. Ten minste mijn broeder en ik vonden haar hier en daar verspreid tusschen Bloemendaal en Heemskerk steeds op den grond tusschen Loofmossen groeijende. Het is bekend dat de typische vorm op boomen te huis be- hoort. De zandvorm is even afwijkend van den boomvorm als dit het geval is bij de duin- Usnea, welke ik voor niet verschillend houd van Usnea barbata Fr. Het is mij meerma- len in de gedachte gekomen of deze vormen niet konden afstammen ’t zij van sporen, ’t zij van gonidiën van boomspecimina, ja mis- schien zelfs werkelijk van afgevallene boom- specimina. Ook met Parmelia physodes Acu. is dit wel eens het geval. Parmelia caperata Acu. heb ik enkele malen kunstmatig alzoo ver- plaatst gezien en toen groote veranderingen in den vorm opgemerkt. Dan dit is te ver- wachten, indien men slechts bedenkt, dat het- geen horizontaal was nu vertikaal is gewor- den én omgekeerd. Het is waar dat Ewernia divaricata Acm. tot nu toe nergens, en Usnea barbata Fr. hoogst zelden op boomen aan den duinkant gevonden zijn; dan, men vergete niet dat aldaar, even als op gelijksoortige plaatsen in andere landen, waar zich hetzelfde ver- schijnsel opdoet, de eigenlijke wouden zijn uitgeroeid. Mag ik eene gissing wagen, het zou 249 deze zijn, dat op de boomen van die lang ver- dwenen wouden de specimina groeiden, waar- aan onze duinvormen den oorsprong verschul- digd zijn, terwijl de oorzaak van het afwijkend uiterlijk, dat deze steeds onvruchtbare vormen kenschetst, gereedelijk in het lang verblijf der soort op een oneigenlijk substratum zoude kunnen gezocht worden. Evernia jubata Fr. «. bicolor. De eenige groei- plaats is zoowel volgens de Flora ‘van Noord- Nederland als volgens den Prodromus: de Hun- nebedden. Werkelijk zijn steenen ook de normale groeiplaats. Bij het onzekere of die monumenten van vorige dagen bij ons in wezen zullen blij- ven, is het mij aangenaam te kunnen melden dat ik deze soort, hoewel schaars, ook op oude stammen te Doorwerth vond. Evernia furfuracea Mann. (Lich Boh.) Deze soort vond ik het eerst te Renkum, later ook te Nieuw-Reems en teRozendaal. In den Prodomus zijn de groeiplaatsen t "Loo en Apeldoorn ver- meld. Het is dus waarschijnlijk, dat deze soort ook op tusschenliggende plaatsen en dus langs de geheele Veluwe, hoewel dan zeldzaam, zal voorkomen. In verband met het straks aange- voerde, herinner ik, dat pr Gorter als groei- plaats opgeeft : »aan oude planken van schuttin- gen aan den duinkant”. Schuttingen nu kunnen, als kunstprodukt, nooit de oorspronkelijke groei- bo 50 plaats van eenig Lichen zijn. Of de soort daar nog _ voorkomt, weet ik niet. De Prodromus vermeldt dat zij te Waalsdorp door den Heer Vrispae ZISNEN gevonden is. Cetraria glauca Fr. en Cetraria sepincola Fx. Van beide deze soorten geldt hetgeen ik van Evernia furfuracea zeide, dat zij op de Veluwe wel zelden, maar toch op onderscheidene plaatsen voorkomen. C. glauca ontdekte ik voor Nederland bij mijne woonplaats. De opgave van DE GORTER wordt zeer betwijfeld. D'. v.p. Sanne Lacoste vond haar aan ’t Loo. Later vond ik beide soor- ten te Ede, te Wolfheeze, te Nieuw-Reems, te Roozendaalen te Beekhuizen. Het meest vond ik ze op Berken en op Dennen, zelden op Eiken en Beuken. Cladonia digitata Horr. Deze in ons land zoo zeldzame soort vond ik enkele maien in het ge- zelschap van de zoo even genoemde Cetrariae, doch steeds in weinige specimina. Cladonia cornuta Fr. Van deze soort lezen wij in den Prodromus: »Specimen non sine dubio repeto”. Ik heb het genoegen gehad, enkele specimina van den normalen vorm op eene met ligt akkermaalshout bewassene heide bij Heelsum le vinden. Het komt mij echter voor, dat de limiet, binnen welke deze soort door de Schrij- vers wordt gehouden, wel wat eng is en er minstens ook een vorm » podetiorum epidermide 251 non nisi ima basi cartilaginea” bestaat. Dan, het is tijd hier afte breken. Eensdeels toch hoop ik de eer te hebben, U later eene volledige reeks van het geslacht Cladonia voor te leggen voor zoo verre Nederland betreft; anderdeels vlei ik mij dat de geachte bewerker van de Li- chenen van den Prodromus U zal willen me- dedeelen, wat er belangrijks onder de door mij gezamelde Lecidineae is, welke ik hem ter inzage ter hand stel. Dr. Oupemans deelt hierop mede, dat het Herbarium, nagelaten door wijlen den Hoog- leeraar J. C. Broers, aangekocht, is door de Geneesk. School te Rotterdam; dat hij bezig is dat Herbarium na te zien, en alle daarin voor- komende groeiplaatsen van inlandsche planten heeft aangeteekend en zal blijven aanteekenen, welke nog nietin den Prodromus vermeld staan. Hij brengt uitdat Herb. ter tafel een exemplaar van Rhynchospora fusca, waarbij een étiquet lag met de woorden: »Teste G. Broers haec est planta, quam, nomine Caricis Schreberi, tamquam indigenam exhibuit C. Perr. Est au- tem Rhynchospora fusca”, waarschijnlijk ge- schreven door Prof. van Harz te Groningen, en merkt daarbij op, dat het niet onbelangrijk zoude zijn: 1°. om in het door Perir nage- latene Herbarium, thans in het bezit van de 252 Veeartsenijschool te Utrecht, de daarin aan~ wezige exemplaren van Carex Schreberi na te zien en aan een kritisch onderzoek te onder- werpen, en 2°. om aan Prof. van Hau. eenige inlichtingen nopens dat étiquet te vragen. Eindelijk worden de wetenschappelijke bij- dragen gesloten door de bijdrage van den Hr. WALRAVEN, welke hier volgt: OVERZIGT VAN DE FLORA VAN OOSTELIJK ZEEUWSCH-VLAANDEREN. Oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen, het 5%° dis- trict van Zeeland, bevat van Zeeland en buiten de provincie Limburg, even als het district Eindhoven in Noord-Braband, wel het meest zuidelijke gedeelte van geheel Nederland. Aan den linkeroever van de Hont of Wester- Schelde gelegen tusschen 51° 12’ 6” en 51° 25? 30” N. B. en 20° 47’ en 21° 18” O. L., bedraagt zijne grootste lengte in eene rigting van het Oosten naar het Westen omtrent 31,400 Ned. ellen of 5‘ uren gaans en zijne grootste breedte van het Noorden naar het Zuiden omtrent 21,500 Ned. Ellen of 3} uren gaans, en bestaat deszelfs oppervlakte volgens pr Kanrer en DRESSELHUIS (De Prov. Zeeland) 15 15 vierkante mijlen. Ten Noorden en Westen door de zee bespoeld, 293 wordt het aldaar begrensd door de Schelde en door een tak dezer laatste, de Braakman genaamd, terwijl het zuidelijk en oostelijk gedeelte aan den vasten wal en wel aan de Belgische Prov. Oost-Vlaanderen verbonden is. Het wordt verdeeld in twee kantons, waarvan het 2%, dat van Hulst, gelegen is tusschen het verdronken land van Saftingen ten Oosten en het Hellegat ten Westen, en zich verder noordwaarts uitstrekt en als ware het de Schelde schijnt terug te dringen tot het midden van Zuid-Be- veland. Het 1“° kanton, dat van Axel, tusschen het Hellegat ten Oosten en den Braakman en zijne vertakkingen ten Westen, strekt zich ver- der zuidelijk uit en is over het geheel lager gelegen dan het kanton Hulst. Op een zeer klein gedeelte na, wordt de op- pervlakte van het gansche distrikt gevormd door polders, welker aantal omtrent honderd beloopt, en werd het in vroeger tijd door takken van de Schelde, als hoofdstroom, op meer dan eene plaats doorsneden, welke takken, als: het Helle- gat, het Sassche gat, het Axelsche gat en de Braak- man, ofschoon nog aanwezig, van tijd tot tijd verkleind werden door gedurig aangeslibde gron- den en de bedijking van deze tot nieuwe pol- ders. Al deze polders hebben voor het grootste gedeelte hunne uitwatering, die van het kanton 254 Axel in de waterleidingen ter wederzijden van het kanaal van Gend op Neuzen, en die van het kanton Hulst in eene dergelijke waterleiding in den polder van Stoppeldijke, voor weinige jaren aangelegd. De overige ontlasten hun water door zeesluizen of onmiddellijk in de Schelde of in den Braakman, het Hellegat en Saftin- ger gat. In de meeste polders treft men zoogenaamde kreken aan, als overblijfsels of verlengselen van buitendijks liggende killen, of soms ook ontstaan ten gevolge van plaats gehad hebbende inun- datie. De voornaamste dezer kreken zijn: de Camsvlietkreek bij Sas van Gend, de Axelsche kreek of de Blije bij Axel, de Othensche kreek in den polder van Zaamslag, de Vogel in den polder van dien naam, de Hulsterkom of Hul- stervlakte, vroeger als haven van Hulst gediend hebbende, enz. Bovendien wordt het kanton Axel doorsneden door het kanaal van Neuzen op Gend, over eene lengte van omtrent 2: uren gaans en voor een gedeelte door de onvoltooide vaart van Axel en Hulst. Buitendijks vindt men meestal schorren van meerderen of minderen omvang, sommige zelfs van aanmerkelijke oppervlakte, zoo als die, welke gevonden worden aan het oostelijkst gedeelte van het district, het zoogenaamde land van Saf- tingen, welke, voor zoo verre dithet Nederlandsch & bo a0 grondgebied betreft, vóór korte jaren nog de hoegrootheid hadden van meer dan 1200 bun- ders. Deze schorren worden in iedere 24 uren twee- maal gedurende den vloed door het zeewater bespoeld en vloeijen bij springtijden meesten- tijds geheel onder. Menigvuldige bewijzen zijn voorhanden dat deze streken in den loop der tijden vele verande- ringen ondergaan hebben door overstroomingen als anderzins, ten gevolge waarvan eenige pol- ders geheel zijn verdwenen, andere weder half of gedeeltelijk of geheel of bij en met andere polders later zijn herdijkt. De rigting der Schelde, doch vooral van hare takken, is daarbij dikwijls geheel veranderd en schijnt dit land, vroeger uit onderscheidene ei- landen bestaan hebbende, door gedurige bedij- king tot een geheel aangegroeid en tot den te- genwoordigen toestand gekomen te zijn. Het geheele district bevat, volgens den al- gemeenen Staat, voorkomende in het Verslag der Commissie van Landbouw in de provincie Zeeland, over 1849, aan: Bunders. Roeden. Plien. Bouwland isme m0 senen de 25877 | 45 | 87 RONEN isi 25 panacea 247 | 61 | 44 Boomgaarden ........ 216 | 78 | 66 Gronden van vermaak.. . 7| 40) 43 Weilanden) Ain uwer 4097 | 08 | 40 Dijken... sne es sider ed 60. 26101: Beplante gronden ...... 25 | 67! 20 Oppervl. der gebouwen .. 450 | 45| 74 Boomkweekerijen. .... . 1/09} 10 Eikenbosschen ....... 634 | 55 | 96 Sparrenbosschen ...... 163|57) 92 Hakhout, enz. ....... 122 | 25 | 42 Begroeide wallen ...... 13 | 14 {00 Vergraven gronden enmoerassen 94 | 39 | 8% Heidegronden. ....... 15 | 56 | 46 Rietlanden. …. .. .. 63 | 43 | 76 AAD WASSEN He sce. JE 393 | 95 | 67 Zijkanten van wegen. ... 123/30) 00 Havens, kanalen en grachten . 76 {37 | 10 Visscherijen ..... .… » 1304/46 | 85 Watergangen en sprinken . 1223 | 13 | 78 Schorren en slikken. .... 5982 | 61 | 77 Onbelastb. bebouwd en onbeb. 410 | 42 | 28 Aldus eene gezamenlijke | oppervlakte van ...... 42705 | 04 156 Volgens andere opgaven wordt de grootte 257 uitgedruktdoor 32916 bunders schotbaar land (1). Deze opgaven kunnen voor het tegenwoor- dige niet voldoende gerekend worden, daar na het jaar 1849 een groot gedeelte, minstens 2000 bunders, van de schorren en slikken van Saftingen, in het Hellegat en den Braakman zijn bedijkt en de oppervlakte Sparren- en Ei- kenbosschen jaarlijks vermindert en kunstmatig in door veel arbeid gevormd en onderhouden bouwland herschapen wordt (2). Wat de geognostische gesteldheid van den bodem betreft, is het reeds uit het aantal pol- ders op te maken, dat hij voor verre weg het grootste gedeelte bestaat uit alluviale gronden. De bovengronden in de polders bestaan meest- al uit zware klei, die des te zwaarder en vrucht- baarder is, naar mate die gronden meer ver- wijderd zijn van de Belgische grenzen en de (1) Volgens opgenoemden staat bevat dit district, in vergelijking met de andere districten in Zeeland, de grootste oppervlaktein bouwlanden, beplante gronden, Hiken- en Spar- rebosschen, heidegronden, aanwassen , havens, kanalen en grachten , visscherijen , schorren en slikken, en de kleinste oppervlakte in gronden van vermaak, weilanden, hakhout en onbelastbaar gebouwd en ongebouwd. (2) Dat deze gronden daardoor aanmerkelijk ín waarde stijgen, kan men beoordeelen uit den zeer hoogen koopprijs, namelijk 2000 franken, dien men dit jaar betaalde voor het Vlaamsche of Gendsche gemet van 44 roeden 56 ellen Ned. maat. 17 258 Schelde nader bij komen, zoo als bijv. in het zoogenaamde land van Axel. Aan het zuid-oostelijk gedeeite van het district, achter de gemeente Clinge, verheft zich een zandrug, die in bogten, nu eens op Nederlandsch, dan weder op Belgisch grondgebied in westelijke rigting voortgaande, in den omtrek van Eede in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen onzen bodem verlaat en verder tot Brugge in West-Vlaanderen zich uitstrekt. Zoo niet geheel, toch zeker voor het grootste gedeelte bestaat de bovengrond uit zand, in de rigting van evengenoemden zandrug, van achter de Clinge en St. Jan Steen, langs de Koewacht tot achter Sas van Gend, welken zandrug men met regt als een overblijfsel mag beschouwen van vroegere duinen, vooral dewijl aldaar nog geringe sporen van zoogenaamde duinvegetatie aanwezig zijn, en latere onderzoekingen schij- nen bewezen te hebben, dat de Schelde en hare takken deze, nu gering schijnende, hoogten bespoelden en als ware het hebben opgeworpen. In den omtrek van Hulst, Hontenisse, Hengst- dijk, Stoppeldijk en Lamsweerde, bevatten de polders veelal een meer gemengden zand- en klei-, of liever ligten, mageren, klei-zavelachtigen grond. Over de geheele uitgestrektheid van bijna het gansche district vindt men, van — 1 Ned. 259 ellen en meer diepte onder de oppervlakte van den grond, eene derrielaag verspreid, die in verschillende dikte, dikwijls als schachten van 1—2 ellen voorkomt en in zoogenaamde bin- nen- en buiten-derrie of darink, al naar mate zij namelijk binnen of buiten de polders in de schorren wordt aangetroffen, verdeeld wordt. Alleen in hetland van Hulst werd van de bin- nen-derrie ten jare 1848, 114,457 tonnen, en wordt jaarlijks van de buiten-derrie op de schor- ren van Saftingen omtrent 3000 tonnen uit- gegraven. In deze derrielagen zijn de plantaardige stof- fen, waaruit zij zijn zamengesteld, dikwijls dui- delijk te onderkennen, en vindt men daarin niet zelden geheele bladen en vruchten van boomen, als bijv. bladen van Wilgen, vruch- ten van den Hazelaar, zaden van Scirpus ma- ritimus L., enz. (+). Aan den oever van een polder in den Braakman vindt men even boven laag-water- peil, onder en door de derrielaag henen, het on- derste gedeelte van boomstammen met hunne wortels nog in den daaronder liggenden bodem bevestigd, alsmede verscheidene boomstammen, (+) De buiten-derrie, die veelal ook in meer of minder groote bonken op slikken en aan het strand voorkomt, wordt veelal doorboord en bewoond door soorten van Pholas, waaronder Ph. cristata L. enz. 260 die meestal in eene rigting van het noorden of noordwesten naar het zuiden of zuidoosten door elkander liggen. De stammen zijn meestal die van Pinus sylvestris L. en Abies L., Quercus Robur L. en anderen. Ook vindt men daaronder stam- men, somtijds van aanmerkelijke zwaarte, welker hout rood, maar niet zoo hard is als dat der andere naburige stammen. Diluviale gronden worden alleen dáár ge- vonden, waar het district aan Oost-Vlaanderen grenst, in de nabijheid van bovengenoemden zandrug. Zij beslaan echter in evenredigheid eene zeer kleine oppervlakte, terwijl men de ei- genlijk gezegde heigronden, die men daartoe zoude kunnen brengen, alleen onder Koewacht en Zuiddorpe vindt. Gerolde steenen komen hier ook, doch zelden, voor. In den Absdalepolder bij St. Jan Steen treft men ook leemgronden aan, die men voor de steenbakkerijen aldaar gebruikt, welke leem- gronden alsmede, en wel in grootere uitgestrekt- heid, gevonden worden over de grenzen, als ware het achter de duinachtige zandstreken in Oost-Vlaanderen. Ook in andere polders van het kanton Hulst schijnen leemgronden aan- wezig te zijn, waartegen men met goed gevolg in de laatste jaren de drainering aanwendt. Of, en in hoeverre hier tertiaire gronden aan- wezig zijn, is, zoo verre mij bekend is, door geene 261 opdelvingen als anerzins onderzocht geworden. Ook zoude zulks zeer onvoldoende te bewijzen _ zijnuit eene versteende kamdoublet met aan bei- de zijden gelijke ooren en achtin de lengte ge- streepte stralen, uit den Braakman opgedolven en in mijn bezit. Met meer grond zoude men zulks evenwel mogen vermoeden uit de aan- wezigheid van deze gronden in de aangrenzende Provincie Oost-Vlaanderen en ook uit de kor- telings geleden, in den zomer van 1855, in den omtrek van St. Jan in Eremo, Provincie West- Vlaanderen, onder de leiding van den Belgischen Ingenieur Anprigs verrigte opgravingen, en wel bepaaldelijk in de strekking van den meer ge- noemden zandrug, alwaar men een aantal zeer groote versteende beenderen heeft gevonden, die ongetwijfeld tot een der grootere ante-diluvi- aansche dieren hebben behoord. Uit een geognostisch oogpunt meer belangrijk komtmij de Kauter, een aan het zuid-oostelijk gedeelte van het district gelegen heuvel, voor. Hier is de bovengrond bruin-rood en met vele ijzerdeelen voorzien; voorts vindt men in lagen eene menigte versteende schelpdieren, steen- soorten, enz., van al hetwelk proeven zijn gezonden aan den Heer C. W. H. Srarine te Haarlem, ten einde de uitkomst en waar- de mijner onderzoekingen dienaangaande van de maand Mei jongstleden nader te kunnen 262 nen bepalen en van ZijnEd. te vernemen. Doch bedrieg ik mij niet geheel en al, zoo ergens in dit district, zal men hier tertiaire forma- tiën zeer nabij de oppervlakte kunnen aanwijzen. De kleigronden in de polders leveren zeer goede tarwe, gerst, haver, koolzaad, vlas, paardeboonen, erwten, meekrap, enz.; de lig- tere kleigronden aardappelen, mangelwortelen, enz., met welke laatste plant thans verschei- denebunders bezaaid worden, ten behoeve der suiker- en alcoholfabrieken, enz., in België; ter- wijl de zanderige streken goede rogge, boekweit, hennep, enz., voortbrengen, en bovendien in dit district ook klaver, spurrie, wikken, paar- depeen, rapen of knollen, enz., als voedergewas- sen verbouwd worden. Het kanariezaad, de cichorei en hoppe komen zelden meer als vroe- ger in het groot voor. Behalve de aangeplante Dennen- en Eiken- bosschen, vindt men de dijken en wegen, als ook den naasten omtrek der landhoeven, be- plant met Wilgen, Populieren en Olmen; ter- wijl men, behalve de gewone fruitboomen, niet zelden in de boomgaarden de Juglans regia L. aantreft, welke fraaije boom ook som- tijds in het groot aangeplant aan dijken en wegen naar de Belgische grenzen voorkomt. Behalve den Heer van per Trappen, hebben ook vooral de H..H. van pen Boscn en Boursse 263 Wis deze landstreek in den laatsten tijd uit een botanisch oogpunt onderzocht en zijn de waarnemingen en groeiplaatsen van eenige zeld- zame indigenae van de laatsten opgeteekend in de Enum. Plant. Zeeland. Belg. indigen. quarta, alsmede overgenomen in den Prod. Flor. Bat. In vorige tijden schijnt geen bepaald onder- zoek naar de in het wild groeijende planten van dit district plaats gehad te hebben; al- leenlijk is mij bekend geworden, dat, in het begin der 17° eeuw, een plantkundige, met name Prerrus Honpivs, dit land bewoonde, die, in de uitgave van Doponaevs’ Kruidboek van 1618 en in zijn dichtwerkje,” de Moufeschans”, eenige in het wild voorkomende gewassen op- noemt, doch over wien ik eenige bijzonderhe- den, plantkundige opmerkingen, enz., betreffen- de, heb medegedeeld in het jaarboekje Cadsandria 1857. Onder de inlandsche planten , door hem genoemd, treffen wij er eenigen aan, die óf door hem niet juist zijn bestemd geworden, óf welke wijtegenwoordig niet of twijfelachtig tot deindige- nae van dezen omtrek durven rekenen, althans door ons nog niet zijn teruggevonden, als: Cochlearia officinalis L., Sanguisorba officinalis L., Poterium Sanguisorba L., Sanicula Europaea L, Crithmum maritimum L., Cornus sanguinea L., Physalis Alkekengi L., Teucrium Chamaedrys L.., en Parietaria erecta M. et K., terwijl de overt- 264 gen, door hem opgegeven, meestal behooren tot de algemeen in ons vaderland voorkomen- de planten. De volgende naamlijst bevat alle Phanero- gamische planten, door de H. H. v. p. Boscr en Boursse Wirs ten jare 1845, en door mij in de laatste vijf jaren in dit district gevonden. Behalve de groeiplaatsen van sommige zeld” zamere, zijn hierbij ook gevoegd eenige aan- teekeningen omtrent kritische soorten of andere opmerkelijke bijzonderheden. Ter tegemoetkoming aan mijne korte erva- ring in de botanische wetenschap, heb ik, op zeer weinige uitzonderingen na, van iedere op- gegevene soort exemplaren ter nadere bestem- ming gezonden aan den Heer v. p. Boscu, welke zich beleefdelijk de moeite heeft getroost mijne bestemming te controleren. _— Gp NAAMLIJST DER ZIGTBAAR BLOEIJENDE PLANTEN IN OOSTELIJK ZEEUWSCH- VLAANDEREN. Ne Class. EXOGENAE seu DICOTYLEDONEAE. Subcl. 1 THALAMIFLORAE. 265 Ord. RANUNCULACEAE Juss. Trib. CLEMATIDEAE D. C. Clematis Vitalba L. tusschen heggen te Hoek; zeldzaam. Trib. ANEMONEAE D. C. Thalictrum flavum L. Op zandgrond te Sas v. Gend. Trib. Ranuncurear D. CG. Batrachtum trichophyllum Cuarx. en divaricatum SCHRANK. == ololeucos LLovp. — Baudott Gopr. — Petwert Kocn. Van het geslacht Batrachium zijn door de H. H. v. p. Bosca en BourssE Wis de soor- ten divaricatum en ololeucos te Sas van Gend en Zuiddorpe, en door mij de trichophyllum, Baudoti en Petivert op verscheidene plaatsen in slooten en kreken aangetroffen. Te Philippine verzamelde ik eene soort, vroeger reeds door den H'. v. p. Boscu te Westdorpe verzameld en uit Walcheren ontvangen, door genoemden Heer nog niet gedetermineerd, doch waar- schijnlijk te brengen tot B. Droueti Scurz. 266 Ranunculus Flammula L. In slooten te Zuiddorpe. — —- y. serrata DC. Zuiddorpe en Koewacht. acris L. Aan dijken en wegen. Van deze ook een behaarde vorm onder boomen te Hoek. repens L. Te Hoek aan dijken en wegen. — B. prostratus DC. Zuiddorpe. bulbosus L. Aan dijken en in weiden. Philonotis Retz. In weiden te Hoek. — B. intermedius Pom. Hoek. — y- verrucosus Rens. id. sceleratus L. In slooten en aan kre- ken te Hoek. Zeer verschillend in grootte. arvensis L. In bouwland te Hoek. Ficaria Ranunculoides Men. In weiden zeldzaam. Ord. HELLEBOREAE DC. Caltha palustris L. Aan het kanaal van Sas v. Gend en te Hoek zeldzaam. Aquilegia vulgaris L. Tusschen heggen te Neuzen. Delphinium Consolida L. Zuiddorpe en Hoek ; zeldzaam. Ord. NyMPHAEACEAE DC. Nymphaea alba L. Nuphar luteum Sm. In eene waterleiding (de lange Leede), die in de Prov. Oost-Vlaanderen haar 267 begin heeft, komen, achter Sas v. Gend en Westdorpe, zoowel Nymph. alba als Nuphar luteum overvloedig voor. Ord. PAPAVERACEAE DC. Papaver Argemone L. Hoek; aan dijken. Van deze ook de speling met de kale doosvrucht. — Rhoeas L. In bouwland, aan slooten, enz. — dubium L. In bouwland te Koewacht, Sas van Gend, enz. — somniferumL. a. nigrum In. tuinen verwil- derd. De bloeitijd van P. Rhoeas en du- bium duurt van Junij tot September. Chelidonium majus L. Aan heggen en ruigten te Hoek. Ord. Fumariaceag DC. Fumaria officinalis L. Op zandigen bodem onder Koewacht; ook zeldzaam te Hoek (nieuwe Neu- zen polder) op zwaren kleigrond. Ord. CRUCIFERAE Juss. Subord. Siliquosae Koen. Trib. Arabideae Kocu. Nasturtium officinale R. Br. Hoek; in slooten. — amphibium R. Br. Kanaal v. Neuzen. can = a. indivisum DC. 268 Nasturtium amphibium B. vardfollum DC. — sylvestre R. Br. Kanaal van Neuzen. — — y. brachycarpum. (Sas v. Gend; v. D. Boscnen B. Wirs.) = palustre DC. Hulst. (Sas van Gend; v. p. Bosc en B. Wms). Cardamine sylvatica Link. Kanaal van Neuzen. — hirsutaL. Te Vogelschorreen Neuzen. — pratensis L. Aan kreken te Hoek, in hetkanaal v. Neuzen, te Zuiddorpe „enz. — pratensis B. dentata Reus. Kanaal van Neuzen. Trib. Sisymbreae Kocu. Sisymbrium officinale L. Hoek; aan dijken. — Alliaria Scop. Te Hoek, op bescha- duwde plaatsen. — Thalianum Gavp. Hulst; op zand- grond. Erysimum Cheiranthoides L. Vogelschorre en Sas v. Gend; aan wegen en slootkanten. Trib. Brassiceae Kocn. Brassica oleracea L. In tuinen. — RapaL. y-rapifera Kocu. Inhet land van Hulst als beestenvoeder algemeen in ’t groot verbouwd. — Napus L. a. annua Kocn. B. biennis Kocu; «. zelden en 6. algemeen in ’t groot verbouwd, 269 Brassica nigra Kocu. Hoek; in tuinen, zeldzaam. Sinapis arvensis L. In bouwland te Hoek, enz. — — B. orientalis Kocn. ib. — alba L. In tuinen verbouwd. Diplotaxis tenuifolia DC. Te Sas vy. Gend en Hulst aan de wallen. Subord. Latiseptae Kocu. Trib. Alyssineae Kocu. Draba verna L. Aan dijken algemeen. Cochlearia Anglica L. Hoek; aan zeedijken, zeld- zaam. — Armoracia L. Hoek; aan slootkanten. Trib. Camelineae Kocn. Camelina sativa Crantz B. subglabra Kocu. (Hulst; v. D. Boscu en B. Wits.) — _ dentata Pers. (Hontenisse; v. p. Bosc en B. Wirs. Subord. Angustiseptae Koen. Trib. Thlaspideae Kocn. Thlaspi arvense L. Te Hulst op zandgrond; Hoek (zeldzaam). Teesdalia nudicaulis R. Br. Zuiddorpe; op zand- grond. Trib. Lepidineae Kocu. Lepidium sativum L. In tuinen, verwilderd. — ruderale L. Hoek; aan zeedijken. Capsella Bursa pastoris Möncu. Algemeen aandij- ken en wegen. 270 Trib. Brachicarpeae Kocu. Senebiera Coronopus Por. Hoek; aan dijken, enz. Subord. Lomentaceae DC. Trib. Raphaneae Kocn. Raphanus sativus L. — Raphanistrum L. Beide soorten te Zuid- dorpe verbouwd en verwilderd. — Raphanistrum B. flor. ochrol. (Hulst; v. p. B. en B. Wus.) Ord. Vrorariear DC. Viola odorota L. Hoek; aan en in slooten, aan dijken, enz. — canina L. B. ericetorum. y. lucorum. Beide var. komen voor te Sas v. Gend en te Zuiddorpe in slooten en op beschaduwde plaatsen. — tricolor L.% arvensis. Te Hoek, enz., op bouwland. Ord. ReEsEDACEAE DC. Reseda luteola L. Hulst en S. v. Gend; aan wallen. Ord. DROSERACEAE DC. Drosera rotundifolia L. Zuiddorpe (v. p. BoscH en B. Wirs). Ord. PorycArEAr. Juss. Polygala vulgaris L. 6. oxyptera Kocu. Op zand- en heidegronden te Koewacht en Zuiddorpe. 271 Ord. SirenEAE DC. Dianthus Armeria L. Hoek; aan dijken en wegen? soms ter hoogte van 2 voeten en meer. ? Carthusianorum L. (eenigzins twijfel- achtig exempl.). In gezelschap met J. Donn, Chir. Stud., vond ik deze soort aan eene slootkant te Koewacht; zij is stellig niet de D. Armeria, waarvoor D". v. p. Boscu deze houdt. Silene noctiflora L. Hoek; op bouwland. — Armeria L. Hoek; in tuinen verwilderd. Volgens den Hr. v. Dn. Trappen komt ook alhier voor Sil. Gallica L. (zie Enum. Pl. Z. v. D. Boscu. II). Lychnis Flos cuculi L. Axel en Sas v. Gend. — vespertina Sista. Hoek; in heggen, ook met roode bloemen in een boschje. diurna Sipru. Zuiddorpe; in een Eiken- bosch. Agrostemma Githago L. Hoek; in roggevelden. Ord. ArsineaE DC. Sagina procumbens L. Zuiddorpe; op heidevelden. — apetula L. id. id. — stricta L. In een nieuw bedijkt poldertje in het Sassche gat. nodosa E. Metser. Axelen Sas v. Gend. Spergula arvensis L. « vulgaris Bonn. Hulst, Koe- 272 wacht, Zuiddorpe, Sas v. Gend, in het groot verbouwd. Lepigonum rubrum Wanrr. Zuiddorpe; op zand- grond. — medium Fr. In een bedijkten polder in het Sassche gat. — salinum Fr. Hoek; aan zeedijken. — _marginatum Kocu. Hoek; aan zeedij- ken bij Graauw (v.p. Bosc en B. Wis). Arenaria Serpyllifolia L. Algemeen aan dijken, op bouwland, enz. — leptoclada Guss. Onder de voorgaande. Holosteum umbellatum L. Aan zanderige dijken en heuvels op den Kauter. Stellaria media VILL. — glauca Wiru. Hontenisse (v. p. Boscu en B. Wis). — graminea L. Op bouwland bij Zuiddorpe. Malachium aquaticum Fr. Aan waterkanten ach- ter Sas v. Gend. Cerastium glomeratum Tauri. Aan dijken, enz. — == B. eglandulosum. ma a y. apetalum. — semidecandrum L. Aan dijken, enz. 8. glandulosum. — triviale Linx. Onder het gras, enz. aan dijken en wegen. — arvense L. Sas v. Gend, Hulst, enz. op zandgrond. 273 Ord. Lineaz DC. Linum usitatissimum L. Verbouwd en verwilderd. Bloeit ook later, van het verspreide zaad, in Augustus en September. — Catarcticum L. Aan dijken en in weiden te Hoek, Neuzen, enz. Ord. Marvacrar R. Br. Malva sylvestris L. Aan wegen, enz., te Hoek. — vulgaris Fx. Op zandgrond te Hulst en Sas van Gend. Althaea officinalis L. Aan slootkanten. Ord. TirIACEAE Juss. Tilia parvifolia Enru. Ord. HvyPeERICINFAE DC. Hypericum perforatum L. — — 6. microphyllum DC. — humifusum L. (Hulst; v. o. Boscu en B. Wits). — lelrapterum Fr. In gezelschap met Douw te Koewacht; daarna Sas v. Gend. Ord. ACERINEAE DC. Acer Pseudoplatanus L. Aangeplant en verwilderd. 18 274. Ord. HiPPOCASTANEAE DC. Aesculus Hippocastanum L. Aangeplant. Ord. AmpeLiwear Humb. B. K. Vitis vinifera L. Aangeplant. Ord. GERANIACEAE DC. Geranium pusillum L. Tusschen heggen, aandijken. — _ dissectum L. Op bouwland. — columbinum L. Aan dijken. — molle L. Aan dijken. — Robertianum L. Tusschen heggen, aan slootkanten. Erodium Cicutarium v’Hérit. Aan dijken, op zand- grond, enz.; ook »petalis sup. maculatis” te Axel. Ord. OxaLipEAE DC. Oxalis stricta L. In tuinen. Op beschaduwde plaatsen in groote uitgerekte exempl. — Hoek, Hulst. — corniculataL. In tuinen te Axel en Hoek. Subcl. 2. CALYCIFLORAE. Ord. RrHAMNEAE R. Br. Rhamnus Frangula L. Zuiddorpe; in bosschen. 279 Ord. PAPILIONACEAR L. Trib. Loteae DC. Subtrib. Genisteae Kocu. Sarothamnus vulgaris Winmau. Te Hulst en Zuid- dorpe in het wild aan dijken en wegen, en ook wel verbouwd in het groot op zandig bouwland. Genista pilosa L. — Anglica L. Beide soorten in Z.-Vlaan- deren (v.p. Bosch en Boursse WiLs). Subtr. Anthyllideae Kocn. Ononis spinosa L. Aan wegen en dijken, soms met witte blcemen. Subtr. Trifolieae Kocu. Medicago media L. Vogelschorre, Neuzen. — Lupulina L. Algemeen. — minima Lam. Hulst; op zandgrond. Melilotus officinalis Wu. Hoek; aan wegen. — arvensis Warrr. Axel, Zuiddorpe. Trifolium pratense L. Algemeen. — arvense L. Hulst, Axel, S. v. Gend, enz. — striatum L. Aan een dijkje te Koewacht. — _JragiferumL. Aan wegen te Hoek. — repensL, Aan wegen, enz. — procumbens L. a, majus Kocu. Aan slootkanten. B. minus Kocu. Aan dijken. — filiforme L. Aan dijken, wegen, enz, te Hoek. 276 Lotus corniculatus L. Aan wegen en op zandgrond. — — B. crassifolius P. Neuzen; aan waterkanten. — tenuifolius Reus. Hoek en Neuzen; op kleiachtig bouwland en aan wegen. — uliginosus Scux. Zuiddorpe, Koewacht; op zandig bouwland. Trib. Hedysareae DC. Subtrib. Coronilleae DC. Ornithopus perpusillus L. Zuiddorpe, Koewacht. Trib. Vicieae Brown. Vicia Cracca L. Algemeen. — Faba L. Verbouwd en verwilderd. — sativa L. Aan wegen en op bouwland te Hoek. — angustifolia Rorn. Aan dijken en op Hue land te Sas v. Gend. — Lathyroides L. Aan dijken te Koewacht. Ervum hirsutum L. Hulst, Zuiddorpe, enz. — telraspermum L. Aan slootkanten te Hoek. — gracile DC. Hoek ; aan kanten van bouw- land. In den Goesschen en Coudenpolder en in gezelschap van Douw ook onder Neuzen. Pisum arvense L. — sativum L. Lathyrus tubcrosus L. Op kleigrond niet zeldzaam. — pratensis L. Van deze komt een be- haarde en afwijkende vorm voor. Ord. AMYGDALEAE Juss. Prunus spinosa L. In heggen te Hoek. — insititiaL. Hoek; verwilderd in heggen. — domestica L. Aangeplant. Ord. Rosacrar Juss. _ Trib Spiraeaceae DC. Spiraea Ulmaria L. Sas v. Gend, en zeldzaam te Hoek. — — B. denudata Hayne. S. v. Gend Trib. Dryadeae Kacu. Geum urbanum L. In heggen te Hoek. Rubus fruticosus L. — discolor Wue et N. as Es. In heggen te Hoek. — mnemorosus Hayne. (Hulst; v. p. Bosca en B. Wis). — caesius L. 8. umbrosus Arru. Fragaria vesca L. Hoek, Neuzen ; op beschaduwde plaatsen. — elatior Earu. Sas v. Gend; op bescha- duwde plaatsen en aan houtkanten. Potentilla anserina L. Van deze een afwijkende 278 vorm aan zeedijken. Voorts de bladen van boven kaal of zijdeachtig-behaard, meer of minder groot, enz. argentea L. Koewacht; op heigrond. reptans L. Hoek; aan dijken. procumbens Sistu. Zuiddorpe; op zand- grond. Tormentilla Sipru. Koewacht; op hei- grond. Agrimonia Eupatorium L. Aan dijken te Hoek. — B. elatior WaArrr. Van deze soort komen meer dan één vorm voor. De var. @. elatior, menig- vuldig aan slootkanten, in zeer groote exempl. Voorts is er veel verschil op te merken in den vorm der vrucht- kelken, de lengte en diepte der groe- ven in deze, de vorm en verdeeling der involucra, enz. odorata Air. Deze, door Prof. Cop als inlandsch vooronderstelde, plant vond ik het eerst in een Eikenbosch bij Zuiddorpe, daarna aan slootkanten te Hoek. Bijzonder karakteristiek zijn de glinsterende ongesteelde kliertjes aan de onderzijde der bladen en op de vruchtkelken, waardoor zelfs jonge exempl. genoegzaam van Agr. Eup. te onderscheiden zijn. De vruchtkelken 279 zijn klokvormig, niet diep, en kort gegroefd, bijna onbehaard, even als de ondervlakte der bladen, waaraan men dat donsachtige mist, hetwelk aan die der A. Eup. eigen is. De tweede of onderste kelk is minder verdeeld en de slippen uit eene breed eivor- mige basis in eene punt uitloopende. Trib. Roseae DC. Rosa cinnamomeaL. S' Jan Steen. (v. p.B. en B. W). — canina L. ae. vulgaris Kocu. — tomentosa Sm. Aan dijken te Hoek. Ord. SANGuISORBEAE Lindl. Alchemilla arvensis Scop. Zuiddorpe; op zand- grond. Ord. Pomacear Lindl. Crataegus monogyna Jaco. In heggen te Hoek. Ord. ONAGRARIEAE Juss. Trib. Onagreae DC. Epilobiumangustifolium L. Zuiddorpe; in bosschen. — hirsutum L. Hoek ; aan slootkanten. ten. — parviflorum Scur. Hoek ; aan slootkan- — — &. verticillatum. 280 Epilobuum montanum L. Aan slootkanten. — — B. verticillatum. — virgatum Fr. — tetragonum L. Ord. HALORAGEAE B. Br. Myriophyllum spicatum L. Sas van Gend; in grachten. Ord. HriepurimpeaE Link. Hippuris vulgaris L. Sas v. Gend, Overslag, enz. ; op beschaduwde plaatsen in slooten. Ord. CALLITRICHINEAE Link. Callitriche stagnalis Scop. — vernalis Kurz. Beide soorten te Sas v. Gend en Philippine. Ord. CERATOPHYLLEAE Gray. Ceratophyllum submersum L. Nadere onderzoe- kingen zullendoen zien of ik met C. submersum ook C. demersum in grachten te Sas v. Gend heb verzameld. C. subm: onderste 281 bladen aan de zijdelingsche tak- ken dikwijls minder verdeeld dan de bovenste bladen. C.demers.: onderste bladen van de zijdelingsche takken geheel on- verdeeld. Ord. LvTarArIEAr Juss. Lythrum Salicaria L. Ook met drie aan drie kranswijs geplaatste bladen; Kanaal van Neuzen, slooten te Hoek, enz. Ord. PoRTULACEAE Juss. Montia minor Gu. Sas v. Gend; op zandgrond. Ord. ScrERANTHEAE Link. Scleranthus annuus L. Hulst, Zuiddorpe, enz. Ord. CGrassuLacrag DC. Sedum acre L. Aan dijken algemeen. Sempervivum tectorum L. Op daken te Hoek. Ord. GROSSULARIEAE DC. Ribes Grossularia L. in heggen. 282 a. glanduloso-setosum Kocu. 6. pubescens Kocu. Ord. SAxirRAGEAE Vent. Saxifraga tridactylites L. Aan dijken en muren te Hoek , Sas v. Gend , Neuzen. Ord. UMBELLIFERAE Juss. Subord. Orthospermae Kocn. Trib. Hydrocotyleae Spr. Aydrocolyle vulgaris L. In slooten te Koe- wacht, Sas van Gend. Trib. Saniculeae Kocn. Eryngium campestre L. Aan zeedijken te Hoek, Philippine. Trib. Ammineae Koca. Apium graveolens L. Aan slootkanten te Hoek, Newzen. Aegopodium Podagraria L. Aan vuilnishoopen , in slooten en onder heggen. Berula angustifolia Kocu. In slooten te Zuid- dorpe. | Sium latifolium L. In grachten te Hulst; kanaal van Neuzen. Bupleurum tenuissimum L. Hoek; aan de zee- dijken. 283 Trib. Seselineae Kocn. Oenanthe fistulosa L. Zuiddorpe. — Lachenalii Gu. Kanaal van Neuzen. — Phellandrium Lam. In slooten en moe- rassen te Hoek, Neuzen, enz. Aethusa Cynapium L. Bouwland , enz. Trib. Angeliceae Kocn. Angelica sylvestris L. In de vestingwerken te Neuzen, aan dijken te Hoek. Trib. Peucedaneae DC. Thysselinum palustre Horr. (Hulst; v. p. Bosca). Pastinaca sativa L. Heracleum Sphondylium L. Neuzen, Hoek. Trib. Daucineae Kocn. Daucus Carota L. Subord. Campylospermae Kocn. Trib. Caucalineae Kocn. Torilis Anthriscus Gm. Aan heggen, in bos- schen. — nodosa GärrN. Aan zeedijken te Hoek, Philippine. Trib. Scandicineae DC. Seandix Pecten Veneris L. Anthriscus sylvestris Horrm. Aan slooten te Hoek, de Kauter, enz. — Cerefolium Horrm. Aan heggen te __Hoek, de Kauter. — vulgaris P. Aan de Kauter menig- vuldig. 284 Chaerophyllum temulum L. Trib. Smyrneae Kocn. Contum maculatum L. Hoek, Axel; aan vuil- nishoopen enz. Ord. ARALIACEAE Juss. Hedera Helix L. Hoek; in heggen. Ord. CApriFoLIAcEAE Juss. Sambucus nigra L. Ook de var : laciniata van DE GORTER. Lonicera Periclymenum L. In Eikenbosschen te Zuiddorpe en Sas v. Gend. Ord. STELLATAE L. Sherardia arvensis L. De soort met stomp ge- tande vruchtjes (Ned. Kruidk. Arch. k° D. 2° Stuk, pag. 155) op bouw- land te Hoek. Bij uitzaaijing is mij gebleken , dat deze niet in de gewone soort overgaat, maar de eigenaar- dige kale, stomp getande vruchtjes be- houdt. Rubia tinctorum L. In ’t groot verbouwd. Galium tricorne Wirn. Neuzen, aan de wallen ; Hoek, tusschen heggen. — Aparine L. — palustre L. in slooten, enz. 285 — verumL. Wallen vanSasv. Gend en Hulst. — Mollugo L. — saxatile L. Zandgrond te Zuiddorpe. Ord. Valerianeae DC. Valeriana officinalis L. Kanaal van Neuzen. — Sambucifola Mikan. Aan slooten te Sas van Gend. Valerianella olitoria Port. Aan dijken te Hoek. == dentata Pott. Op bouwland te Hoek, enz. a leiocarpa Kocn. 8. lasiocarpa Kocu. Ord. DiPsAcEAE Juss. Dipsacus sylvestris Mur. Knautia arvensis Court. Hoek, aan dijken ; Neu- zen, op bouwland, in lange exempl. Ord. ComrosrraE Adans. Subord. Corymbiferae Vaill. Trib. Eupatoriaceae Less. _ Eupatorium Cannabinum L. Aan slooten. = — . heterophyllum. Tussiago Farfara L. Op magere kleigronden. Trib. Asteroideae Less. Aster Tripolium L. Op schorren en aan slooten 286 Bellis perennis L. Erigeron Canadensis L. Op uitgegraven gronden te Neuzen in zeer groote, en te Hulst op zandgrond in kleine exempl. ver. zameld. — acris L. In verschillende vormen. Solidago Virga aurea L. Koewacht. Inula Helenium L. (Ned Kr. Arch. 4° D. 2° St. pag. 156). — Conyza DC. Aan dijken en wegen niet zeldzaam te Hoek. (Zaamslag en Axel v. D. TRAPPEN). Pulicaria dysenterica Gärts. Trib. Senecionideae Less. Bidens tripartita L. Hulst, Kanaal van Neuzen, Hoek (zeldzaam), Axel, enz. Filago minima Fr. Op zandgrond te Zuiddorpe en Koewacht. Gnaphalium uliginosum L. Te Hulst en Axel. = luteo-album L. Neuzen, aan een zeedijk. Artemisia AbsynthiumL. Aan dijken naar den zeekant. — vulgaris L. Tusschen heggen. — maritima L. Aan zeedijken te Hoek. a, maritima W. 6. gallica W. y. salina W. Tanacetum vulgare L. 287 Achillea ptarmica L. Aan het Kanaal van Neu- zen en ook te Hoek, zeldzaam. — Millefolium L. Anthemis Cotula L. — arvensis L. Zandig bouwland te Koe- wacht. Matricaria Chamomilla L. Op bouwland. Chrysanthemum Leucanthemum L. = Parthenium Pers. In tuinen a inodorum L. Aan wegen naar den zeekant. 7 maritimum Sm. Bij zeedijken. Senecio vulgaris L. — Erucifolius L. Aan dijken en slooten. — Jacobaea L. Aan dijken en wegen. — erraticus Berton. Koewacht en Zuid- dorpe. Subord. Cynarocephalae Less. Trib. Cynareae Less. Subtr. Carduineae Kocu. Cirsium lanceolatum Scop. — palustre Scop. Zuiddorpe, Overslag, en zeldzaam te Neuzen. — arvense Scop. Carduus nutans L. Onopordum Acanthium L. Koewacht, Axel en Sas v. Gend. (vy. p TrAPPEN). Lappa minor DG. Koewacht. tomentosa Lam. Algemeen. 288 Subtrib. Carlineae Cass. Carlina vulgaris L. Aan dijken en slooten te Hoek. Subtrib. Centaurieae Desf. Centaurea nigra L. Algemeen. — Cyanus L. Zuiddorpe, Koewacht, Sas v. Gend. — Calcitrapa L. Philippine, Sas v. Gend, aan dijken (Sas v. Gend. v. p. Boscu en B. Wis). Subord. et Trib. Cichoraceae Juss. Subtrib. Lapsanae Desf. Lapsana communis L. Op bouwland en aan wegen. Arnoseris pusilla Gaxtn. Zuiddorpe; op bouw- land. Hulst; (v. p. Bosco et B. Wits). . Subtrib. Cichorieae CG. H. Scaurrz. Cichorium Intybus L. Aan dijken te Hoek. Subtrib. Leontedonteae C. H. Scuutrz. Thrincia hirta Rorn. Hoek. Leontodon autumnalis L. Hoek. Helminthia Echioides Gartn. Aan dijken bij sloot- kanten. Subtrib. Scorzonereae C. H. ScuuLrz. Tragopogon minor Fr. Aan dijken te Hoek. = pratensis L. Aan wegen en tusschen heggen te Hoek en Neuzen. Subtrib. Hypochoerideae Desf. Hypochoeris glabra L. Te Zuiddorpe op bouwland. De stengels ook met bladen voor- 289 zien, in groote exempl., te Koe- wacht. (Hulst; v. p. Boscn en B. Wits). = radicata L. Aan dijken te Hoek. Subtrib. Chondrilleae Kocu. Taraxacum officinale Wiee. Allerwege. In ver- schillende vormen komt deze plant voor, zoo wat de bladen betreft, als de buitenste kelkslippen. Aan Mauritsfort met zeer diep inge- snedene bladen, waarvan de slip- pen fijn zijn. Aan dijken : een kleine vorm, met de buitenste kelkbladen afstaande, enz. — lividum Kocu. (Zie Kr. Archief 4° D. 2° St. pag. 157 enz.). Niet alleen voorleden jaar, maar ook wederom in dit jaar 1857, is de plant in alles dezelfde gebleven en door uit- zaaijing geenzins tot den gewonen vorm teruggekeerd. Subtrib. Lactuceae Kocn. Lactuca saligna L. Aan zeedijken te Hoek, zeldzaam. Sonchus oleraceus L. In tuinen, enz. _ — B. runcinatus Kocu. a — yy. lacerus Warre. = asper VILL. ar — B. lacindatus. 290 Sonchus arvensis L. Op en aan bouwland. Subtrib. Crepideae Kocn. Crepis biennis L. «. runcinata Kocu. Aan sloot- kanten. — viens Vit. — — B. diffusa. Hieracium Pilosella L. Aan dijken. — — 6. robustum Kocn. — vulgatum Fr. (Hulst; Wits en v. D. Boscu). — tridentatum Fr. Zuiddorpe (Hulst; v. DEN Bosca en B. Wis). — rigidum Harru. Zuiddorpe, Koewacht. Ord. CAMPANULACEAE Juss. Jasione montana L. Zuiddorpe, Koewacht, Overslag. Campanula Rapunculoides L. Hoek, zeldzaam. — Rapunculus L. Wallen van Hulst (Hulst; v. p. Boscu. en B. Wits). Specularia Speeulum DC. Hoek, op bouwland. Ord. Ericinear Desv. Calluna vulgaris Satiss. Heidegronden te Koe- wacht, enz. (Hulst; v. op. Boscn en B. Wits). Erica Tetralix L. Heidegronden te Koewacht, 291 enz. (St. Jan Steen; v. p. Boscu. en B. WILs). Subclass. 3. COROLLIFLORAE. Ord. AourroLtiackAE DC. ilex Aquifolium L. In heggen te Overslag, Hulst, enz. Ord. Oreacrar Lindl. Ligustrum vulgare L. In heggen. Syringa vulgaris L. Komt menigvul- dig in heggen om tuinen aan den Kauter voor; het schijnt mij toe, dat de bloemen aldaar eene meer zuiver blaauwe kleur bezitten. Fraxinus excelsior L. Aangeplant. Ord. ApocyrraAg R. Br. Vinca minor L. Hoek, in heggen. Ord. GENTIANEAE Juss. Trib. Menyantheae Kocu. Limnanthemum Nymphotdes Link. Sas van Gend 292 en Westdorpe, in grachten. Trib. Gentianeae verae Kocn. Erythraea Centaurium Pers. Op bouwland. Niet menigvuldiger in nieuwe dan in oude polders, zoo als P. Honnius vermeende. — pulchella¥ x. In weilanden te Hoek en Axel. Op derriegronden te Hoek. Ord. CONVOLVULACEAE Juss. Trib. Genuinae Link. Convolvulus sepium L. — arvensis L. Ook de var. &. ob- tusifola v. HAL. Ord. BorAGinear DC. Trib. Cynoglosseae Kocu. Cynoglossum officinale L. Hoek, aan dijken. Trib. Anchuseae Kocx. Borago ojficinalis L. Axel. Lycopsis arvensis L. Sas v. Gend, aan de wallen ; Hulst, op zandgrond. Symphytum officinale L. Met verschillend ge- kleurde bloemen. Trib. Lithospermeae Kocu. Lithospermum officinale L. Hoek en Neuzen, aan dijken. 293 Lithospermum arvense L. Wallen van Sas v. Gend, Hoek (zeldzaam). Myosotis palustris Wrrn. — — 4. vulgaris. S. v. Gend, aan grachten (Sas v. Gend; v. pen B. en B. Wins). — — @. aquatica. Kanaal van Neuzen. — strigulosa Reus. (Hulst? v. p. Bosen en Wis). — caespitosa Scurrz. Sas v. Gend. —- hispida Seuurp. Aan dijken te Hoek. — — y. procumbens. — intermedia Lx. Op bouwland. —- — B. umbrosa. — versicolor Pers. Sas van Gend. 6. multicaulis. y. taxa. b. (Hulst; v. po. B. en B. Wits). — stricta Lx. Allerwege. Ord. SoLANEAE Juss. Solanum humile Bernu. Hulst, op vochtigen zandgrond. — nigrum L. — Dulcamara L. Ook de speling met al de bladen ovaal, oningesneden. — tuberosum L. Aangeplant. Nicandra Physaloides Gartn. Hoek, in een moestuin, onder Radijs. Ook werden 294 mij later exempl. toegezonden van Kersenburg bij Brigdamme op Wal- cheren, die in het wild gevonden waren. Hyoscyamus niger L. Hoek, in tuinen; Hulst, op zandgrond. Datura Stramonium L. Hoek, in tuinen en aan wegen. Ord. VERBASCEAE Bartl. Verbascum Schraderi Meier. Wallen van Neu- zen en Hulst; slootkanten en tuinen te Hoek. Scrophularia Balbisú Horn. Sas v. Gend, aan wal- len; Zuiddorpe en Hoek, aan sloot- kanten. Ord. ANTIRRHINEAE Juss. Linaria Elatine Mur. Hoek, op bouwland. — vulgaris Mur. Wallen van Sas v. Gend, Hulst, Neuzen. Veronica scutellata L. (Staats Vlaanderen; v- p. B. en B. W). — Anagallis L. Hoek, in slooten , enz. — — £6. aquatica. — — y. minor R. S. — — 4. latifolia. — Beccabunga L. Sas v. Gend, aan grachten. — Chamaedrys L. Aan wegen, enz., te Veronica 295 Hoek, Neuzen. Chamaedrys L. B. Lamufolia. officinalis L. Zuiddorpe (Hulst; v pb. B. en B. Wis). Serpyllifolia L. In weilanden en aan dijken te Hoek. arvensis L. = 6. nana. agrestis L. — £. radicans. Hoek, in tuinen. Buxbaumi Ten. In een Klaverveld te Hoek. Hederaefolia L. Ord. OROBANCHEAE Juss. Orobanche minor Surr. Op Klavervelden te Hoek, Sas v. Gend. Ord. RurrNANTHACEAE Koch. Melampyrum arvense L. Hoek, op bouwland. Pedicularis sylvatica L. (Zuiddorpe; v. po. B. en B. Wis). Rhinanthus minor Eara. In vlieten, enz., te Hoek. 2 — 6. fallax. Hoek (Kanaal bij Sas v. Gend; v. p. Boscn). — — major Kuru. Hoek, Neuzen (Kanaal bij Sas v. Gend; v. b. B.) 296 Euphrasia officinalis L. Hoek, Koewacht. — Odontites L. Allerwege. Ord. LABIATAE Juss. Trib. Menthoideae Benth. Mentha aquatica L. Aan slooten te Hoek. — — ££. hirsuta. — saliva L. — arvensis L. Op bouwland te Hoek. Lycopus Europaeus L. Hoek, aan slootkanten. Trib. Satureineae Benth. Origanum vulgare L. Aan dijken te Hoek en Neuzen (Tusschen Axel en Neuzen; v. D. TRAPPEN). Thymus Serpyllum L. a — a. Chamaedrys. Zuiddorpe, Koe- wacht. (Hulst; v. p. B. en B. W.). Trib. Nepeteae Benth. Glechoma Hederacea L. — — 8. major. Trib Stachydeae. Benth. Lamium amplexicaule L. Sas v. Gend, Koe- wacht, Hulst ; ook zeldzaam te Hoek. — incisum Wup. Op bouwland, onder heggen, enz., te Hoek. — __purpureum L. Soms met gevlekte bla. den, op beschaduwde plaatsen, na veel regen. 297 Lamum album L. Galeopsis ochroleuca Lam. Zuiddorpe (St. Jan Steen en Hulst; v. Dn. Bosca en B. Wits). bifida Bonn. Zuiddorpe, Koewacht. versicolor Curt. Koewacht. Omtrent de soorten bifida en pubes- cens Bess. zie Kr. Archief 4° d. 2° St. pag. 151 enz. coun sylvatica L. Sas v. Gend, op bescha- duwde plaatsen. palustris L. Op bouwland te Hoek. — 6. segetum. — 7. petiolata. a d, multiflora pe Br. arvensis L. Zuiddorpe, Sas v. Gend (Hulst; v. p. Bosca en B. Wits). Volgens de Flor. Bat. p. 828 is Be- tonica officinalis L. door D". v. vb. Bosca in Zeeuwsch-Vlaanderen ge- vonden. Ballota foetida Lam. In heggen te Hoek en Zuid- — dorpe. Trib. Scutellarineae Benth. Scutellaria galericulata L. Kanaal van Neuzen, Sas van Gend, Westdorpe. Prunella vulgaris L. Ook met witte bloemen. Trib. Ajugoïdeae Benth. Teucrium Scorodonia L. Koewacht. 298 Ord. VERBENACEAE Juss. Verbena officinalis L. Ord. LENTIBULARIEAE Rchb. Utricularia vulgaris L. Overslag (St. Jan Steen; v. D. Bosco en B. Wits). Ord PrimuLACEAE Vent. Lysimachia vulgaris L. Hoek, Koewacht. — — B. paludosa. Zuiddorpe. — Nummularia L. Anagallis arvensis L. — — B. fol. floribusque super. ternis. Ook met kruiswijs staande en af- wisselende bladen. Hottonta palustris L. Overslag, Sas v. Gend (Hulst; v. p. Bosca en B. Wits). Samolus Valerandi L. In slooten te Hoek. Glaux maritima L. Aan zeedijken te Hoek; aan wallen en wegen te Axel. Ord. PLUMBAGINEAE Juss. Statice elongata Horr. — — 8. maritima. — Limonium L. Deze plant, door P. Honprus 299 te Neuzen op de schorren gevonden en het eerst als inlandsch bekend gemaakt, komt hier nog zeer menigvuldig voor. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hier- onder verschillende vormen of soorten schuilen. Ord. PLANTAGINEAE Juss. Plantago major L. — lanceolata L. Met eene spica digitata aan het kanaal van Neuzen en Sas van Gend. = — «4, vulgaris. — — B. lanuginosa. == — y. elliptica. — maritima L. — a. genwina. form. leptophylla. — — . dentata. — Coronopus L. Aan zeedijken, enz., te Hoek en te Neuzen. Subclass. 4. MonocHLAMYDEAE. Ord. AMARANTACEAE Juss. Amarantus Blitum L. Axel, in tuinen. 300 Ord. CHENOPODEAE Vent. Subord. Spirolobeae C. A. M. Trib. Salsoleae C. A. M. Schoberia maritima G. A. M. Subord. Cyclolobeae C. A. M. Trib. Salicornieae C. A. M. Salicornia herbacea L. Op schorren en slikken. Trib. Chenopodieae C. A. M. Chenopodium album L. Op bouwland te Hoek. == — «&, spicatum Kocu. — — 68. cymigerum Kocu. = polyspermum L. Hoek, in tuinen. — — 4, cymoso-racemosum Kocu. — — B. spicato-racemosum Kocn. Blitum rubrum Reus. Aan wegen, enz. — glaucum Kocu. Aan zilt-waterkanten. Trib. Atriplicineae C. A. M. Halimus Portulacoides Wattr. Op schorren buitendijks. — pedunculatus Warrr. Aan zilt-water kanten binnen de polders te Hoek. Atriplex horiensis L. In tuinen verbouwd. — patula L. — — @. microcarpa Kocu. — latifolin Waut. — — B. microcarpa Kocn. == — salina Kocu. 301 Ord. PoLyGonEaE Juss. Rumex Hydrolapathum Hups. Sas van Gend. crispus L. Aan dijken. conglomeratus Murr. Acetosa L. — B. auriculatus Kocu. Acetosella L. Wallen te Sas van Gend, Hulst, Axel. — B. angustifolius Koen. Polygonum amphibiumL. Sas v. Gend, in grachten. — a. glabratum, forma natans. — y. hirtulum, formaterrestris. pallidum Wira. Op bouwland. — a. vulgatum a. ramosum; b. simplex. nodosum Pers. Persicaria L. mile ScHRANK. Hydropiper L. aviculare L. a. triviale Rens. Aan wegen. = 6. erectum L. = 7. neglectum Bess. Convoluulus L. Op bouwland. dumetorum L. In heggen te Hoek. Fagopyrum L. In ’tgroot verbouwd. tataricum L. Onder de voorgaande 302 soort te Hoek; aan wegen te Hulst. Ord. EuPHORBIACEAE Juss. Euphorbia Helioscopia L. In tuinen te Hoek. — Cyparissias L. (St Jan Steen; Vv. p. Bosca en B. Wits). — Peplus L. In tuinen. — exigua L. Op bouwland. nn — B. truncata Koen. Zuiddorpe. — Lathyris L. In tuinen. Mercurialis annua L. Hulst, Axel (Axel; v. p. TRAPPEN). Ord. UrrticeaAr Juss. Trib. Urticeae genuinae Koch. Urtica urens L. — dioica L. Cannabis sativa L. Hoek. Ook in ’t groot ver- bouwd te Westdorpe. Humulus Lupulus L. Trib. Ulmaceae Mirb. Ulmus campestris L. Ord. JuGLANDEAE DC. Juglans regia L. 303 Ord. Cuputirerar Rich. Quercus pedunculata Exru. In bosschen te Zuid- dorpe. Corylus Avellana L. Ord. SarricineaE Rich. Salix alba L. Aangeplant. — Babylonica L. — viminalis L. Aan slootkanten. — cinerea L. Aan slootkanten. — — fB. aquatica. — repens L. «. vulgaris Kocu. Hoek, op lage weiden. — — 6. argentea Sm. Bij de vorige. Populus alba L. Aangeplant. — monilifera Arr. Aangeplant. Ord. BeruLinEaE Rich. Alnus glutinosa Gartn. Ord. Myriceag Rich. Myrica Gale L. (St Jan Steen; v. pv. Bosca en B. Wits). Ord. CONIFERAE Juss. Pinus sylvestris L. Zuiddorpe, in bosschen a Dona IE id. id. Class. ENDOGENAE seu MONOCOTYLEDONEAE. Ord. Hvyprocnarimear DC. Stratiotes aloides L. Sas v. Gend, in grachten. Hydrocharis Morsus ranae L. Sas v. Gend, in grachten. Ord. ALISMACEAE Juss. Alisma PlantagoL. Hoek, Neuzen,enz., in slooten. — — B.L. lanceolatum Kocu. — natans L. (Zuiddorpe; v. p. Boscu en B. Wits). — Ranunculoides L. B. Sparganifolium Fr. (Hellendijk bij Hulst; v. p. Bosch en B. Wis). Ord. Buromear Rich. Butomus umbellatus L. Kanaal van Neuzen, Sas v. Gend, Westdorpe. 305 Ord. JuncacingcAz Rich. Triglochin maritimum L. Hoek, in vlieten. — palustre L. id. id. Ord. PoramearE Juss. Polamogeton natans L. Hoek (St. Jan Steen v. D. Bosca en B. Wits). — oblongus Viv. (St. Jan Steen; v. p. Bosca en B. Wits). = Hornemannt Mewer (St. Jan Steen; v. D. B. en B. W.) — lucens L. Westdorpe (Sas v. Gend; v.D B. en B. W.) — perfoliatus L. (Sas v. Gend; v. on. B. en B. Wits). — crispus L. Sas van Gend (Ook v. p. Bosch en B. Wits). —— compressus L. Achter Sas. v. Gend. — pusillus L. B. vulgaris Fr. Overslag. — pectinatus L. In slooten en kreken te Hoek. a, genumus. B. scoparius Watt. — densus L. Achter Sas v. Gend. Ruppia maritima L. In slooten te Hoek. — rostellala Kocu. id. id. Zanichellia palustris L. Hoek, in slooten. 20 306 Zanichellia pedicellata Fr. Te Hoek in slooten. Ord. NasapEsE Lk. Zostera marina L. In kommen of putten op slikken. — nana Rorn. Zie verslag 1856. Ord. LEmNACEAE Lk. Lemna trisulca L. — polyrrhiza L. Achter Sas. v. Gend. — minor L. | — gibba L. Ord. TypHACEAE Juss. Typha angustifolia L. Hoek, in slooten. Sparganium ramosum Huns. Sas van Gend. Ord. AROÏDEAE Juss. Acorus Calamus L. Hoek, in putten; kanaal van Neuzen. Ord. Orcmpear Juss. Trib. Ophrydineae Kocn. Orchis Morio L. Hoek, in weiden en aan dijken. 307 Orchis maculata L. y. Meijeri. Zuiddorpe. — latijolia L. Ook met gevlekte bladen. — incarnata L. Met de vorige in weiden te Hoek. Trib. Limodoreae Kocn. Epipactis latifolia Au. In moerassige weiden te Hoek. Listera ovata R. Br. Onder heggen, enz., te Hoek. Ord. Iripear Juss. Iris Pseudacorus L. Kanaal van Neuzen, Hoek. Ord. ASPARAGEAE Juss. Asparagus officinalis L. Aan kanten van een bouwland te Hoek. Ord. LirraceaE DC. Trib. Asphodeleae Kocn. Ornithogalum umbellatum L. Aan dijken te Hoek. Allium oleraceum L. Aandijken en wegen te Hoek, enz. (Axel en Neuzen; v. p. TRAPPEN. Ord. Juncaceaz. Bartl. Juncus conglomeratus L. — effusus L. B, conglomeratus. — glaucus Ennn. 8. paniculatus. 308 Juncus lamprocarpos Euru. — squarrosus L. (Zuiddorpe; v. p. Ben B.W). — Gerard Loss. — bufonius L. Luzula campestris DG. — multiflora Les. (Hulst; v. pv. B. en B. W.). as — B. pallescens Kocu. (S‘. Jan Steen ; v. D. B. en B. W.). Ord. CyPERACEAE Juss. Trib. Scirpeae Kocn. Cladium Mariscus R. Br. (S*. Jan Steen; v.p. B. en B. W.) Heleocharis palustris R. Br. — uniglumis Link. Beide in vlieten te Hoek. Scirpus caespitosus L. (Zuiddorpe; v. pv. B. en B. W.) — Tabernaemontant Gm. — maritimus L. Eriophoron angustifolium Rotu. In slooten te Neuzen. Trib. Cariceae Kocn. Carex disticha Huns. Hoek. — arenaria L. (Hulst; v. p. Bosco en B. W.). — muricata L. Hoek, Sas v. Gend. — remota L. Sas v. Gend. — stellulata Goon. (Zuiddorpe; v. p. Boscr en B. Wits). 309. Carex pilulifera L. (S‘. Jan Steen; v. pv. Boscu en B. Wits). — glauca Scop. — distans L. Sas v. Gend. — Obiligularis Dum. Zeer algemeen. — Pseudocyperus L. Zuiddorpe. — ripariaCurr. Sas v. Gend. — Mirta L. Wallen van Hulst. Ord. GRAMINEAE Juss. Trib. Paniceae Kunth. Panicum glabrum Gavp. Zuiddorpe, op bouwland. — Crus Galli L. Sas v. Gend, op bouw- land. Setaria viridis P. B. Zuiddorpe, op bouwland. Trib. Phalarideae Kunth. Phalaris Canariensis L. Aan vuilnishoopen te Hoek. — arundinacea L. Aan waterkanten. Anthoxanthum odoratum L. Allerwege. Trib. Alopecuroideae Koch. Alopecurus agrestis L. ~~ geniculatus L. Phleum pratense L. — — B. nodosum P. Trib. Chlorideae Koch. Spartina stricta Korn. Hoek, op schorren en slikken. 310 Trib. Agrostideae Kunth. Agrostis stolonifera L. — — 6. gigantea Kocn. == — y. maritima Kocu. Apera Spica venti P. B. Calamagrostis lanceolata Rotu. Axel. — Epigeios Rots. Axel. Trib. Arundinaceae Kunth. Phragmites communis Trin. Trib. Avenaceae Kunth. Corynephorus canescensP. B. Zuiddorpe, Overslag. Holcus lanatus L. — mollis L. Arrenatherum elatius M. et K.B. bulbosum Kocu. Avena sativa L. — orientalis Scare. Axel, verbouwd. — fatua L. — pubescens L. Wallen van Hulst. — flavescens L. — Caryophyllea Wiee. Overslag, Zuiddorpe (Hulst). Triodia decumbens P. B. Koewacht; WALRAVEN en Douw (S*. Jan Steen; v. p. Bosca en B. Wits). Trib. Festucaceae Kunth. Briza media L. Hoek, aan dijken. Poa annua L. —irivialis L. Glycera spectabilis M. et K. Kanaal van Neu- 311 zen, enz. Glyceria fluitans R. Br. Slooten te Hoek. aa distans Wants. Hoek, aan wegen, enz. — maritima M. et K. Slootkanten te Hoek. Dactylis glomerata L. — — B. glaucescens (D) Warp. — — y. abbreviata Dres. Cynosurus cristatus L. Festuca ovina L. @. tenwifolia (F) Sista. Zuiddorpe. — rubra L. Algemeen. — arundinacea SCHREB. — elatior L. — loliacea Huns. Bromus grossus DC. Zuiddorpe, Sas v. Gend. — commutatus Scuran. — mollis L. — sterilis L. Trib. Hordeaceae Kunth. Triticum vulgare L. — repens L. «. vulgare. = aa 6. glaucum. == = y. littorale Host. (Graauw ; v. p. B. en B. W.). Secale cereale L. Hordeum vulgare L. — hexastichon L. — distichum L. = murinum L. — — secalinum Scures. 312 Hordeum maritinum Wrru. Lolium perenne L. cae — a. tenue. — — __b. ramosum. — — Linicola Sonp. Achter Sas v. Gend; ook met genaalde kafblaadjes. Lepturus incurvatus Trin. Hoek, op lage weiden. Trib. Nardoideae Koch. Nardus stricta L. Koewacht, Zuiddorpe, Over- slag (Zuiddorpe; v. p. B. en B. W.). De Heer Everwijn overhandigt den Conser- vator eenige gedroogde exemplaren van Con- volvulus Soldanella, verzameld bij Noordwijk. De Voorzitter, thans het woord nemende, brengt ter kennisse der aanwezige leden, dat het zijn voornemen is, in de volgende Verga- dering een uitgewerkt plan ter tafel te bren- gen, waarnaar de bewerking eener Flora van Nederland zoude kunnen worden geregeld, daar het toch niet alleen wenschelijk maar ook noodzakelijk mag heeten, dat er eenheid besta in den arbeid, waaraan, zoo als hij denkt voor- testellen, velen zullen deelnemen. Hij meent, dat de beide brieven van de H. H. BureerspuK en ABELEVEN bij die gelegenheid weder ter ta. fel zullen moeten gebragt worden, omdat dan eerst de tijd zal gekomen zijn, om over de daarin vervatte voorstellen te raadplegen. De Heer Buse verbindt zich, voor de volgende 313 Vergadering eene nalezing in gereedheid te brengen op onze in den Prodromus opgeno- mene Musci frondosi, en de Heer Surinear be- looft, zijne onderzoekingen omtrent Nederlands Algen voort te zetten. D". Wis berigt, dat zijne veelvuldige en veelomvattende bezigheden het hem onmogelijk maken, het Secretariaat der Vereeniging lan- ger waar te nemen, en legt die betrekking dien ten gevolge neder. De Voorzitter betreurt dit besluit, doet hulde aan de diensten, door den Hr. Wits in zijne betrekking van Secretaris . aan de Vereeniging bewezen, en noodigt de aanwezige leden uit, tot eene stemming over te gaan, ten einde een nieuwen Secretaris te be- noemen. Aan dit verzoek gevolg gegeven zijn- de, blijkt het, dat de meeste stemmen voor de opengevallene betrekking zich vereenigen op Dr. C. A. J. A. Oupemans, die haar dan ook be- reidwillig op zich neemt. Als plaats voor de volgende jaarlijksche bij- eenkomst wordt op nieuw Leiden aangewezen, en Dr. Boursse Wars te gelijker tijd tot hono- rairew Voorzitter benoemd. Prof. De Vriese bedankt, ook namens zijne medeleden, den Voorzitter voor zijne leiding, De Vergadering wordt gesloten. ORCHIDEAE QUAEDAM LANSBERGIANAE CARACASANAE E MUSEO SPLITGERBERIANO HORTI ACADEMICI LUGDUNO BATAVO, DESCRIPTAE AUCTORE H. G. REICHENBACH, Fit. Professore Lipsieusi. AAS 4. Orndthocephalus planifolius. Foliis carnosis lanceolatis, pedunculo glabro, tepalis cuneato-ovatis denticulatis, labello co- chleari oblongo inferne carinato, ante basin intus velutino. Plantula minuta. Pedunculus racemosus pluri- florus, vix bipollicaris. Bracteae triangulae acu- tae ovarii pedicellati quintam aequantes. Sepala triangula extus carinata. Tepala cuneato-oblonga obtusiuscula exceptis apice et basi minute den- ticulata. Labellum subrhombeum carnosum lim- bosum, limbo emarginato ante gynostemii pe- dem erecto. Pulvinar pubis ante basin. Gy- nostemium apice multo angustius, quam basi. 316 2. Angrecum Lansbergit. Affine micrantho Lindl., Schiedei Rchb. fil. et organensi Rchb. fil. foliis apice valde inae- qualiter bilobis, lobis obtusatis, microscopice denticulatis, bracteis excavatis brevissimis mar- gine minute denticulatis, calcari clavato cy- lindraceo vix incurvo, labello lanceo-acuminato calcari aequi longo, medio utrinque minute angulato. Planta alcohole ‘asservata prostat spithamaea apice foliata, folia usque bipollicaria dimidium pollicem lata medio, infra cuneata. Vaginae recentes scrobiculatae, dein nervosae arpophyl- laceae. Radices adventitiae valde crassae. Pe- dunculi validi. Flores biseriati. Bracteae ovariis ter breviores. Sepala et tepala lancea. 3. Epidendrum (Spathium) platyotis. Affine Epidendro acutissimo floribus illis Epi- dendri patentis dimidio mmoribus, spatha uni- ca, racemo laxo, sepalis tepalisque ligulatis, labelli lobis lateralibus a basi semicordata lim- boque interno involuto extrorsum hastatis, lobo medio quadrato dilatato retuso emarginato, pa- pulis geminis in basi, lineis carnosis interpo- sitis ternis, androclinio exciso. A. Epidendrum (Erepidendrum umbellatum) Lans- bergü. Nulli arcte affine, ramulosum, foliis linea- ribus acutis, pedunculo ancipiti corymboso, se- 317 palo summo cuneato oblongo acuto, sepalis la- teralibus ovato-triangulis, labelli lobis latera- libus rotundis, lobo medio lato ligulato apice dilatato emarginato, callis rotundatis geminis in basi, linea carnosa progrediente interposita. 5. Bletia Lansbergü. Aff. Bletiae Wagener? labello apice trilobo, lo- bis lateralibus semi-ligulatis obtusis, lobo me- dio ligulato acuto crispulo, nervis quinis me- dianis per duas tertias anteriores (apice lobi medii excepto) carinatis, carinis lobatis hinc crenatis. Adest icon picta Wageneri amici. Folia ge- mina cuneato-ligulata acuminata pedalia. Pe- dunculus paucivaginatus apice paucifloro race- mosus sesquipedalis. Bracteae ovarii pedicellati quartam aequantes. Flores illis Bletiae campa- nulatae aequales, pulchre coccinei, labelli pal- lidioris lobo antico atrosanguineo. Sepala et tepala subaequalia cuneato-oblonga acuminata. Labellum a basi flabellatum. (Guareyma 3000, 1850. VI. Ex am. Wagener). 6. Masdevallia Lansbergit. Aff. minutae Lindl. labelli trilobi lobo medio minute papuloso nec bicristato, tepalis ligulatis, basi utrinque angulatis, apice oblique sinuato tridentatis. Plantula pusilla caespitosa. Folia spathulata obtusata, emarginatula; pedunculo crassiusculo 318 breviora. Pedunculus apice univaginatus. Brac- teae ovario pedicellato breviores. Cupula arcte cylindracea apice (supra tertiam quintam) co- arctata. Apices liberi lineares obtuse acuti ae- quales per duas quintas. Tepala supra descripta. Labelli lobi laterales rectilinei antice paulo transcendlentes supra lobum medium rhombe- um. Gynostemium clavatum androclinii limbo denticulato. 7. Epidendrum seriatum Lind]. est Encyclium labello integro caracasanum, pseudobulbo ob- pyriformi, foliis lineari-ligulatis, panicula effusa. Adest icon Lansbergiana et prostant flores Wa- generiani et Lansbergiani. ORCHIDEAE SPLITGERBERIANAE SURINAMENSES, E MUSEO SPLITGERBERIANO HORTI ACADEMICE LUGDUNO BATAVO. RECENSITAE AUCTORE H. G. REICHENBACH, Fit. Professore Lipsiensi. ~~~ 1. Habenaria obtusa Lindl. (H. Lindeni Lindl.!} »856 Aprili 1838. In savanna arenosa prope Joden Savanna Surinami. Sepala alboviréscentia. Petala alba. Labellum albovirescens” (Specimen herbarii nostri, prope Matto grosso a Riedelio lectum, signatur: »in arenosis graminosis hu- midiusculis, Januario, floribus viridi-flavescenti- bus.” 2. Habenaria parvidens Lindl. Exacte qua- drat cum icone originali herbarii Lindleyani longitudo quidem labelli multum variat. Planta gracilior , sesquipedalis, usque bipedalis, folia lanceolata acuminata bipollicaria; nunc paulo 320 longiora, summa in vaginas mutata pauca. Racemus laxiusculus. Bracteae lanceolatae, basi latae, apice acuminatae aristataeve flores subae- quantes. Ovaria triptera quidem, sed alae haud adeo crenulato-crispae uti in Habenaria hexap- tera Lind]. Perigonii tela valida. Sepala ovato- triangula acuta. Tepala linearia acuta aequi- longa, basi utrinque minute angulata. Labellum lineare acutum convexum, basi utrinque minute angulatum. Calcar cylindraceum filiforme apice acutum ovarim floridum aequans superansve, labello duplo longius, nunc paulo tantum lon- gius. 3. Habenaria sartor Lindl.! Specimina Gard- ner 676. exacte conveniunt. Planta Splitgerberi fructifera excellit pedicellis valde elongatis, prope bipollicaribus. Habenaria helodes Rchb. fil. hanc inter atque pratensem Rchb. fil. (Bo- nateam pratensem Lindl.) media, labelli par- titionibus latis brevibusque bene recedere visa. »154. 13 Mart. 38. Ad margines fl. Para prope plantationem Onoribo Surinami. Perigonium alboviride, labellum bruneum. Legi etiam prope Paramaribo in paludibus.” 4. Spiranthes picta B. grandiflora Lindl. »N°. 324.” 5. Vanilla sp. foliis ligulato-lanceolatis acu- minatis basi paulo rotundatis, petiolis quadri- linearibus, lamina basi duas pollicis tertias 321 lata, quinque pollices longa — flores? — »515. 17 Jan. 1838. Ad caudices Mauritia- rum Surinami prope plantationem Wayanybo.” 6. Vanilla Surinamensis Splitgb. Ann. d.Sc.nat. 1841. Vol. 15, 178. -- De Vrisse, De Vanielje Pl. V. VI. aff. Vanillae bicolori Lindl. labello basi gutturoso, apice trilobo, lobis lateralibus semiligulatis vel obtusangulis antrorsis, lobo medio triangulo obtuso carinulis ternis, cap- sula trigona. Sepala ac tepala acutata vultum produnt floris Phaji quod tantum adhuc in Vanilla bicolori occurrit. >4.09. 1838. Scandens, saepe 40 pedum alti- tudinem ad truncos arborum in sylvis Surinami prope plantationem Jagtlust Twyplachting etc. Flores albidi subflavi. Majo. Junio Banilla.” 7. Vanilla palmarum Lindl. Exstat in Museo Lugdunensi Batavo inflorescentia aceto asservata fructuum, qui sunt vix tripollicares ac obtusis- sime trigoni apice cupula coronati. »925. Majo 1838. Ad caudices palmarum Su- rinami prope Blaauweberg plantationis Berg en Daal.” 8. Pogonia Surinamensis Lindl.: aff. P. pen- dulae Lindl. labello cuneato flabellato apice trilobo, lobis lateralibus triangulis obtusis, lobo medio cuneato retuso abbreviato crispulo, ca- rinula undulata hyalina supra totum nervum medium, carinula adventitia utrinque antice. 21 322 Usque spithamaea. Radices adventitiae clava- tae tuberiformes. Caulis tenuis. Vaginae amplae triangulae ochreatae tres in caule, infima sub- basilaris valde brevis. Folium unum seu duo, internodio longiusculo distantia, ovata, acuta, basi supravaginali rotundata seu subcordata , sicca optime retinervia, quasi smilacina. In uno specimine in vaginae summae axilla ramus bifoliatus lateralis, quod pro Pogonia valde mirum. Bracteae foliformes, summae nunc fatuae, flores inferiores adeo longe pedicellati, ut inflorescentia (usque quadriflora) corymbosa evadat. Capsula cylindracea. Sepala lineari-ligu- lata acuta. Tepala subaequalia. Gynostemium clavatum gracile. »653. 8 Mart. 1838. In sylvis Surinami prope plantationem Onoribo Parae. Flores rosei”’. En critica planta: Pogonia rubensis: aff. P. Surinamensi labello medio trilobo, lobis lateralibus acutangulis, lobo medio ovato acuto, carinis elevatis ter- nis in basi, nervis mediislobi medii cristuliger is Gracilis, tripollicaris usque pedalis. Vaginae in basi ovato obtusatae, cucullatae, geminae usque ternae. Folia ovata apiculata, semipollicaria, haud egregie retinervia. Bracteae foliiformes. Pedi- celli abbreviati, bracteas haud aequantes. Ovaria fusiformia. Perigonia vix trilinearia. Sepala ac tepala linearia acuta. Labellum manifeste un- 323 guiculatnm. Gynostemium gracile. Anthera api- culata. »Cuba inter Coffeas vix summo studio et labore expellenda planta, quam noxiam esse censent. Lemonal. Jun. 1823”. »Cuba in agris Coffeae locis argillosis” Pöppig. Pogonia gentianoides, cujus typus Swartzia- nus in herbario Willdenoviano 16959 asserva- tur longe distat foliis appressis squamaefor- mibus ac pedicellis valde elongatis perigonioque brevi. / En altera: Pogonia carnosula: aff. P. Surinamensi foliis ellipticis acutis bracteaeformibus carnosulis bre- vissimis, bracteis subaequalibus, ovario longe pedicellato, labello flabellato acuto (carinis in disco geminis?) Vix spithamaea, folia pauca, minuta, scil. vix tres lineas longa. Bracteae minores. Flos illo Po- goniae pendulae minor. Ovarium basi crassum, superne attenuatum. Sepala lineari-lanceolata acuta. Tepala angustiora. Carinae geminae in labello, maculae geminae ante apicem? Gynos- temium in apice utrinque secus antherai. = ni- dentatum ? j »2908. Carnosula saepius purpurascens, flo- res purpureo-virides. — Inter folia emortua in sylvis umbrosisfl. Naupes. Jan. Feb. 1853 Spruce! (Herb. Lindl.) En tertia: 324 Pogonia physurifolia: petiolis vaginatis dein contractis, laminis oblongis acuminatis subco- riaceis, bracteis ovatis acutis, pedicellis multo minoribus. Planta spithamaea, folia subbipollicaria car- nosula. Bracteae bilineares. Ovaria pedicellata ultra pollicaria; sepala ac tepala linearia. La- bellum ligulatum? Guyana Schomburgk. herb. Lindl. 9. Oncidium Kappleri Rchb. fil. in Lindl. folia Orchidacea Oncidium 152. Planta primum edita a cl. Honenacker in plantis Kapplerianis N. 1600 (unde lapsu calami ill. Lindl. scripsit: at 1600 ~ feet”) a cl. Spiircerser detecta fuisse videtur. Egregia est foliis valde elongatis angustis, vix duos pollices latis; inflorescentia tenui brachy- clada, bracteis spathaceis tertiam ovarii pedi- cellati superantibus, sepalis tepalisque usque ante apicem guttulatis, labelli isthmo angusto, gynostemio Cyrtochili cujusdam more curvato , alis lobato-laceris, tabula infrastigmatica me- dio angulata. »395. Ad truncos arborum in sylvis Surinami prope plantationem Jagtlust. Scapus nutans 5-6 pedalis, flores flavi bruneo-maculati.” 10. Oncidium iridifolium H. B. Kunth. Compa- ro dum scribo specimen typicum Humboltia- mum eheu! satis mancum, tamen omnino con- gruum visum. Multis examinatis speciminibus 325 nondum limites contigit extricare inter plantam mexicanam, panamensem, surinamensem. >491. Jan. — Mart. 1838. Ad ramos Drepa- nocarpi, Crescentiae, etc. in Surinamo non rara. Flores flavi: »ad ramos in fruticetis vulgare.” Obs. Oncidium decipiensLindl., Folia Oncidium 68 (1855.), omnino nil est nisi status monstrosus disepalus Oncidii cristae galli Rchb. fil. 1852, (numquam a Warscewicz lecti). 13 specimina herbarii nostri plantam vulgo trisepalam docent. 11. Oncidium Lanceanum Lindl. »69. Ad trun- cos arborum Surinami. Prope Paramaribo non raro. Perianthium sublutescens purpureo-ma- culatum. Labellum sordide violaceum apice al- bido. Folia purpureo-punctata. Vulgo: »Tyger paras.” 12. Lockhartia Weigelti. Rchb. Rchb. fil. 722. »Mart. 1830. Ad truncos arborum Surinami prope plantationem Berlyn in Para. Flores al- bidi, intus purpureo-~punctati.” 13. Rodriguezia secunda Hb. B. Kunth.! »437 De cb. 1837. Ad ramos Crescentiae non raro in Surinamo, flores purpurei. Jagtlust. 14. Aspasia variegata Lindl. 15. Jonopsis paniculata Lindl. » 560. Martio 1850. Adramos arborum Surinami prope Pa- ramaribo non raro; flores lilacini ” 16. Notylia aromatica (Barker) Lindl. Noty- liarum genus difficillinum. In. Xeniis Orchida-— 326 ceis.” pag. 46 sqq. dedimus syllogen generis. Nuper assidue studuimus generi in Lindleyano herbario. Hanc nostram a multis viris Para- maribi lectam habemus genuinam Notyliam aromaticam (est etiam Notylia fragrans Focke) Adest quidem carinula tenuis ab ungue in la- bellum prosiliens, dum .-illi Lindley labellum laeve postulat. Atqui ipsius ill. viri icon in herbario asservata lineam eodem loco indicat. Nunc vidimus in floribus a cl. Sprtreerser lectis nervulos laterales incrassatos, quod antea no- bis nondum occurrerat. Notyliae spontaneae nunc uti Rodrigueziae ex axillis vaginarum pedunculi novos produnt pedunculos secundarios, unde paniculae depauperatae efficiuntur. »475. Jan. 1838. Ad ramos arborum prope Paramaribo; flores straminei odorati’’. Obs. Difficile vulgus — Notyliae! An varium et mutabile semper? — Notylia trisepala Lindl. (uti didicimus in herbario illius viri, nec Lemai- re) nuper a Sinnero in Guatemala lecta labellum gerit basi carinatum et excellit labello prope sessili, uti illud est Notyliae pubescentis. Juxta flores nimis compressos a nobis falso sub. »b. b”’ in Xeniis collocata. En nova species : Notylia arachnites : aff. pubescenti , sepalis la- teralibus medium usque bifidis, labelli ungue brevi, lamina cuneato-lanceolata acuminata, 327 carina a basi per discum velutina, gynostemio elongato velutino. Sepala ac tepala valde acu- minata. Bolivia Bridges! Umbo in androclinio. subnullus. | 17. Cryptarrhena Kegel Rchb. fil. Flores aceto asscrvati licet eheu polliniis destituti tamen veram generis affininitatem suggerunt. Gynos- temii enim fabrica: praecipue protracta fovea ac cucullus androclinii utrinque linea elevata juxta foveam descendens indigitant magnam cum Trichopilia, Macradenia, Clowesia affinita- tem. »814. 6 April 1838. Ad ramos Gustaviae prope Post Belais Surinami, flores virescen- tes.” — Adest etiam a Hostmanno lecta in Mu- seo Hookeriano. 18. Angreeum micranthum Lindl.: »Ad ramos truncosque arborum Surinami. Legi in sylvis prope la Rencontre.” »Flores albi.” 19. Dichaea Splitgerberi: aff. Dichaeae muri- catae foliis ligulatis, basi latissimis, apice obtu- sis cum aristula, sepalis tepalisque ligulatis obtuse acutis, labelli ungue lineari, lamina obtuso-triangula, angulis posticis aristaeformi- bus (ligula infastigmatica nulla?) Flores olim depinximus juxta plantam bra- siliensem. Fructuum murices valde carnosi. »923 Majo 1838. Ad ramos arborum pendula. Legi prope Blamoeberg. Flores albidi.’’ Huc: Surinam. Kappler 1840. 328 20. Dichaea graminoides Lindl. (Ispochilus gra- minoides Hook. Exot. Fl. 196). Specimina satis tenella sed non diversa. »697. 11 Mart 1838. Ad ramos Crescentiae. Flores lilacino-virentes labello albo.” Obs. Nova videtur species, quam tenemus a b Weigelt in Surinamo lectam et quae sub 1779 »Barra on trees in forests. Jul. 1851. flowers pink.”’ a Spruceo missa. Habitus Isochili globosi. Folia multo angustiora , infra melius supra ner- vum medium carinata, planta multo tenuior. Capsula laevis. Labellum cordatum, nec sagit- tatum. Sic definienda: Dichaea Weigeltü: aff. graminoidi Lindl.: foliis linearibus acuminatis infra carinatis, labelli la- mina cordata. — Humilis, caespitosa. — Sepala valde aristata. En altera curiosa Dichaea peraffinis diver- sissima : Dichaea brachyphylla: aff. graminoidi foliis brevissimis acutis microscopice denticulatis, la- bello ligulato, utrinque antice rectangulato ante apicem lato obtuso. Sepala ac tepala ligulata acuta. Androclinii limbus erectus. (Ligula in- frastigmatica nulla?) Brasilia. Exstat alia etiam Dichaea hujus affinitatis in- descripta, a nobis olim pro echinocarpa habita: Dichaea Moritz: aff. muricatae foliis brevi- oribus apice acutatis, (ovario muricato), sepalis 329 tepalisque lineari-lanceis, labelli ungue lineari in laminam rhombeam dilatato, antice utrinque sinuato (hinc quasi trilobam lobis lateralibus divergentibus), androclinii cucullo integro trian- gulo erecto. Caracas Moritz 619. Mus. Berol. Et inaudita quaedam Dichaea e Mexico missa floruit Octobri 1856 in horto societatis Hortic. Chiswicensis. A Botteri missa fuerat simil- lima Brasiliensi cuidam plantae a Descourtilz pictae. Excellit labelli ungue carnoso gynos- temio adnato, stigmatis fovea producta prope terminali, in ligulam brevem obtuse acutam ciliatam infra excurrente, androclinii limbo ciliato. — Trichopiliam quodammodo ita ludit. — Haec ad iconem ab ill. Lindley confectam. Obs. 2. Verum Cymbidium echinocarpum! excellit sepalo dorsali ovato acuto, sepalis la- teribus subfalcatis, tepalis ovatis, labello oblongo obtuse-acuto, lateribus postice utrinque obscure obtsusangulo, antice lateribus implicatis quasi naviculari. Per hortos nostros militat planta, quam hor- tulani incredibili tenacitate et Parisiis et Ham- burgi pro Pachyphyllo procumbenti vendunt. Est autem bona Dichaea foliis media inter mu- ricatam Lindl.! et novam istam Splitgerberi , labello tamen ac ligula infrastigmatica abhor- rens. 330 Dichaea histrio Rchb. fil. Mss. 12 Jan. 1854: aff. muricatae Lindl foliis ligulatis apicem ver- sus attenuatis, obtuse acutis, cum aristula (microscopice serrulatis), sepalis tepalisque li- nearibus acutis, labelli ungue lineari obcu- neato dilatato, ligula infrastigmatica basin ver- sus gynostemii lineari truncata brevi penicillata. Fores pallidi violaceo punctati, labeilum vio- laceum. Zygosepalum. Nov. gen. Zygopetalum inter et Batemaniam, ab hoc diversum glandula emarginata, ac an- thera cuspidata; ab illo iisdem notis ac an- droclinio cucullato. 21. Zygosepalum rostratum (Zygopetalum rostratum Hook.). »748. Ad truncos arborum Surinami prope plantationem Berlyn in Para. Perianthium purpurascens labello albo ad basin purpureostriato. (Zygosepalum Kegelii = Zygo- petalum Kegelii Rchb. fil.) 22. Galeandra juncea Lindl. (Phajus rosellus Lemaire). »709. 1í Mart. 1838. Savanna are- nosa prope plantationem Berlyn in Para Suri- nami. Flores rosei. Terrestris.” 23. Cyrtopera Woodfordi Lindl. »755. Martio 1838. Paludes Surinami prope plantationem Ozembo Parae.”’ 24. Maxillaria uncata Lindl. »417. 27 Decb. 1837. Ad ramos Crescentiae in Surinamo prope plantationem Jagtlust.” 331 25. Polystachya luteola Hook. Affinis P. Es- trellensi Rchb. fil. recedit labelli lobis latera- libus obtusis nec acutangulis. P. caracasana pulvinar tantum in ima labelli basi gerit. 26. Camaridium ochroleucum Lindl. »413. Decb 1837. Adramos Crescentiae in Surinamo (Lust- rijk). Flores albi odorati odore Polyanthis tu- berosae.” Flores in aceto asservantur in Museo Lugduni-Batavorum sepalis prope duos pollices longis. 27. Catasetum macrocarpum Rich. »753. Mar- tio 1838. Ad truncos arborum Surinami raro. Sepala virescentia intus utrinque purpureo-punc- tata, columna flava basi maculata. Odoratum.” 28. Cataseti sexus: »Monachantus viridis Lindl. 29. Cycneches Loddigesii Lindl. 30. Gongora nigrita Lindl.! Vix recedit a Gon- gora quinquenervi R. Pav. (maculata Lindl.) nisi tuberculis in basi ultra marginem exten- sis, quasi descendentibus et dein iterum assur- gentibus. »68. Ad truncos arborum prope Para- maribo. Racemus pendulus.”’ 31. Stanhopea eburnea Lindl. »'725. 11 Martio 1838. Ad truncos arborum Surinami prope plantationem Berlyn in Para; flores albi labello basi purpureo-maculato. Odor Hyacinthi. 32. Peristeria cerina Lindl. var. guttulata Rchb, fil. (Peristeria guttata Knw. Westc) »914. Majo 1838. Ad truncos arborum prope Blaumoeberg ”* 332 33. Epidendrum chloroleucum Hook. (affine Focke) tepalis cuneato-ligulatis acutis, labellj lobis lateralibus triangulo-ligulatis erectis, lo- bo medio elliptico acuto margine crenulato venis incrassatis contiguis; carina medio rhombeo impressa per isthmum, angulo utrinque addito uti in Epidendro odoratissimo. »970. Majo 1838. Ad truncos arborum Su- rinami. Para. flores lutei.” 34. Epidendrum aemulum Lindl. (fragrans Lindl.) »696. 11 Mart. 1838. Ad ramos arborum prae- sertim Crescentiae prope plantationem Berlijn in Para Surinami. Perianthium albidum, label- lum purpureo-striatum.” 35. Epidendrum imatophyllum Lindl. »353.” 36. Epidendrum Schomburgkü Lindl. »1057 Junio 1836. Ad truncos ramosve arborum in Surinamo prope Wanica kreek. Flores intense coccinel.’’ 37. Epidendrum stenopetalum Hook. Credimus, huc referendum esse Oncidium emarginatum Meyer.” 372 Martio 1838. Ad truncos arborum prope Paramaribo. Perigonium roseum labelli basi albo-notata. 88. Epidendrum nocturnum L. »671. 8 Martio 1838. Ad ramos arborum praesertim Crescen- tiae. In Surinamo prope plantationem Onoribo, Berlijn in Para. Petala et sepala viridia. La- bellum album.” 333 39. Epidendrum strobiliferum: aff. Epidendro ramoso Jacq. foliis abbreviatis ligulatis, bracteis apice retusis (nec acutis), vesicula dimidio ovarii adnata, sepalis ovato-ligulatis acutis, labello cordiformi abbreviato, ima basi callis geminis triangulis, gynostemio utrinque unifalcato. Ab Epidendro ramoso Jacq. planta mexica- na ac antillana, quacum confunditur, diversis- simum. Rami ancipites, flexuosi. Vaginae pul- chre arpophyllaceae. Folia vix ultra pollicaria, duas lineas tantum longa. Racemus 4—usque 8-florus inflorescentiam Evelynae graminifoliae prope mentiens. Bracteae carinatae flores par- vos subaequantes. »426. 23 Decb. 1837. Ad ramos Crescentiae in Surinamo prope plantationem Jagtlust’”’ »Pa- rasiticum in arboribus floribus albidis. Vulgare.”) 40. Epidendrum fuscatum Sw. »394. 23 Decb. 1837. Ad ramos arborum Surinami prope plan- tationem Jagtlust.” ; Al. Epidendrum rigidum Jacq. »506. Jan. - Mart, 1838. Ad arbores Surinami non raro; flores virides.” 42. Epidendrum difforme Jacq. (umbellatum Sw.) 43. Schomburgkia marginata Lindl. »30 Novb. 1837. Trunci arborum Paramaribi. La au van Tourloun. 4%. Brasavola attenuata Lindl. »749.13 Martio 1838, Ad ramos arborum pendula. Legi in Su- 334 rinamo prope plantationem Hannover in Pará. Foliis teretibus crassis, laciniis corollae albo- virentibus, labello albo.” 45. Pleurothallis picta Lindl. (P. Surinamen- sis Focke). Pleurothallis picta Lindl. a Pleuro- thallide Grobyi Bat. vix recedit nisi foliis lon- gioribus, apice attenuatis, nec retuso bilobis ac floribus tenuioribus. Ulterius observandae. Pleu- rothallis florulenta Lind.! Rchb. fil, simillima sed valde gratiosa, labello medio dilatato , basi ac apice attenuato, medio plano, utrinque uni- carinato bene recedit. Pleurothallis zephyrina Rchb. fil. etiam simillima est trisepala, labello utrinque unidentato, androclinio cucullato valde distat ac proprius accedit. ad Pleurothallidem aristatam Hoox., quae tepalis brevibus (nec se- pala aequantibus) ciliato-serratis longe recedit. »726 Martio 1838. Ad truncos arborum prope plantationem Berlyn in Para; flores flavescentes.” 46. Pleurothallis pruinosa Lindl.! Pianta den- sissime caespitosa, tenuis, habitu quodammodo alludens ad Pleurothallidem floribundam Lindl., tenuis. Vaginaein caule duae, superior elongata, arcta tenuis, valide nervosa. Folium lanceolatum vulgo pollicem longum, tres lineas latum apice obtuse-acutum, siccum pergameneum, nervulis transversis prominulis, quod apud Pleurothal- lides rarum. Vagina anceps trilinearis sub in- florescentia capillari pauciflora. 339 »517 12 Jan. 1838.Ad ramos Crescentiae Surinami prope plantationem Hooiland; flores albidi.” 47. Masdevallia minuta Lindl. »'719. 11 Mar- tio 1838. Ad truncos arborum Surinami prope plantationem Berlyn in Para; flores albidi”. CACTEARUM SPECIES NOVAE , E COLLECTIONE DOMINL DE JONGE AB ELLEMEET in villa Overduin Zeelandiae, DETFRMINAVIT F. A. GUIL. MIQUEL. ers ERD ae i. Melocactus Ellemeetii Mig. Depresso-ovoi- deus 10- costatus laete viridis, cephalio par- vo depresso; costae sinubus latis diremtae, va- lidae, acie irregulariter crenato-undatae, late- ribus sulcato-plicatae; areolae subdensae (7 in quavis costa) parvulae orbiculares, juniores albo- tomentosae mox glabrescentes; spinae brevi- usculae subconformes compresso-teretes , radi- antes 7-8 erecto-patentes, quarum 3 inferiores paullo longiores (harum media 3 lin. longa), laterales horizontales, 3 raro 2 superiores om- nibus breviores, centralis lateralibus conformis paullo brevior erecta, omnes rore detergibili cinereo-albidae apice nigrescenti-fuscae, cepha- lii setae lacte purpureae, flores parvuli roset. Ex affinitate M. Miquelii, sed statura minor, charactere distinctissimus. — Collectus fuit prope 337 Bahiam Brasiliae. 2. Echinocactus Ellemeetii Miq. Depresso-glo- bosus, vertice concaviusculo parce lanatus, costis 13 dextrorsum obliquis crassis sinu su- perne acuto inferne applanato diremtis, late- ribus sulcatis, acie supra singulam areolam galeae ad instar tumefactis, infra areolam in- ter 2 spinas inferiores papilla sphaerica auctis , areolae subconfertae, juniores griseo-lanatae mox glabrae, ovales sursum depresso-continuatae , spinae 5 dissimiles radiantes, centralis nulla, nascentes purpureae, dein cinerascentes sensim nigrescentes transverse striatae, maxima levi- ter arcuata pollice paulo longior, reliquae praesertim infimae fere duplo breviores.— Inter Stenogonos pertinere videtur, e Mexico proba- biliter reportatus. — Specimen suppetens tri- pollicare. 3. Opuntia Galleotti de Smet mss. Ramosa stricta; ramuli cylindrici laeves, vix tuberculis exarati; areolae densae pilis longis crispulis hirtae; spinae tenuissimae plures albidae inae- quales; folia diutius persistentia trigono-teretia acuta (subtus non sulcata) semipollicaria, pi- lorum longitudine. — Cum seqq. e sectione cylindricarum verisimiliter e Mexico reportata. 4, Opuntia Ellemeetiana Mig. Subarticulata; caulis cylindricus subcristatus; areolae albo- pilosulae; spinulae 3 exiles (vix visibiles); folia 22 338 patentissima laxa diu persistentia succulenta pal- lide viridia semiteretia subtus can aliculata, elon gata, bipollicaria! — Chili. 5. Opuntia costigera Mig. Ramosa, ramis basi attenuatis, valide cristatis, saturate viri- dibus; areolae ovales planae; spinae parvae tenues 1—5; folia diutius persistentia patentia subteretia acuta, 6 lin. longa. — Op. ramuli- ferae titulo communicata , probabiliter e Mexico advecta. Amstelodamt , m. Septembris 1857. RENS ardea: DJv.N. imp? A J.W. lith. VERBETERING BIJ DE PLAAT. Van de cijfers, die de orde der veranderde kelkbla— den aanwijzen, moeten 3 en 4 met elkander verwisseld worden. Lone) Tae ie i terde dt Sebi atts Pack k 7 Ras 4 > 4% a - a 4 a a ky ©); Ke @ _ A " i 7 yy ‘ Y f k 3 BN 4 mn Vv; 4 fe, ES i 7 EV 2 Vy £ % ef if 4 a h 4 i À P & | en DS AAD oe ; Sore } > k / NEDERLANDSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF. ONDER REDACTIE VAN W.H. DE VRIESE. W. F. R. SURINGAR en S. KNUTTEL en VIERDE DEEL. VIERDE STUK, LEIDEN, JACs, HAZENBERG Corns. Zoon 1859 NEDERLAN DSCH KRUIDKUNDIG ARCHIEF, ONDER REDACTIE W.H. DE VRIESE, W. F.R. SURINGAR, en S, KNUTTEL VIERDE DEEL. LFIJDEN, JACs, HAZENBERG Corns. Zoon, 1859. SYNOPSIS HY WENOPHYLLACEARUM. LIBRARY NEW YORK BOTANICAL CA DIEN GARDEN R B. VAN DEN BOSCH. M. D. AUCTORE De Quum anno 1855 Hymenophyllaceas Javani- cas ut determinarem et describerem tradidisset am. DE Vriese, statim intellexi, me in hoc opere boni quid praestiturum non esse, nisi totius familiae notitiam simul mihi compararem. Mox autem studium illud adjumentum esse desiit. Imo, absoluta specierum Javanicarum Synopsi (Plantae Junghuhnianae I. p. 545 seq.), univer- salem illam cognitionem tamquam novum stu- diorum scopum mihi proposui, cui adtingendo per ultimum biennium horas omnes impendi subsecivas, parcam medici praxin factitantis sor- 23 342 tem. Meque non minus alliciebant plantulae, elegantia nescio an formarum diversitate insig- niores, quam incerta et confusa illas tractandi ratio, quae vel in optimorum Pteridographo- rum libris offendebant. Patuit enim specierum distinctionem saepe fallacibus characteribus in- niti, characteres contra optimos saepe negligi, studiumque hoc universe institui secundum me- thodum, vegetabilibus tam exiguis tamque te- nerae structurae omnino non adaequatam. Microscopio itaque usus, omnes species, qua- rum specimina habebam, accurate investigare statul idque inprimis egi, ut specierum ab auctoribus veteribus descriptarum notitiam mihi compararem. Non enim poteram quin mirarer, auctores recentiores hasce adeo neglexisse, ut, paucis exceptis, illis sint dubiae vel ignotae. In- ter omnes autem constat, veterum testimonia in hac scientia non impune negligi neque de- cere excusationis causa afferre, illorum diagno- ses nimia brevitate peccare dignoscendaeque speciei non semper sufficere. Propterea quan- tum potui eorum specimina aeque religiose ac recentiorum investigavi et characteribus, quos microscopii usus suppeditavit, novis magisque certis denuo in schedulis descripsi et in pro- prium usum delineavi. Monographia Hymenophyllacearum hoe modo nata est, quam velim ut iconibus illustratam 343 publico usui aliquando tradere possim. Interim ut aliquem studiorum fructum percipiam, in- primis vero ut amicis et fautoribus, qui varia auxilia obtulerunt, quomodo hisce sim usus, ostendam, Synopsin hanc in lucem edere con- stitui, quae, si quis Botanicorum eidem agro co- lendo praeter me operam dederit, quid ege- rim, quidve agendum reliquerim, ei declaret. Quod ad Synopseos rationem attinet, pauca monenda habeo. Catalogi aridi taedio lectores ut parcerem, synonyma pauca specierumque pa- triam adjeci, quorum auxilio quid subintelle- xerim rei perito facilius patescat. Plurium spe- cierum autopsiam consequi adhuc desidero. Ni- hilominus in Catalogum eas recipere non du- bitavi quotiescumgue ex descriptione vel icone de speciei auctoritate dubitare non licebat; qua- rum vero sive characteres sive affinitatem ex lisdem eruere non potui, has tamquam igno- tas suo quantumpote loco inserui. Contextum frondis eo majoris habeo mo- menti, quo altius in hoc studio penetravi, characteresque propterea a cellularum forma, magnitudine, contentis mutuatos in descriptio- nibus semper inserui juxta illos, quos frondium forma, divisio, sororum dispositio et forma suppeditarunt. Cellulae autem, ut prius, dicun- tur minimae, quibus lumen est usque 0,™™ 4, dum idem parvis est O,P* 4—0,7, mediocribus Sh. 0,mm 7—0,8, magnis 0,™™ 8—1,0, maximis ul- tra 1,7" 0: in cellulis elongatis diameter longi- tudinalis transversali duplo est major. Quoad frondis divisionem monere oportet, frondem pinnatifidam dico, cujus rhachis utrinque ala foliacea lacinularum simili praedita est, pin- natam contra, quando illa sive est teres, sive laciniis decurrentibus tantum marginata; hoc in casu ala rhacheos sensim fit angustior pinnamque sequentem non attingit. Directio porro laciniarum determinatur terminis: erec- tus, patulus, divaricatus, horizortalis , deflexus secundum angulum plus minusve acutum, quem respectu rhacheos efformant. Stipitis frondisque dimensiones ad modum decimalem judicantur. In distinguendis novis speciebus parcus fui. Imo plurimas in schedulis distinctas mihique minime dubias nunc reticere consultum vide- batur. Magis enim, species ab aliis determina- tas et descriptas microscopica methodo com- probatas tradere, cordi est. Si nibilominus justo nimium distinxisse alicui videar, ei in mentem revocare liceat praestantissimi sui temporis viri effatum, in hac familia praesertim neglectum: »praestat enim, inquit, plantas cum non plena certitudine veri discriminis inter censum vera- rum stirpium conservare, quam inter varieta- tes relegare disperituras” (Harren Hist. stirp. Helvet. I. p. 194.) hk en ne ande 345 Genera a Cl. Prest proposita, paucis excep- tis, delenda, imo quae conserventur, emendan- da esse, persuasum mihi habeo. Venarum de- cursus et distributio, in filicibus caeteris dis- ponendis egregii, in Hymenophytlaceis vix ali- cujus est usus. Habitus contra est quaedam similitudo et ratio typica, quae mira constantia in magno saepe specierum numero rediens, genera in posterum statuenda divinare quasi sinit. At vero species antea melius sint cog- nitae, earum historia plenius sit illustrata, vitae ratio et distributio geographica diligentius sint observatae; nam, ut viri inter nostri aevi Botanicos praestantissimi El Fries verba re- petam: »vana sunt nova genera, sine uni- versali specierum cognitione et praecipue mor- phoseos historia.” Restat, ut gratum animum significem viris clarissimis, qui augendis et suppeditandis au- xiliis studia mea adjuvarunt utque iis, quorum auxiliis, ut pensum hoc absolvere possim, opus mihi est, studia mea commendem. HYMENOPHYLLACEAE. A. TRICHOMANOÏDEAE. Cardiomanes Pr. 1. C. reniforme (Forsr.) Pr. Hym. p. 12; Tri- chomanes Forst. Prodr. p. 84. Hab. Nova-Zeelandia, Forst! Fraser! Mosman! etc. Feea Bory emend. 1. #. botryordes (Kaurr.) Trichomanes Kaurr. Enum. p. 263 (1824); F. nana Bory „ Dict. d. sc. nat. VI. p. 447 c. icon. (1846). | Hab. Guyana Gallica, Porreav! 2. F. spicata (Hepw.) in Wes. et Moar Beitr. (1805) I. p. 116 (nomen); F. polypo- dina Bory in Dict. d. sc. nat. VI. p. 347 AMT c. icon. (1846); Trichomanes spi- cisorum Desv. in Berl. Mag. V p. 329 et F. osmundoides DC. in Por. Encycl. meth. VIII p. 65 — utrumque teste div. Kunze. Hab. (Jamaica, S*‘. Vincent), Trini- dad! Guadeloupe! Guyana Gallica! 3. F. Borys. Hymenostachys diversifrons Bory in Dict. d. sc. nat. VIII p. 462 c. icon. Hab. Sf. Domingo! Guyana Gallica! (America centralis.) Obs. Nomen triviale hujus et inse- quentis speciei, characterem quippe generis ideoque omnibus speciebus communem indicans, commutare au- sus sum. 4. F. Humboldti. Trichomanes heterophyllum H. B. K. Nov. Gen. I p. 25. Hab. Juxta ripas Rio negro, Hump; Fl. Essequebo, Scnoms. (n. v.) 5. F. Spruceana (Hoox.) Trichomanes Hook Cent. of ferns tab. 81. Hab. Rio negro, Spruce, (n. v.) Neuromanes Trevis. *) * Venae venulis spuriis transversalibus reticula- tim conjunctae. *) Nomen Preslianum (1843) retinere non licet propter homonymum genus Umbelliferarum a Torrey et Gray in Flora of North-America anno 1838 propositum. 348 1. N. Hedwig. Trichomanes pinnatum How. gen. et sp. fil. fasc. I tab. IV fig. 1. *) Hab. Jamaica! St. Domingo, Sirs! Guadeloupe, L’Hermin! Trinidad Crü- GER! Guyana Gallica, Le Prizur! Su- rinam, Spuitc! Keern, Hosrm! Bra- silia, Marr! Crauss! Peruvia, Hre! Venezuela, Funk et Scuuim! (Rio Ne- gro pr. S. Carlos, Hums. en Bonet.) 2. N. Kaulfussn. Trichomanes pennatum Kaurr. Enum. p. 264. Hab. (Jamaica, Trinidad. (Hoox.), Gu. yana Gallica, Caam.); Surinam, Spiite! Horsm! KrcrL; Guy. anglic., Scuoms! Brasilia, Luscun., Mart! N. Grenada, (ocana), Scum! (Mexico (S. Pedro Tepinapa) Lizsm.), Guatemala, Keee1.! (Peruvia (Kze). Obs. Div. Kunzer sententia de diver- sitate hujus et antecedentis speciei (Bot. Zeitg. 1847 p. 352) structura frondium egregie confirmatur. Perpe- tuae autem utriusque confusioni non nisi mutandis nominibus mederi posse, persuasum mihi habeo. *) Tabulas in opere Hedwigii, ut citari possint, nume- ravi secundum ordinem quo editae fuerunt. 349 3. N. Vittaria (DC.) Pr. Hym. p. 19; Trichoima- nes DG. in Pom. Encl. meth. VIII p 65. Hab. Surinam, Kare! Keer! Sprite! Guyana gallica (t. Kze) 4, N. immersum n. sp. Fronde pinnata, pinnis e basi lata imaequali ovato-oblongis petiolatis, sessilibus vel sursum de- orsumve rhachi latius breviusve adna- tis ultima elongata oblongo-lineari in- ciso-lobato, margine irregulariter (sae- pe lacero-) dentato; venis crebris te- nuibus s mplicibus furcatisve in mar- ginem excurrentibus venaque margi- nali continua conjunctis, venulis trans- versalibus crebris; cellulis (forma et magnitudine ut in N. Kaulfussi) inte- raneis vero diffusis intermixtis globu- lis paucis; soris valde dispersis im- mersis, indusio parvo urceolato. Rhizoma breve horizontale dense radiculosum, stipites fasciculatos de- biles emittens; frons tenuis diaphana olivaceo-viridis. A reliquis differt: statura minore (stipes 0,06—0,1 frons 0,07 longa, 0,02—0,04 lata), consistentia frondis et structura, soris immersis etc. Hab. S‘. Domingo! de Tussac in Herb. Fé. . 350 * venulis transversalibus nullis. o. N. abruptum Fin Mém.I p. 44 tab. I fig. 5 (1844); N. Hostmannianum Kl. in Linnaea XVIII p. 532 (1845). Hab. Guyana Gallica Le Pritur! (Surinam, Hosrm.; Brasilia? (t. Kze). Cephalomanes Pr. *) emend. * Rhizoma brevissimum, frondes fasciculati. 1. €, rhomboideum (J. Sm.) Trichomanes J. Sm. in Hook. Journ. Ill p. 417; C. atro- virens Pr. Hymen. p. 18, tab. V. +) Hab. Ins. Philippinae. Cum! Java, Zot ! 2. C. Javanicum (Bl) Trichomanes Bl. Enum. II p. 224; C. oblongdfolium Pr. Epimel. p. 19 tab. 10. *) „Nomen genericum dignum alio, licet aptiore, permu- tare non licet.” Linn. Phil. Bot. 243. Praecepto huicce persapienti, servando et hoe genere et Zeptocionio, utrum- que licet minime aptum sit, obtemperare decet, +) Nomina plantis collectionum venalium antea non de- scriptis imposita, etiamsi nulla addita sit descriptio, iis quae alius quis iisdem plantis serius imposuit, prioritatis quam dicunt gratia, servanda esse persuasum mibi habeo. Prop- tere anominas Smithiana Hymenophyllacearum Cumingianarum anno 1841 edita Preslianis in monographia serius (scil. anno 1843) praeferenda esse censeo. Rem aliter sese habere si- mulae de nominibus manuscriptis collectionum privatarum publicarumve agitur, non est quod moneam. OS Te ne Ee en daf Hab, Java! Br., Zorr.; Ins. Philip- pinae, Cum! 3. C. curvatum (J. Sm.) Trichomanes J. Sm. in Hook. Journ. Ill p. 447; T. aspleni- oides Pr. Hymen. p. 5 et 37. Hab. Ins. Philippinae, Cumine! 4, C. Zollingert v. v. B. in Pl. Jungh. | p. 592 (seorsim p. 8.) Hab. Java! Soembawa! Zorr. /5.C. Boryanum (Kze) Trichomanes Kar. Farrnkr. p. 237 tab. 97; 7. alatum Bory in Dup. Voy. Bot. p. 282 tab. 38 fig. 2. Hab. Ins. Carolinae, MERTENS. (n. v.) 6. C. Simgaporianum. Trichomanes Javanicum Hx. et Grev. tab. 240 (non Bl) Hab. Singapore, Wattica (n. v.) 7. C. Madagascariense n. sp. Fronde oblongo- lanceolata pinnata, pinnis inferioribus horizontalibus contiguis, superioribus mediisque divaricatis imbricatis cun- ctis breviter petiolatis e basi lata cordata inaequali oblongis, margine inaequaliter dentato-serratis, apice ro- tundatis, venulis remotiusculis 1—2 furcatis; cellulis maximis teneris elon- gatis hexaedris, parietibus rectis hya- linis, interaneis amorphis fuscescen- tibus seriatim radiatimque dispositis ; soris subimmersis , mediotenus latius 392 superne anguste marginatis, indusio cylindrico parum ventricoso, ore dila- tato patulo recto. Stipes triqueter glaber 0,1 et ultra longus, frons tenuis diaphana oliva- cea 0,15—0,18 longa, 0,03 —0,04 lata, pinnae 0,010—0,016 longae, 0,006—8 latae. Habitu et statura convenit cum C. Zollingeri C. et curvato, sororum forma cum €. rhomboideo. Hab. Madagascar! Boivin in Herb. de FRANQUEVILLE. ** Rhizoma scandens, frondes sparsi. 8. C. dissectum (J. Sm.) Trichomanes J. Sm. in Hook. Journ. Bot. WI p. 417; T. di- midiatum Pr. Hym. p. 10 et 38. Hab. Ins. Philippinae! Cummne; Ins. Loo—choo (Oosima)! Wrieur. 9. €. auriculatum (Bu.) Trichomanes Br. Enum. II p. 225; 7. Bélangeri Bory in Bér. Voy. Bot. p. 79 tab. 8 fig. 1. Hab. Java! Bir.! Remw.! Zor! Species ignota: T. fuscum Bl. Enum. Il, p. 225. Java. 303 ‘Trichomanes SM. * Rhachis s. costa nulla, venae furcato-ramosae. a. Stipes simplex. . T. parvulum Pom. Encl. meth. VIIL p. 44; T. Sibthorpioides Bory in WILLD. sp. pl. V p. 498 (testibus Hook. et Kzr. Hab. Madagascar, Tuovars; Ins. Mas- carenae, Bory (n. v.) . T. saxifragoides Pr. Hym. p. 16 et 39; 7. parvulum Bl. Enum. p. 223 (excl. syn.) Hab. Ins. Philippinae ! Cummne; Java! Zorr.; Rawak! Gaupicu. : T. Thouarsianam Pr. Hym. p. 16 et 40. Hab. Ins. Borboniae, Taouars. (n. v.) . T. digitatum Sw. Syn. p. 370 et 422; T. lan- ceum Wip. Sp. pl. V p. 500. Hab. Ins. Mascarenae! Siezen, Bory, etc. T. flabellatum. T. digitatum Bu. (non Sw.) Enum. p. 22% (excl. Syn.) Hab. Java! Bu., Zou. . T. palmatifidum C. Mout. in Bot. Ztg. 1854 p. 732; 7. digitatum Kze Bor. Ztg. 1847 p. 302 (non Sw. nec. Br.) Hab. Java! Zorr., v. GEsK. 7. T. nitidulum v. on. B. in Pl. Jungh. Ip. 547 (seorsim p. 3.) Hab. Java! v. GESK., Junen. 354 v8. T. dichotomum Kze in Bor. Zig. 1848 p. 285. Hab. Java! Zoir.; Taiti! Vrenr et PLANCH. 8. stipes prolifero-ramosus. 9 7.proliferum Bi. Enum. p. 224; T. palmatum. Pr. Hym. p. 16 et 39. Hab Java! Br., Zot. Tetsu. ; Ins. Philippinae! Cumine. 10. T. minutum Bu. Enum. p. 223 ; T. parvu- lum Kze in Zorr.! Verz. p. 45. Species ignota. T. bifolium Br. Enum. H 224. p. Java. “* Rhachis venas flabellatim vel pinnatim emittens. a. Sori primitus terminales. «. Venulae spuriae, + secus marginem junctae. 41. T. cuspidatum Wu. Sp. pl. V p. 499; T. Bojeri Hook. et Grev. tab. 155. Hab. Ins Mascarenae! Thouars, BÉLAN- GER, Bory, Borvin, alii. 12. T. Hookeri Pr. Hym. p. 16; T. muscoides Hook. et Grey. tab. 179 (non Sw.) Hab. (Jamaica), Cuba! Guyana Gal- lica! (Peruvia ?) 335 13. 7. erosum P. B. Fr. d'Oware et de Benin Il p. 79 tab. 109 fig. 3. Hab. Africa occidentalis, P. B. (n. v.) 14. T. membranaceum L. Sp. pl. Ed. 2° p. 1560. Hab. Antillae! Guyana Gallica ! Co- lumbia! tt liberae. 15. 7. Peters A. Gray in Sittim. Am. Journ. sc. and arts 2° Ser. 1853. p. 326 . (sec. Hook. Cent of ferns tab. 86.) Hab. Amer. Sept! (Alabama) Perers. 16. 7. sublinbatum C. Mix. in Bot. Ztg. 1854 p. 737; 7, Hookeri Kze in Bot. Zig. 1848 p. 285 (non Pr); 7. Muscoïdes id. in Bot. Ztg. 1846 p. 476 non Sw.) Hab. Java! ZiepeLius, ZOLLINGER. Species ignota: T. adiantinum Bory in Bel. Voy. Bot. p. 78. 6. Venulae spuriae nullae. § 1. Pseudachomanes Pr. (T. sinuosum etc.) + Frons pinnatifida. 17. T. sinuosum Rica. in Wurp. sp. pl. V p. 502; T. Quercifolkum Desv. in Berl. Mag. V p. 328 (non Hook. et Grev.); T. Poeppigü Pr. Hym. p. 16 et 41 (teste ipso ) 306 Hab. Guadeloupe! Trinidad! N. Gre- nada! Venezuela! (Peru), Mexico! 18. 7. meisum Kur. Enum. p. 264; 7. cogna- tum Pr. Hym. p. 16 et 41 (teste Kze.) Hab. Brasilia! Cuamisso, Bory, Marr, Beyricu, etc. 9. T. holopterum Kze Farrnkr. p. 185 tab. 77 fig. 2 Hab. Guadeloupe! Martinique! St, Vincent! Guyana Gallica! 20. T. Bancroft’ Hook. et Grev. tab. 204; T. coriaceum Kze Linn. IX p. 105 et Analect. p. 46 tab. 29 fig. 1. Hab. Surinam! Guyana Gallica! et anglica! Brasilia! (Jamaica, S'. Vin- cent.) Species ignota : T. arbuscula Desv. in Ann. Soc. Linn. Paris VI p. 326, Guyana. + frons bipinnatifida. 24. T. adscendens Kze Farrnkr. p. 186; Bot. Zig. 1847 p. 320. Hab. Ins. Martinique! Mile. Rivoire. 22. T. alatum Sw. Fl. Ind. occid. Til p. 1732 [non Hook.|; Pum. Foug. p. 73 tab. 50 D. Hab. (S‘. Domingo), Jamaica! 357 23. T. ptilodes. T. alatum Hook. et Grev. tab. 11 (non Sw.) Differt a praecedente: fronde duplo altiore et latiore apice lanceolata, la ciniis latioribus magis invicem remo- tis, lacinulis superioribus linearibus, venulis remotioribus, cellularum mag- nitudine et forma, indusiis magis elon- gatis cylindricis orificio bicorni, etc. Hab. Jamaica! Guadeloupe! Vene- zuela! 24. T. attenuatum Hook. sp. fil. I p. 122 tab. 39 CG. | Hab. St. Vincent, Jamaica, Domi- nica. (n. v.) Obs. Specimina non vidi; genuinum vero T. alatum Sw. sistere, ex ha- bitu frondis sororumque forma etc. verosimile videtur. ++} frons tripinnatifida. 25. T. Lindent Pr. Epimel. p. 11 tab. 6 (1849); T. macroclados Kze Farnnkr. II p. 72 tab. 130 (1851); T. scandens Hoox. sp. fil. Ip. 140 (nec L. necSw. ) Hab. Jamaica! LinpeN; Cuba! Lin- DEN, Wricut! Porto-ricco! (Mexico?) Obs. Frons rectius pinnata dicitur 24 308 prinnis bipinnatifidis; rhachis enim apice excepto nuda est et teres. 26. T. Bicorne Hook. Cent. of ferns tab. 82. Obs. Affinitas specieinon visae mihi latet. Hab. Rio negro, R. Spruce. (n. v.) §. 2. Achomanes Pr. (T. crispum L. etc.) § frons pinnatifida *] 27. T. crispum(L. Sp. pl. Ed. 2? p. 1560 (non HEpw. nec Hook); Prum. Foug. p. 67 tab. 86. | Hab. (Martinique; Prum.) Porto- ricco! SCHWANECKE. 28 T. fastigiatum Stes. Fu. Martin. N.?; Syn. fil. N. 144; T. crispum Hepw. Gen. fil. tab. IV fig. 2 (non L.) Hab. Jamaica! Sw.; Martinique! Stes.; S'. Vincent! 29. T. accedens Pr. Epimel. p. 14; T. crispum Hook et Grev. tab. 12. (non L.) Hab. Guadeloupe! 1’ HERMINER; *) Species plures hujus sectionis, dificiente speciminum bonorum copia, mihi non satis notae sunt. Rhizoma breve adscendens frondesque fasciculati in nonnullis, in alüs rhizoma horizontale frondesque sparsi egregium subdivisio- nis characterem suppetere videntur. 359 30. 7. pellucens Kze in Linn. IX p. 104; Farrnkr. 31. 32. 33. of. 30. 36. p. 158 tab. 68. Hab. Brasilia! v. Marr., M'Rar; Pe- ruvia! Poeppre, LECHLER; (Guyana An- glica , SCHOMB.) T. cristatum Kaurr. Enum. p. 265. Hab. Brasilia! GArpN.; Surinam! Weicetr, Kapter, Guyana Anglica! SCHOMB. T. pilosum Rapor Fil. Brasil. p. 63 tab. 79 fig. 1; T. laxum Kl. in Linn. XVIII p. 530 (teste Kze.) Hab. Brasilia! Rappr, pe Marr., Princ. Neovip, alii; Columbia! Monirz; Guyana Gallica! Le Prieur. T. Martius Pr. Hymen. p. 15 et 36; T. pilosum Marr. Icon. sel. p. 105 (excl. Syn.) tab. 68 (fig. dextra). Hab. Brasilia, pe Mart., Guyana Angl., Scuoms.? Surinam, Hostm.! Ke- GEL, SpPLitG! (vix. v…) T. Plumula Pr. Hymen. p 15 et 36; 7. pilosum Marr. |. |. (fig. sinistra). Hab. Brasilia, pe Marr! Guyana Angl., Scuous ! T. plumosum Kze in Linn. IX p. 104. Hab. Peruvia! Porppic. T. Haenkeanum Pr. Hymen. p. 15, 36 et 65; T. crispum Pr, Relig. Haenk. I 360 p. 69 (excl. syn. teste ipso.) Hab. Peruvia! Dompsy, HAENKE; Bo- livia! Wepperr. 37. T. Sellowianum Pr. Hymen. p. 15 et 37, Hab. (Brasilia ,Sttow, GARDNER. Pour; Surinam, Kereer); Columbia? Funck et Scurim.. 38. T. ertophorum (Pr.) Ragatelus Pr. Epimel. p. 18 tab. 9. Hab. Guyana Anglica, Scroms. (n. v.) ++ frons bipinnatifida v. pinnato-pinnatifida. 39. T. Kaulfussti Hoor. et Grev. Icon. App. p. b; 7. lucens ibid tab. 10 (non Sw.) Hab. Ins. Antillarum (Jamaica, S'‘. Vincent, Trinidad! Dominica, S‘. Kitts, St. Thomas, Martinique! Porto-ricco! Guadeloupe!) (Guyana, PARKER.) 40. T. lucens Sw. Syn. p. 143 (non Hoox.); Hepw. Gen. fil. tab. V. Hab. Jamaica! Sw., Antilles (s. loco spec.) de Tussac! AA. T. splendidum. T. lucens Hook. Sp. fil. Ip 138 tab. 44 A. (excl. Syn.) — Hab. S*. Fé de Bogota! Hartw. ; Peruvia! LECHLER. 42. T. Lambertianum Hook. sp. fil. I p. 139 tab. 44 B. Hab. Peruvia, Rurz et Pavon. (n. v.) 43. 361 T. crinitum Sw. Fl. Ind. occid. III p. 1730; Ragatelus Pr. Hymen. p. 16. Hab. Jamaica! Sw., Menz., Purpse; (St. Vincent, Gurp.); S'. Domingo! DE Tussac; Guadeloupe? |’Hermin. Species ignotae : T. pallidum Br. Enum. Il p. 225. Java. T. elatum Derv. in Ann. Soc. Linn. Paris. VI 4D. 46. p. 327. America tropica. . Soris primitus axillares lateralesve. a. Craspedoneuron (T. album Bl. etc.) . T. album Bl. Enum. II p. 226. Hab. Java! Reinw., Br, v. GesK.; Ins. Philippinae! Cum. T. Braunii v. v. B. in Pl. Jungh. Ip. 550 (seorsim. p. 6); 7. album Kze Bot. Ztg. 1846 p. 476 (non Bi.) Hab. Java! Br.? in Herb. Ar. Br. T. glaucescens v. v. B. in Pl. Jungh. Ip. 551 (seorsim p. 7); T. album Kzr Bot. Ztg. 1847 p. 350. (non Bz.) Hab. Java! v. Gesx., Zour. 11. T. glaucofuscum Hook. sp. fil. Ip. 128; tab. 40 A; T. acutum Pr. Hymen. p. 16et 42. Hab. (Ins. Australes), Philippinae! Ceylon! (Penang.) VAB8. 49, ‘5d. qr = 362 6. Crepidomanes. (T. humile Forst. etc.) T. humile Forst. Prodr. N. 464; T. Luzo- nicum Pr. Hymen. p. 16 et 42. Hab. Ins. Societatis! Australes! Phi- lippinae! (Otaheite), Faiti! Java! T. Endlicherianum Pr. Epimel. p. 10 tab. 5 A; T. humile @. Hook. sp. fil. I p. 123. Hab. (Ins. Norfolk); Nov. Zeelandia! . T. intramarginale Hook. et Grey. tab. 211. Hab. (Ceylon, LinpLev); Hong Kong! Wnricat. . T. Colensoi Hook. Cent. of ferns tab. 79. Hab. Nov. Zeelandia, Co Lenso (n. v.) Vix hujus loci! 2. T. Schmidianum Zenx. in Tascun. Diss. p. 34 tab. I fig. 1. Hab. Malabaria (Oottacamund), Scamp! T. depauperatum Bory in Dvrern. Voy. Bo- tan. p. 283. Hab. Ins Carolinae! Durerr. y. Eutrichomanes. + T. pyxidiferum L. etc. . T. pyxidiferum L. sp. pl. Ed. 2* p. 1561 (excl. Syn.); Prom. Fouc. p. 74 tab. 50 E. (non aliorum.) 99. 56, 58. 59. 60. 363 Hab. (S‘. Domingo, Pium.) Guyana __ Gallica! Leprizvs. T. Brasiliense Disv. Mém. Soc. Linn. Par. Vi p. 328 tab. VII fig. 4; T. pyvidi- jerum Hepw. gen. fil. tab.IIT. fig. 2. Hah. Brasilia! v. Mart., WEDDELL; Venezuela! Funcx et Scum. T. emarginatum Pr. Epimel. p. 11 tab. B; 7. pyxidiferum 6. Hook. sp. fil. i p. 124 (p. p.) Hab. Brasilia! De Marr., BEYRICH. . T. leptophyllum. T. pyxidiferum Hook. et Grey. tab. 206; Hook. sp. fil. [ p. 121 (fide specim. ) Hab. St. Vincent! Martinique! Gua- deloupe! Jamaica! S‘'. Domingo! Cuba! T. olvaceum Kze teste Kr. in Linn. XX p. 437. (a neutro descriptum. ) Hab. Columbia! Moritz; Nov. Gre- nada! Scurim; Mexico (Huatusco)! SCHAFFNER. T. cavifolium C. Mürr. in Bot. Ztg. 1854 p. 753. Hab. Mexico, Lemoep! Scarepe! SCHAFFNER ! | T. Lechlert. T. pyxidiferum? Kzr in Linn. IX p. 106. Hab. Peru! Lecur.; Quito! JAMESON. 364 61. T. exsectum Kzr Anal. p. 47 tab. 29 fig. 2. Hab. Ins. Juan Fernandez! C. Ga; (Ins. Chiloé, Cumine; Valdivia, Brip- GES.) 62. T. angustatum Garm. in Linn. Trans. XII p. 513. Hab. Ins. Tristan d'Acunha,Carm.‚n. v.) 63. T. tenerum Spr. Syst. veg. IV p. 129. Hab. Brasilia, Brancuet! pe Martr.! ReeneLL ! BevricH! etc. Peru, Marta! Quito, Jameson! SAETTONE ! Obs. T. angustato non viso, T. te- nerum distinctum ab illo habere de- beo, dum utriusque specimina com- parare licuerit. Specimina Brasiliensia, praesertim quae a Marrio et Beyri- cHio lecta vidi in Herb. am. SONDER et frondis divisione et imdusiorum forma cum icone T. angustati satis bene convenire , non negandum; quae vero a ReGNELLIO lecta ibidem vidi, quaeque omnino sistunt 7. /fulvum Kl. (fide Herb. Mus. Par.) characteri- bus haud levibus recedunt. 64. T. Schiedeanum C. Muu. in Bot. Ztg. 185% p. 716. Hab Mexico, Scuiede! SCHAFFNER! etc. 65. T. cuneiforme Scux. Farrnkr. p. 135 tab. 365 134 (nomine T. pyxidiferi per errorem inscripta). Hab. S‘. Domingo, (n. v.) 66. T. trichoideum Sw. Syn. p 144; T. tenel- lum Hepw. fil. gen. tab. III fig. 1; T. angustissimum Pr. Epimel. p. 18 tab. 8 A. Hab. Jamaica! Sw; Columbia (Ve- nezuela! Moritz, Fronck et Scum, Nov. Grenada! ScH.im.) 67. T. cellulosum Kr. in Linn. XVIIL p. 531. Hab. Guyana Anglica, Scuoms. (n. v.) 68. T. melanotrichum Scuuror. in Linn. X p. 553. Hab. Prom. bon. spei! Zeyner, Drier, etc.; Ins. Borboniae! Bory, Borvin, RicHARD. t+} T. radicans Sw. etc. 69. T. radicans Sw. Fl. Ind. occid. Ill p. 1736; T. scandens Hedw. Gen. fil. tab. VI. (non L.) Hab. Jamaica! specim. AcHar. in Herb. Sonrper.); Cuba? Wnricut! Me- XICO? SCHAFEN. 70. T. eximium Kzr in Bot. Ztg. 1846 p. 478; 1847 p. 350 (nomen); 7. ambiguum Kl. in Linn. XVII p. 531 (nomen). Hab. Columbia (Venezuela! Moritz; N. Grenada! Scum). 366 Obs. 7. ambiguum Sien. (Syn. fil. N. 143) a Presrio sancitum, dubia mihi species quandoquidem specimina modo viderim juvenilia et sterilia; ex habitu vero et contextu 7. eximio ‘affinius crediderim quam 7. radicanti, cujus synonymon habent auctores. 71. T. Luschnatianum Pr. Hymen. p. 16 et 45. Hab. Brasilia, (Bahia! Luscunar , Sierra de Registro! Marr. Breur.) alii. Obs. Specimen quod vidi authenti- cum in Herb. Cl. Moveeor in dia- gnosin omnino non quadrat; convenit autem illud cum Marr. Herb. Fl. Bra- sil. N. 389. Differunt haeca 7. radi- canfe praeter notas externas, cellu- lis majoribus opacis firmis elongatis irregularibus (saepe quasi tetraëdris) interaneis obscure viridibus, celiulis marginalibus duplo minoribus (lacinu- las lentis ope visas marginatas efficien- tibus). 72. T. scandens L. Sp. pl. Ed. 22. p. 1562; Sw. Fl. Ind. or. HI p. 1737; 7. Kun- zeanum Hook. sp. fil. Ip. 127 tab. 39 D. Hab. Columbia Linpen! Morrrz! Funck et Scatim! (Peru? Poep. , Marru.) 73. T. Moritzii n. sp. Fronde sessili lancesta:a 367 bipinnatifida, laciniis primariis patulis divaricatisve remotis (imis exceptis) fere aequidistantibus e basiinaequaliter cuneato-lanceolatis apice productis pin- natifidis , secundariis strictiusculis re- motis 2—3 furcatis , lacinulis fastigi- atis abbreviatis apice emarginato-bi- fidis rotundatis; cellulis mediocribus vel parvis firmis opacis hexaedris vix elongatis interaneis obscure viridibus amorphis marginem versus obscure granulosis, soris e cylindrico ventri- cosis infundibuliformibus ore úntegro recto parum dilatato. Frons 0,5—0,35 longa, 0,06—0,07 lata firma rigida opaca; obscure viridis. Hab. Columbia, (Col. Tovar! Mo- ‘RITZ; N. Grenada 9000’! Scutim.) 74. T. abrotanifolium n. sp. Fronde sessili vel subsessili lanceolata tripinnatifida, \a- ciniis primariis patulis inferne distan- tibus sursum sensim approximatis su- perne contiguis e basi cuneata lanceo- latis bipinnatifidis, secundariis séricti- usculis cuneato-oblongis lanceolatisve inferioribus pinnatifidis superioribus dichotomis, lacinulis cunctis angustis strictis elongatis; cellulis magnis elon- gatis hexaédris teneris interaneis laete 368 viridibus amorphis, marginem versus abbreviatis minoribus distincte granu- losis; soris cylindricis elongatis super- ne in orificium undulato-repandum di- latatis. Frons 0,4 et ultra longa, 0,08— 0,10 lata rigida virgata opaca obscure viridis. Hab. Brasilia! De Marr. in Herb. SOND. 75. T. collariatum n. sp. Fronde breviter sti- pitata lanceolato-lineari bipinnatifida , laciniis primariis divaricatis horizon- talibusque remotis imis distantibus ob- longis pinnatifidis, secundariis patu- lis divaricatisve contiguis e basi cuneata oblongis antice latioribus truncatis in- ciso-dentatis ; cellulis parvis vel medio- cribus firmis opacis hexaédris non elongatis interaneis obscure viridibus granulosis; soris e cylindrico clavatis ore subito in limbum amplum undula- tum dilatato. Frons usque 0,3 longa, 0,05 lata rigidula opaca obscure vi- ridis. Hab. Mexico! (Tabasco) 300') Linpen. 76. T. speciosum Wup. Sp. pl. V.p. 514; T. radi- cans Hook. Sp. fil. 1 p. 125 p. p. (non Sw.); 7. speciosum var. Andrews New. Hist. p. 315. 369 Hab. Ins Canarienses! Madeira! (Ins. Azoricae), Hibernia! 77. T. brevisetum R. Br. Hort. Kew. V p. 529; Hymenophyllum alatum Engl. Bot. tab. 1417; T. speciosum Newm. Hist. p. 305. Hab. Madeira! Hibernia! Obs. Contextu frondis certo a T- specioso diversum est. Specimina vero, quibus sum usus, quippe diverso evo- lutionis stadio collecta, specierum di- versitatem non extra omne dubium ponunt. Res denuo notaeque melioris auxiliis indaganda. 78. T. striatum Don Prodr. Fl. Nepal. p. 1. Hab. Nepal! (specimen auctoris ex dono ili. Lampert in Herb. Sonper). 419. T. Davalhoïdes Gavpicu. in Voy. Uranie Bot. Cryptog. p. 378. Hab. Ins. Sandwich (Woahoo)! M'Rar in H>rb. Sonp. (comm. Cl. Linprev). Species ignotae: T. umbrosum Watt. Cat. N. 165. Nepal. T. venustum Desv. in Ann. Soc. Linn. Paris. VI p. 328. Brasilia. T. diaphanum H. B. K. Nov. gen. p. 25. Vene- zuela. T. anceps Wau. Cat. N. 166. Nepal. 370 80. T rupestre Rappr (Hymenophyllum) Fil. Bra- sil. p. 67 tab. 80. Hab. Brasilia, Rapp, bE Mart! Pont! WEDDELL! alii. „0 Obs. Species insignis! sterilis modo hucdum lecta, at e contextu frondis vix dubie inter Trichomanes enume- randa. 81. 7. Ankersü Park. in Hook, et Grev, tab. 201i. Hab. Guyana (Batava! Hosrm., An- glica, Park., Scuoms.; Gallica! Lr Prieur); Trinidad! (specim. Hook.) in Herb. de Vr.) 82. T. brachypus Kze in Linn. IX p. 105; 7. radicans Hook. et Grey. tab. 218; T. subsessile Sprrra. in Tijdschr. v. nat. gesch. VII p. 437. Hab. Peru! Popp.; Brasilia, Bran- CHET! DE Mart! Guyana (Batava, Sprite! Kappi.! Gallica, Le Prreur, Anglica, Scuoms.); (Trinidad, Locxu.,S‘. Vincent, GUILD.) Obs. Unam alteramve speciem hic esse confusam suspicari quidem, at deficiente speciminum copia affirmare non licet. 37 f ttt T. rigidum Sw. etc. * Americana. 83. 7. rigidum Sw. Fl. Ind. occ. III p. 1738; Hepw. gen. fil. tab. II. Hab. Ins. Antillarum (Jamaica, Do- mingo! Portoricco! Guadeloupe! etc.) Columbia (Venezuela! N. Grenada!) 84. T. Mandioccanum Rapm: Fil. Brasil. p. 6% tab. 79 fig. 2;? 7. firmulum. Pr. Hy- men. p. 16 et 46. Hab. Brasilia, Rappi, Marr! Crav- SEN! WEDDELL! alii. Obs. Cl. Presz, speciem suam rha- chide et stipite nudis (non marginatis) a T. rigido differre perhibens, eo ipso hoc sibi ignotum esse, testatur. 85. 7. compressum Lesv. in Ber]. Mag. 1811 p. 329. Hab. Domingo! Porreau. 86. T. Prieurú Kzr Anal. p. 48; T. anceps Hook. sp. fil. Ip. 135 (p. p. et excl. 6.) Hab. Guyana Gallica, Ricu., LE Prieur (Anglica, Scuoms.); Brasilia, pz Mart! Wepperr ; Peru! Lecut. 87. T. anceps Hook. sp. fil. Ip. 135 (excl. #) tab. 40 C. 1. Hab. Jamaica! Guadeloupe! Trini- dad ! 372 Obs. Plures indubie hic latent spe- cies, non vero nisi examinatis speci- minibus compietis e variis regionibus probe dignoscendae. Equidem licet viros Cl. Hooker et Kunze, quisque nomine a se proposito, idem subintel- lexisse persuasum mihi habeam, ad designandum speciminum, quae vidi, typum duplicem nominibus illorum mutato sensu uti, quam novum pro- ponere, malui. 88. T. Daucoides Pr. Epimel. p. 12 tab. 7. Hab. (America centralis, Fripricus- THAL); Martinique! BÊRANGER. 89.T. tenuifolium Cav. (Prael. n. 697); Sw. Syn. p. 144. Hab. Ins. Chiloé! NÉe. Species ignota : T. mtermedium Kautr. Pr. Hymen. p. 16. Pa- tria ? ™ Capensia et Mascarena. 90. T. Drègei; T. rigidum Kze in Pl. acotyl. Afr. austr. p. 73 (excl. omn. Syn.) Hab. Cap. bon. spei! DrÊee; Port Natal! Gueingius. 91. T. Achilleaefolium Wup. sp. pl. Vp. 512; ? T. stylosum Por. Encycl. Bot. VIII p. 32. | 92. 93. Oh, 95. 96 97 98 O73 Hab. Ins. Mascarenae! Sien, Bory, Borvin, alii; Madagascar! THovars. T foeniculaceum Bory in Warzp. sp. pl. V p. 511;? T. parviflorum Pom. Encycl. méth VIII p. 83. Hab. Ins. Mascarenae! Commers., Bory, Borvin, alii; Madagascar! Trouars. T. giganteum Bory in Warp. sp. pl. V p. 914. Hab. Ins. Borboniae, Bory! BéL! Borin! alii. T. tamarisciforme Jacq. Coll. If p. 285 tab. 21 fig. 2; T. tamariscinum Bory in BEL. Voy. Bot. p. 81;? T. parviflo- rum Porr. Encycl. meth. VIII p. 83. Hab. Ins. Borboniae! Commers., BEL., Borvin; Madagascar ! Tuovars. T. meifolium Bory in Wit. sp. pl. V p. 508. Hab. Ins. Borboniae! Borv., Bér., DE Herr, alii. . T. lanceolatum Pom. Encycl. meth. VIII p. 83. Hab. Madagascar! Trovars (in Herb. Mus. Par.) . T. longisetum Bory in Wip. sp. pl. V p. 510. Hab. Ins. Borboniae! Bory, pr Mont- BRIsoN, alii; Java! Zorn. - Te, Bovini n. sp. Fronde ovato- vel oblongo- 25 374 lanceolata bipinnatifida, laciniis pri- mariis e basi latiore lanceolatis con- tiguis vel remotiusculis, superioribus patulis, mediis inferioribusque divari- _catis imo deflexis pinnatifidis, secun- dariis e basi angustata oblongis con- tiguis patulis vel erectiusculis irregu- lariter incisis (vix lobatis) inaequaliter obtuse dentatis, venis pinnatim ramo- sis, venulis ultimis furcatis parallelis densissimis, cellulis (aegre distinguen- dis) opacis mediocribus imo magnis valde imaequalibus irregularibusque elongatis, parietibus flexuosis incras- satis, interaneis amorphis diffusis spissis olivaceis, soris in laciniarum se- cundariarum incisuris immersis Jate- ralibus, indusio cylindrico parum ventricoso incurvo orificio parum am- pliato undulato, receptaculo setaceo indusio duplo et quod excedit longiore. Rhizoma brevissimum adscendens, ra- diculis ramosis, pariter ac stipes compressus apice pinnis infimis de- currentibus anguste marginatus rha- chisque et venae, paleaceo-hirsutum, stipes 7 centim. longus, frons 10—14. centim. longa, 5—7 centim. lata opaca rigida olivaceo-fusca. 3795 Affinitate proximum 7. elongatum , quod differt: glabritie, stipite rhachi- busque teretibus, structura frondis et colore, directione pinnarum, pinnulis lanceolatis profunde lobato-incisis etc. Hab. Ins. S® Marie (Madagascar) Boivin in Herb. pr FRANQUEVILLE. Species ignotae : T. myriophyllum Desv. in Ann. Soc. Linn. Paris. VI p. 329. Madagascar. T. Thuyoides Desv. ibid. p. 328. Bourbon. T. cypressoïdes Desv. ibid. p. 330. Ins. Se- chelles. T. Alchemillaefolium War. Cat. N. 159. Mauritius. ** Indica et Malasica. 99. T. obscurum Bu. Enum. II p. 227; T. mil- lefolium Desv. Mém. Soc, Linn. Par. VI p. 329; Didymoglossum longisetum Pr. Hym. p. 23 et 49. ' Hab. Ceylon! (sp. Hook. in Herb. DE Vr.); Java! Remnw., v. Gesk., ZOLL.; Ins. Philippinae! Commerson, Cumine ; (Sincapore, Loss, Warzrcu); M. Nila- girici! Perrorrer; Ins. S'° Marie de Madagascar! Borvin. 100. 7. papillatum C. Mürr. in Bot. Ztg. 1854 p. 751. 376 Hab. Ins. Philippinae! Cumina. 104. T. maximum Bu. Enum. IE p. 228 (excl. var. 6.) mn Hab. Java! Bu., Zorr.; Ins. Philip- pinae ! Cumine. 102. 7. Millefolium Pr. Hymen. p. 16 et 43; T. anceps B. Hook. sp. fil. I p. 135 tab. 40 C. fig. 3. Hab. Ins. Philippinae! Comine; Ja- va! Zorn. 103. T. Apüfolium Pr. Hymen. p. 16 et 44; T. myrioplastum Kze m B. Z. 1846 p. 477. Hab. Ins. Philippinae! Cumine; Java! v. GesK., ZOLL., JuNGH. 10%. 7. gemmatum J. Sm. in Hook. Journ. II p. 416. Hab. Malacca! Cumine. 105. T. eminens Pr. Hymen. p. 16 et 44. Hab. Ins. Philippinae ! Cumine. 106. 7. Pluma Hook. cent. of ferns tab. 97. Hab. Borneo, Loss. (n. v.) Differtne revera a 7. longiseto Bory? Species ignota : T. bifidum Vent. in Wirrp. sp. pl. V p. 511. India orientalis. *** Australica. 107. T. Bauerianum Eno. Prodr. Fl. Norf. p. 17; T. meifolium@. Hook. sp. fil. Ip. 137. 377 Hab. Ins. Norfolk, Baver; Ins. au- strales, Benn., Nicut.; India, Warp. ; teste Hooker (n. v.) 108. ZT. strictum Merz. Hook. et Grev. tab. 122. Hab. Nov. Zeelandia, Menz., Conn. (a. V.) 109. 1. elongatum Conn. Hook. sp. fil. I p. 134. Hab. Nov. Zeelandia, J. D. Hook! Sinch! Mossm.! F. Mürr.! alii. *410. T. polyanthos Hook. Ic. pl. tab. 703; sp. fil. Ip. 138. Hab. (Ins. australes, Nicur.); Tairi! VieirL. et Pranca. (in Herb. Movs.) Desciscentes : 111, 7. Smithii Hoor. Icon. pl. tab. 704; Abro- dictyon Cumingü Pr. Hymen. p. 20! tab. 7 (2?) 7 Hab. Ins. Philippinae! Cumine. 112. T. venosum R. Br. Prodr. fl. nov. Holl. p. 915; Phlebodium Brownü v. v. B. in Sched. Hab. Nova Hollandia! Nova Zee- landia ! 413. 1. caespitosum (Gaup.) Hook. sp. pl. Ip. 132 tab. 40B; Hymenophyllum cavvica. in Voy. Uranie p. 374% tab. 5 fig. 2; Serpyllopsis antarctica v. p. B. in sched. Hab. Chili! Lecut., Puccio; Ins. Chiloe! 114. fT. 378 Gav, Parmiepi, Com.; Ins. Falckland, Hermite! etc. J. D. Hoox.; Terra Magellanica! Lecut. Mougeoti n. sp. Fronde lanceolata pinnatifida, laciniis horizontalibus ap- proximatis contiguisque e basi la- tiore oblongo-linearibus integris mar- gine undulatis, venulis pinnatis di- varicatis, cellulis opacis aegre distin- guendisirregularibus inaequalibus ma- gnis, parietibus valde flexuosis hyalinis, marginalibus parietibus rectis opacis, interaneis amorphis diffusis spissis ob- scure viridibus, soris primitus axilla- ribus, serius in latere superiore la- ciniarum seriatis immersis , indusio pyriformi- cylindrico margine dilatata undulato, receptaculo setaceo non ex- serto. Rhizoma adscendens brevissi- mum paleaceum, paleis aculeiformi- bus fuscis, ramosum, ramis glabris parceradiculosis, stipites fasciculati basi inprimis, pariter ac rhachis veneeque, paleacei vix ultra 2 centim. longi tenues teretes, frons circiter 8 centim. longa, 1,5—2 centim. lata plus minus ob- scure viridis rigidula parum diaphana. Habitu gaudet frondis sterilis Féeae spicatae specierumque e tribu Achoma- 379 nes, a quibus vero pluribus iisque gravissimis notis differt. Hab. Guyana Gallica! Le Prizur. Species ignotae: T. Guineense Sw. Syn. fil. p. 142. Guinea. T. diffusum Bl. Enum. Il. p. 225. Java. T. Polypodioides L. Sp. pl. p. 1561. India ori- entalis. T. dichotomum Puttieri in Bot. Ztg. 1856 p. 631 et 650. Ins. Juan Fernandez. T. pellucidum Gorpm. Act. Acad. Leop. XIX Suppl. I p. 466. Brasilia. T. Bryoïdes Gorp. ibid. p. 466. Brasilia. T. Meijenianum Pr. (Meringium) Hymen. p. 24 tab. VIM B. Manila. Didymoglossum Desv. * Sori primitus terminales. a. Costa flabellatim ramosa, venulis spuriis continuis. 1. D. punctatum (Porr.) Desv. in Ann. Soc. Linn. Paris. Vip. 330; Trichomanes Pom. in Encl. meth. VIIL. p. 64. Hab. Antillarum insulae: (Martini- que, Guadeloupe, Trinidad, Cuba!), Guyana! Surinam! (America cen- tralis). 380 2. D. sphenoides (Kze) Pr. Hym. p. 23; Tris chomanes Kze in Linn. IX p. 102; T. reptans Hx. et Grey. tab. 32 (excl. Syn.) Hab. Ins. Antillarum: (Jamaica! St. Vincent! Cuba! Guadeloupe! Barba- dos), Peruvia? 3. D. pusillum (Sw.) Desv. in Ann. |. 1. p. 330; Trichomanes Sw. Syn. p. 142. Hab. Ins. Antillarum (Jamaica! Trinidad), Brasilia! Columbia! b. Costa pinnatim ramosa, venulis spuriis in- terruptis. 4, D. muscoides (Sw.) Desv. in Ann. |. |. p. 330; Trichomanes Sw. Syn. p. 141; T. hymenodes Henw. fil. gen. tab. Il fig. 3. Hab. Jamaica! Sw. . 5. D. apodum (Hk. et Grrv.) Trichomanes Hk. et Grev. tab. 117. Hab. Ins. Antillaram (Barbados, Cuba), Columbia! Mexico! 6. D. Schaffneri (scarto..) Trichomanes Scuurpr. in Linn. XXVI p. 368. Hab. Mexico, Scuarrn. (n. v.) Num differt a praecedente? 7 D. Pabstianum (C. Mitt.) Trichomanes C. MUL. in Bot. Ztg. 1854 p. 738. 38t Hab. Brasilia (S. Catharina)! Pansr. 8. D. reptans (Sw.) Pr. Hym.. p. 23; Tricho- manes Sw. Syn. p. 142. Hab. Ins. Antillarum (Jamaica! St. Domingo, Cuba !) 9. D. Krausü (Ax. et Grev.) Pr. Hym. p. 23; Trichomanes Hx. et Grey. tab. 149. Hab. Ins. Antillarum: (Jamaica, Do- minica, St, Vincent, Porto-ricco, Gua- deloupe, Trinidad!) Guyana! Suri- nam! Columbia! Mexico? 10. D. quercifolium (Hx. er Grey.) Pr. Hym. p. 23; Trichomanes Hx. et Grev. tab. 115; T. reptans Licsm. Mex. Bregn. p. 142. Hab. Columbia! Mexico! Ins. S. Thomas! ** Sori primitus axillares. „11. D. filicula Desv. Ann. Soc. Linn. Par. VI p. 3315; Trichomanes minutulum Gav- pica. in Freisc. Voy. Bot. p. 377 tab. 12 fig. 2. Hab. Ins. Mascarenae ! Madagascar! Java! Timor! Ins. Philippinae! Ins. Societatis (Borabora)! Ins. Rawack! (Bonin Sima.) 012. D. bilabiatum (N. et “Br.) v. p. B. in Pl. 382 Jungh. I. p. 557 (seorsim p. 13); Trichomanes N. et Br. in Act. Acad. Leop. XI. p. 123 tab. XIII fig. 2. Hab. Java! Sumatra? Ceylon! Mac- RAE, Timor! GAubIcH. 013. D. capillatum (Tascuy.) Pr. Hym. p. 65; Trichomanes Tascun. Diss. p. 34 tab. I fig. 2. Hab. Ind. orient. (m. Nilagirici !) Scumopt; Sumatra! Java! 1%. D. undulatum Pr. Hym. p. 23 et 48. Hab. Ins. Philippinae! Cumine. 15. D. brevipes Pr. Hym. p. 23 et 47 (1843). T. melanorrhizon Hook. sp. fil. I p. 140 (1846.) Hab. Ins. Philippinae! Cumae. Obs. D. decipiens Desv. in Ann. L.L VI. p. 330 tab. VIL fig. 3 quam maxime est dubium; in novo enim orbe, quantum scio, nulla species ex affinitate specierum ultimarum pro- venit. Leptocionium Pr. emend. i. L. denticulatum (Sw.) Hymenophyllum Sw. Syn. p. 148 et 375; Didymoglossum Pl. Jungh. I p. 560 (seorsim p. 16.) Hab. Ins. Java! Tuuns., Bu., Junen. ee a alii. oe ke 6. L. 8. L. 383 . Neesúü (Bu.) Trichomanes Bu. Enum. Il p. 226; Hymenophyllum dichotomum N. et Bu. in Act. Acad. Leop. XI p. 127 tab. XII fig. 4; H. multifidum Bory in Bér. Voy. Bot. p. 82 (non Sw.) Hab. Ins. Java! Bér., Reinw., ZOLL; Ceylon! Trwarres. aculeatum (J. Sm.) Trichomanes J. Sm. in Hook. Journ. II p. 417. Hab. Ins. Philippinae! Comine. . acanthoides Pl. Jungh. 1. p. 560 (Didy- moglossum). Hab. Ins. Java! v. GEsK. . Braunü Pl. Jung. 1 p. 560 (Didymo- glossum.) Hab. Ins. Java! Reinw., Trysm. holochilum Pl. Jungh.I p. 564 (Didymo- glossum). Hab. Ins. Java! Herb. Ar. Br. . serrulatum (Pr.) Didymoglossum Pr. Hym. p. 23 et 48; Hymenophyllum Smitha Hook. sp. fil. I p. 97 (p. p.) tab. 35 B; H. bivalve J. Sm. in Hook. Journ. HI p. 418 (non Sw). Hab. Ins. Philippinae! Cuurne. affine Pl. Jungh. I p. 562 (Didymoglos- sum). | Hab. Ins. Java! Tevsu. 384 9. L. Preslt; Hymenophyllum Smithii Hook. J]. |. p. p.; Sphaerocionium bivalve Pr. in Herb. Berol. (Hym. p. 34?) Hab. Ins. Philippinae! Meryen, Cv- MING. 10 L. dichotomum (Cav.) Hymenophyllum Cav. Prael. N. 688; MH. plicatum Kaur. Enum. p. 268. Hab. Chili! Lecut., Gay, alii. 11. L. Magellanicum (Dtsv.) Didymoglossum Drsv. in Act. Soc. Linn.Par. VI.p.331; Plycho- phyllum Kr. in Linn. XVIII. p. 533. Hab. Terra Magellani, Chili! Lecut., PHILIPPI. 12. L. dentatum (Cav.) Hymenophyllum Cav. Prael. N. 687. Hab. Ins. S. Carlos de Chiloe! NEE. 13. L. tortuosum (Hr. et Grev.) Hymenophyllum Hr. et Grev. tab. 129; Mijrmeco- stylum Pr. Hymen. p. 27 tab. 10 A. Hab. America antarctica, Menz., J. D. Hook. ! Lecur.! alii. 14%. L. Seselifolium Pr. Hymen. p. 33 et 52. Hab. Chili, Cumine (n. v.) 15. L. attenuatum (Hoox.) Hymenophyllum Hook. sp. fil. I. p. 99 tab. 36. A. Hab. Brasilia, GARDN.; (n. VY.) Obs. Didijmoglosso et Hymenophyllo 389 genus intermedium, quod, si ulterior observatio confirmaverit, pluribus Hy- menophylli speciebus ditatum iri exi- stimo. B. HYMENOPHYLLOIDEAE. Hymenoglossum Pr. 1. H. cruentum (Cav.) Pr. Hym. p. 35; Hy- menophyllum Cav. Prael. N. 684. Hab. Chili! Née, Lecau., Gav, alii; (Mexico? HAENKE). Hymenophyllum Sm. A. Frons glabra, a. Margine integro. «. Frons plana. + Venae a basi inde furcato-dichotomae. 1. H. marginatum Hx. et Grey. tab. 34. Hab. Nova Hollandia, Fraser (n. v.) 2. H. brevifrons Kze. Farrnkr. lp. 236 tab. 96 fig. 2. Hab. Guyana Gallica! Le Prreun. 3. H. palmatum; Trichomanes flabellatum Bory in Bèr. Voy. Bot p. 77. Hab. Ins. Mascarenae! Bory, Bèr, Borvin. 386 th} venae pinnatim ramosae. 4, H. abruptum Hook. sp. fil. 1 p. 88 tab. sí B. Hab. (Jamaica), Cuba! Wricur. ò. H. brevistipes Liem. Mex. Bregn. p. 138. Hab. (Mexico); Cuba! Wrieur; Ca- raccas! Funk et Scuuim. 6. H. asplenioides Sw. Syn. p. 145. Hab. Jamaica! Mexico! (Guyana anglica, Brasilia?) 7. H. capillaceum Roxs. Hook. sp. fil. I p. 109 tab. 38 B; H. infortunatum Bory in Voy. Uran. Bot. p. 284 tab. 38 fig. 3. Hab. Ins. S'. Helena, Menz.! J. D. Hook! M’Rar! alii. 8. H. Fumarioïdes Bory in Wu. Sp. pl. V p. 926. Hab. Ins. Mascarenae , Bory! 9. H. gracile Bory in Willd. sp. pl. V p. 527. WE Hab. Ins. Mascarenae, Bory! Hom- BRON! Borvin! alii. 10. H. Natalense n. sp. Fronde, lanceolata vel lineari basi pinnata caeterum bipin- natifida, laciniis primariis erecto-pa- tulis imbricatis e basi cuneata acuta lanceolato-oblongis pinnatifidis, se- 387 cundariis contiguis strictiusculis obo- vatis cuneatisque simplicibus furca- tisve, lacinulis ‘strictis latis apice emarginatis, cellulis magnis opacis parumper elongatis acutangulis chlo- rophyllosis, globulis laete viridibus diffusis, marginalibus duplo fere mi- noribus non elongatis, parietibus hy- alinis incrassatis hic illic leviter un- dulatis, soris praemagnis rhom- boïdeo-oblongis basi conicis antice bilobis, lobis vix 1/2 sorum aequan- tibus integris leviterve erosis, receptaculo brevi incluso. Rhizoma ultra setaceum horizontale, stipes te- res setaceus usque 7 centim., frons 10— 12 centim. longa, 11/.—2 centim. lata fusco-olivacea parum diaphana debilis. Hab. Port Natal, Guerzius ! loco non designato, Dries! Klynrivier, ZeisneR! Gnadenthal, Breve! Obs. Vix dubie huc citandum H. Fumarioides auctorum de filicibus Ca- pensibus (Scurtpt. Adumbr. pl. Cap. p. 56 (excl. pl. Brasil.; tab. 35 citata numquam prodiit); Kunze Pl. acotyl. Afr. p. 75; etc.), quae vero species omnibus omnino notis a nostra rece- 388 dit. Specimina ZeiHERI et BREUTELII in schedulis nomine H. Zeyueri di- stinxi, quippe quae habitu et divisione frondis, soris duplo minoribus, in- primis vero contextu frondis tanto- pere singulari differunt, ut normalis an sit dubitem. Propterea hic indicas- se sufficiat dum ulterior observatio quid pro vero habendum sit, do- cuerit. 41. H. rarum R. Br. Prodr. Fl. Nov. Holl. p. 159 (seorsim p. 808); H. semibivalve Hx. et Grev. tab. 83. Hab. (Tasmannia), Nov. Zeelandia, J. D. Hook! 12. H. flabellatum Laxswx. Nov. Holl. pl. spec. II. p. 1041 tab. 250 fig. 1; H. nitens R. Br. Prodr. p. 159 (Seorsim p. 808.) Hab. Tasmannia! van Diemensland! Australia felix! etc. 13. H. Hooker Bory in Bèr. Voy. Bot. p. 84; H. nitens Hx. et Grev. tab. 197 (non R. Br.); H. flabellatum @ Hook. sp. fil. Ip. 141. | Hab. Nova Zeelandia! Ins. Auckland! (Java.) 389 14. H. polyanthos Sw. Syn. p. 149. Hab. Jamaica! Sw. Columbia! Moruz: 15. H. Grevilleanum Pr. Hymen. p. 32 H. polyan- thos Hx. et Grev. tab. 128 (non Sw.) Hab, Jamaica! (S‘. Vincent.) 16. H. Schomburgkü Pr. Hymen. p. 32; Tricho- manes clavatum Kaurr. in Weic. Exsicc. Surin.; H. polyanthos Kze in Linn. XXI p. 240; H. clavatum Spuirs. in Tijdschr. voor Nat. Gesch. VII p. 437. Hab. Guyana Batava! Anglica! 17. H. Martinicense. H. decurrens 6. Siebert Pr. Hymen. p. 32. Hab. Martinique! SreB.; Guyana Gallica! Le Prreum. 18. H. Poeppigianum Pr. Hymen. p. 32 et 54; H. clavatum Kze in Linn. IX p. 109; H. polyanthos Merten. in Fil. Lechl, p. 26. Hab. Peruvia! Lecur.; (Guyana Anglica). 19. H. axillare Sw. Syn. p. 148. Hab. Jamaica! Sw. 20. H. millefolium Scurror. in Linn. V p. 620; H. polyanthos Pr. Hymen. p. 32. (non Sw.) Hab. Mexico. (n. v.) 21. H. abietinum Hx. et Grev. tab 127. 26 390 Hab. Peruvia, Jameson, Lecat. ! Covurnoty ! 22. H. cuneatum Kze Anal. pterid. p. 50 (4837); H. Cuming Pr. Hymen. p. ° 32 et 56 tab 11 A (1843.) Hab. Ins. Juan Fernandez. (n. Vv.) “23. H. australe Wup. Sp. pl. V p. 527; H. polyanthos Laruu. (teste spec. auth.) Hab. van Diemensland! Taiti! Pranca, et Vieill. 0 24. H. Blumeanum Spr. S. V. IV p. 131; H. pectinatum N. et Br. in Nov. Act. Leop. XI p. 124 tab. XII fig. 5 (non Cav.) Hab. Java! Herb. Ar. Br.; Su- matra! Trysm. Obs. Speciminibus incompletis de- ceptus H. Wneari ante habui affine. Meliora nunc edoctus non alienum esse video a speciebus, seriem H. poly- antht in regionibus Indo-australibus repetentibus, imo praecedenti, quo- cum structura omnino convenit, olim subjungendum esse facile crediderim. 25. H. integrum v. v. B. in Pl. Jungh. I p. 563 (seorsim p. 19.); H emargina- tum N. et Bu. I. 1. p. 127 tab. XI fig. 5 (non Sw.) Hab. Java! Bu. 391 26. H. pycnocarpum v. vp. B. in Pl. Jungh. I. p- 564 (seorsim p. 20.) Hab.Java! Herb. Au. Br, (Gedé) v. Gesk - 27. H. coloratum Ax. Br. in Pl. Jungh.1 p. 565 (seorsim p. 21.) Hab. Java! Herb. Ar. Br. 28. H. tenellum Don. Prodr. Fl. Nepal. p. 12; Hook. sp. fil. Ip. 112. Hab. Nepal! Warr. (spec. ex dono Lampert in Herb. Sonn.) — 29. H. Wright n. sp. Fronde late oblonga pinnatifida, laciniis patulis contiguis 1—2 dichotomis dimidiatis (?), laci- nulis latiusculis abbreviatis, cellulis opacis firmis rubro-fuscis magnis (imo maximis) elongato-hexaédris acutan- gulis globulosis, globulis inaequalibus confertissimis diffusis, parietibus hyali- nis tenuibus rectis, cellularum margi- naliumminute et obtuse crenulatis, soris in laciniis axillaribus reflexis lacinulá latioribus e basi conica immersa bi- lobis, lobis semicircularibus integris, receptaculo brevi. Rhizoma horizon- tale ramosum setaceum paleis pilifor- mibus elongatis crispulis parce tomen- tosum; stipes mediotenus ala rhacheos descendente anguste marginatus vix ultra 7 millim. longus, frons 16 NA 392 millim. longa, 10 millim. lata opaca firmiuscula rubro-fuscidula. x Hab. Japonia! (Hakodadi), Wricur. 30. H. paniculiflorum Pr. Hymen. p. 32 et 55. Hab. Ins. Philippinae, Cumine. (n. v.) 341. H. clavatum Sw. Syn. p. 149; H. fraternum? Pr. Hymen. p. 32 et 54 tab. 12 B. Hab. Jamaica! Sw.; Porto-ricco! SGHWANECKE. 32. H. protrusum Hook. sp. fil. I p. 104 tab. 37 B; H. clavatum Sw. (p. p.) teste spec. auth. | Hab. Mexico! Sincr.; Jamaica! Sw. 33. H. ferax. n. sp. Fronde lanceolata tripin- natifida, laciniis primariis oblongo- lanceolatismediiscontiguis, infimis sum- misque remotiusculis „ patulis apice arrecto bipinnatifidis, secundariis ob- longis obovatisve contiguis patulis vel subdivaricatis pinnatifidis, tertiariis pinnatifidis apicalibus simplicibus, la- cinulis simplicibus dichotomisve bre- vibus latis apice integro, cellulis ru- bro-fuscis validis opacis mediocribus subaequalibus parum elongatis obtus- angulis, interaneis amorphis spissis diffusis, parietibus vix conspicuis fla- vescentibus rectis, marginalium cel- 393 lularum incrassatis crenulatis, soris magnis numerosis turgidis in lacinulis tertiariis lateralibus e basi conica bi- lobis, lobis sori %/3 aequantibus oblon- gis margine eroso, receptaculo brevi incluso. Rhizoma —? stipes teres se- taceus debilis 7 centim. et ultra lon- gus, frons 2 decim. longa, 3—4 cen- tim. lata opaca fusco-olivacea firmius- cula pendula(?) Hab. Venezuela! Funck et Scuiim (N. 1578.) 34. H. Jalappense Scurrpr. in Linn. V p. 619; H. polyanthos Kze in Linn. XVIII p. 352. Hab. Mexico, Scmiepe! ScHAFFNER! alii. 35. H. Kohautianum Pr Hymen. p. 32 et 56. Hab. Martinique! Sies.; Guadeloupe! L’ Herm. “36. H. recurvum Gaupren. in Voy. Uran. Bot. p. 576. Hab. Ins. Sandwich! Gauprcn. 37. H. acrosorum v. p. B. in Pl. Jungh. I p. 564 (seorsim p. 20.) Hab. Java! v. Gesk. 38. H. Aucklandicum. H. crispatum 0° Tasma- nicum Hook. sp. fil. I p. 105 excl. Syn. R. Br. et? Corenso). 394 Hab. Tasmania! ins. Auckland! J. D. Hook. in Herb. Sonn. Obs. Synonymon Hookerianum citare jubent specimina viri clarissimi in . Herb. pe Vriese. Caeteroquin speciem, quam equidem ad specimina Aucklan- dica (in Herb. Sonper) determinavi, nondum descriptam credidissem, quan- doquidem H. flabellatum R. Br., ab illustri auctore synonymon citatum , toto coelo diversum esse e specimine authentico compertus sim. Plantam , a Corenso nomine H. atrovirentis des- criptam identicam esse cum illo H. flabellato suspicor, at specimine non viso judicium ferre nequeo. 39. H. caudiculatum Marr. icon. sel. Brasil. p. 102 tab. 67. Hab. Brasilia, Marr! Beyr.! alii. 40. H. caudatum Sphaeroctonium productum Pr. Hymen. p. 35 et 61; H. fuciforme Merten. in Fil. Lechl. p. 26; H. cau- diculatum 6. Hook. sp. fil. I p. 102. Hab. Chili, Gay! Lecuat.! (Ins. Chiloe). Al. H. fuciforme Sw. Syn. p. 148. Hab. Chili,Lecnr.! (Ins Chiloe, Juan Fernandez). 395 42. H. Junghuhnä v. v. B. in Pl. Jungh. I. : p- 570 (seorsim p. 26); H. dilataium Br. Enum. Il p. 221. (non Sw). Hab. Java, Reinw.! Jonen.! Zorr.! 43. H. macrocarpum (Pr.) Sphaerocionium Pr. Hymen. p. 35 et 61. — Hab. Ins. Philippinae! Cuurne. 44, H. badium Hr. et Grev. tab. 76. Hab. (India orientalis), watt. (n. v.). 43. H. Cumingit. Sphaerocionium badium Pr. Hy- men. p. 35.(non Hx. et GREV.) Hab. Ins. Philippinae! Cumme. Obs. H. badium secundum descrip- tionem et iconem) differt: fronde e basi obtuso elliptica, laciniis primariis brevibus, soris in hisce axillaribus solitariis, indusii lobis integerrimis , colore badio, etc. 46. H. sororium (Pr.) Leptocionium Pr. Epimel. p. 24 tab. 11. Hab. (Nova Zelandia), Java! v. Gesk., JUNGH. 47. H. leptodictyon C. Miu. in Bot. Ztg. 1854 p. 734. Hab. Java! Zorr., v. Gesx. / 48. H. demissum (Forsr. Sw. Syn p. 147 et 374; Trichomanes Forst. Prodr. p. 85 N. 468. "Hab. (Ins. maris pacifici, Forsr.), 396 Philippinae! Gumins, Nova Zelandia, Sicrarr! J. D. Hoox.! alii. 49. H. eximium Kze in Bot. Ztg. 1846 p. 478 (descr. ad specimina incompleta); H. inclinatum v. p. B. in Pl. Jungh. I p- 570 (seorsim p. 26.) Hab. Java, Zoru! v. Gesx.! Species ignotae : H. emarginatum Sw. Syn. p. 148 et 377. Java, THUNB. H. imbricatum Bu. Enum. p. 220. Java. H. ramosissimum Haut. in Don Prodr. Fl. Nepal. p. 12. Nepal. B. Frons squarrosa crispa vel undulata. 50 H. sanguinolentum Sw. Syn. p. 529. Hab. Nova Zeelandia Sincu! Cum! J. D. Hook! Mosm! alii. 51 H. pulcherrimum Cou Hook. sp. fil. I. p. 103 tab. 37 A. Hab Nova Zeelandia, Cot. (n. v.) 52 H. imbricatum Cor. (in Tasm. Phil. Journ.) H. rarum 6. Hook. sp. fil. I p. 101. Hab. Nova Zeelandia, J. D. Hoox.! Java, Teysm.! (Chiloe? Terra del fuego? Obs. Cum H. raro R. Br. ne habi- tu quidem convenit. Nomen valde aptum mutandum erit si homonymam 397 speciem Blumeanam, nunc Botanicis ignotam, aliquando inter species co- gnitas recipere licebit. 53. H. tabulare. H. rarum Kze Farrnkr. I p- 234 tab. 96 fig. 1 (non R. Br). Hab. Africa australis (Tafelberg, Duivelsberg, Hollandsberg) Ec«r ! Zry- HER! Drice! 54. H. apicale H. axillare Hx. et Grev. tab 124. (non Sw.). Hab. Jamaica! (S‘. Vincent.) Obs. Differt ab H. azillari Sw, ha- bitu frondis et divisione, stipite et rhachi inferne nuda filiformibus, soris lacinula duplo angustioribus e basi cuneata oblongo-trapezoïdeis termina- libus, cellularum denique forma et mag- nitudine. 55. H. nigricans (Pr.) Kr. in Linn. XVIII p. 536; H. polyanthos 7. Hook. sp. fil. I. p 107 (p. p.) Hab. Columbia! Moritz; Peruvia, Doms. Marra.! 56. H. myriocarpum Hook. sp. fil. I p 106. tab. 37 D. Hab. (Columbia, Harrw.) Caraccas! Funk et Scutim, Moritz? 57 H. Andinumn. sp. Differt a praecedentibus: stipite debili, pariter ac rhachis in- 398 ferne, non alato, fronde tenui flacci- da, ab H. myriocarpo insuper : laciniis primariis elongatis apice arrectis , la- cinulis latioribus et longioribus, soris oblongis obovatisve, indusii lobis emar- ginate—crenatis, contextu frondis; ab H. nigricante: laciniis secundariis elongatis, lacinulis plus quam duplo latioribus apice integris, soris duplo majoribus, cellularum forma et ma- gnitudine. Hab. Andes Quitenses! Coutnovy. 58 H. Ricciaefolium Bory in Warp. sp. pl. V p. 931; Adiantum tenellum Jaco. col- lect. III p. 287 tab 21 fig. 3 (ru- dis sed bona.) Hab. Ins. Bourbon! Bory, Botvin; Madagascar! Goupeor. 59. H. crispatum Watt. Hook. sp. fil. I p. 105? (excl. saltem 6); Hx. et Grev. tab 77. Hab. Nepal, Watt. (n. v.) 60. H. erosum Bu. Enum. II. p. 221. Hab. Java, Bt.! 61. H. fimbriatum J. Sm. in Hook. Journ. Il. p. 418. Hab. Ins. Philippinae, Cum.! Java, v. GEsk! 399 62. H. Javanicum Ser. S. V. IV p. 132; H. cris- pum N. et Bl. in Act. Acad. Leop. XI p. 128 tab. XIV fig. 1. Hab. (India orientalis), Ceylon! GARDN. Java! Br, Zorr., alii. 63 H. micranthum v. v. B. in Plant. Jungh. I p. 566 (seorsim p. 22). Hab. Java, v. Gesx.! 64 H. Reinwardti v. v. B. in Plant. Jungh. I p. 567 (Seorsim p. 23.); H. dicho- fomum Br. Enum. Il p. 222 (non Cav., nec N. ab Es.) Hab. Java, Reinw.: 65. H. productum Kze in Bot. Ztg. 1848 p. 305. Hab. Java, Zou! v. Gexs.! alii. 66. H. flexuosum Cunn. in Hook. Bot. Mag. Compan. Il. p. 369. Hab. Nova Zeelandia, Cunn, F. Mutter! Sincramm! alii. 67. H. Tasmannicum H. flabellatum R. Br. Prodr. p. 159 (seorsim p. 808 (non Lasitt.) H. crispatum ò Hook. sp. fil. I p. 105 (p. p.) Hab. van Diemensland! R. Br. Species ignota: H. daedaleum Bui. Enum. If p. 220. Java. 400 68. H. undulatum Sw. Syn. p. 148; Hepw. gen. fil. tab. XIX (non XI). Hab Jamaica! Sw.; Peruvia! Marra. 69 H. flaccidum. H. undulatum Hepw. gen. fil. tab. XI; H. myriocarpum? Metten. in Fil. Lechl. p. 26. (non Hook.) Hab. Jamaica! Cuba Wruicut; Co- lumbia! Moritz; Andes Quitenses! SAETTONE; Mexico! Scuarrn; Peruvia ! LECHL. 70. H. crispum HBK. Nov. Gen. I. p. 258; Kuntu Syn. p. 90. H. undulatum Mer- TEN. in Fil. Lechl. p. 26 (non Sw.) Hab. (Columbia, Huus. , Boner.); Peruvia, LEcHL. 71 H. reniforme Hook. Sp. fil. I p. 110 tab. 38 C, Hab Peruvia, Marru. (n. v.) 72. H. convolutum n. sp. Fronde lineari bipin- nata, pinnis e basi cuneata oblongis vel oblongo—linearibus interdum ra- mulos plus minus elongatos simu- lantibus aequidistantibus erecto-pa- tulis im fronde fertili contiguis, in sterili remotis pinnatis, pinnulis ap- proximatis patulis obovatis vel subfla- bellatim cuneatis simplicibus vel 1—3 furcatis, lacinulis linearibus antice latioribus emarginatis longitudinaliter 401 convoluto-undulatis, cellulis teneris hy- alino-diaphanis (subtiliter punctulatis) mediocribus,imomagnis, subaequalibus regulariter subelongato-hexaëdrisacu- tangulis, interaneis frustuloso-nebulo- sis parietalibus (raro diffusis) e rubro fus- cidulis, parietibus hyalinis rectis te- nuibus, soris in lacinulis terminali- bus parvis turgidis, indusio e basi rotundato-cuneata bilobo, lobis £ sori partes aequantibus suborbicularibus antice denticulatis, receptaculo brevi. Rhizoma ultra setaceum, stipes seta- ceus (pariter ac rhachis) teres fus- co—ater circiter 5 centim. longus, frons 1—11/2 decim. longa, 15 mil- lim. lata debilis diaphana e pallide ba- dio rubro-fusca. Hab. Andes Quitenses! Coursovy , JAMESON. Species ignota: H. Endiviaefolium Desy. Ann. soc. Linn. Par. VI p. 334. Peruvia. b. margine dentato. «. Indusium integrum. 73. H. Wilsont Hook. Brit. Fl. I. p. 446; Engl. Bot. Suppl. I tab. 2686. 4.02 Hab. Brittannia! (inprimis Hibernia et Scotia); Ins Far! Norvegia austr. et occid! (Saxonia)? 74 H. megachilum Pr. Epimel. p. 22 tab. 8 B. Hab. Brasilia, GARDN. (n. v.) „75 H. unilaterale Bory in Witxp. sp. pl. V. p. 521. Hab. Ins. Bourbon, Bory! 76 H. Meyert Pr. Hymen. p. 31 et 50. Hab. Africa australis, Drege! Ler- sorp! Natal Guemzivs! 77 H. cypressiforme Larix. Nov. Holl. pl. spec. p. 102. tab. 250 fig. 2; H. Tunbrid- gense B Hook. sp. fil. Ip. 95 (p. p.) Hab. Nova Zeelandia! LaBi. 78. H. Menziesi Pr. Hymen. p. 31 et 51; H. Tunbridgense Merten. Fil. Lechl.p. 26. Hab. America antarctica; Terra Magellani, Lecur! Hermite Isl., Cape Horn, J. D. Hook! (Staatenland, Menz.) 79. H. secundum Hx. et Grey. tab. 133. Hab. America australis et antarctica; Chili! Puccio; Terra Magellani! Lecur.; _ Hermite Isl., Cape Horn, J. D. Hook ! (Staatenland, MeEnz.) 80. H. serra Pr. Hymen. p. 32 et 53 tab. XI B; H. secundum Merten Fil. Lechl: p- 26 (p. p. 403 Hab. (Chili, Comte); Valdivia! Pur- LIPPI. 81. H. pectinatum Cav. Prael N. 685. Hab. Chili, Gams! Lecur.! Puccio! alii. 82. H. Bridgesi Hook. sp. fil. 1 p. 97 tab. 35 C. Hab. Chili, Brinces, Cumine, Par- Lippt ! 83. H. Bibraianum Sturm in Flora 1853 p. 361. Hab. Chili, Birra. (n. v.) 84. H. bivalve (Forsr.) Sw. Syn. p. 146 et 372; Trichomanes Forst. Prodr. p. 460. Hab. (Nova Zeelandia , Forsr., Gor); Ins. Auckland! J. D. Hook. 6 indusium dentatum. 85. H. Tunbridgense Sm. Fl. Britt. II p. 1144. Hab. Brittannia! Gallia occidentalis ! (Italia superior), Corsica! Tyrolis au- stralis! (Saxonia?) 86. H. Drégeanum Pr. Hymen. p. 32 et 52; H. Tunbridgense B pedunculatum Kze. in Pl. acotyl. Afr. austr. p. 74. Hab. Africa australis! Drice, Ecx- LON, alii. 87. H. minimum Rrcu. Fl. Nov. Zeel. p. 91 tab. 14 fig. 2; H. antarcticum Pr. 404 Hymen. p. 31 et 50 tab. 12 A? Hab. Nova Zeelandia, Ster! J. D. Hoox.! Mossm.! alii. 88. H. asperulum Kze in Linn. IX p. 109; H. Tunbridgense Merren. Fil. Lechl. p. 26 (p. p-) Hab. Chili, Poerr., Puiiprr! Species ignota: H. Thunbergii (Ecxu.) Pr. Hymen. p. 32. Cap. bon. spei. 89. H. fucoïdes Sw. Syn. p. 146 ; Trichomanes Hepw. gen. fil. tab. VIII. Hab. Jamaica! Columbia (Venezuela! Nova Grenada!), (Mexico, Peruvia Brasilia?) 90. H. pedicellatum Kze in Linn. XX p. 439. Hab. Columbia, Morirz! Funk et ScuLim! 91. H. Peruvianum Hx. et Grev. tab. 208. Hab. Columbia (Andes Quitenses , JAMES.! SAETTONE! Coutuouis! Nova Grenada, Scuiim)?. 92. H. spmulosum H.B. K. Nov. gen. I p. 26; Kru. Syn. pl. orb. nov. p. 90; Lep- tocionium fucoides Kl. in Linn. XVIII p. 533, 4.05. Hab. Columbia, Humr. et Bone ., Moritz! Funk et Scam! Obs. Species hae quatuor licet parvitate non peccent, varie confusae sunt. H. pedicellati nomen e schedu- lis Kunzeanis edens, describendi cu- ram non prima vice aliis commode relinquens, Cl. Krorsca distinguendum id ab H. fucorde monet: indusii valvu- lis ovato-lanceolatis , margine inaequa- liter serrato-dentatis; quasi hoc a specie Swarrziana alienum esset, H. Peruvianum, etiamsi pinnatum dicat Cl. Hooker, rhachi inferne anguste alata gaudere videtur situque et dire- ctione sororum omnino cum H. fucotde convenit, cujus quippe sori vetusti de- mum reflectuntur. Utroque insignius H. spinulosum. Quae vidi adque auc- torum sententiam determinavi speci- mina contextu frondis duplicem ty- pum monstrant; alteram cellulis | firmis opacis magnis parietibus rectis , teneris hyalinis facile ma- ximis parietibus crenulatis alte ram. 93. H. blepharodes Pr. Hymen. p. 32 et 51. Hab. Martinique! Guadeloupe! 27 4.06 94. HH. Jameson: Hook. sp. fil. Ip. 96 tab 35 A. Hab. Andes Quitenses! Jameson. 95. H. cristatum Hr. et Grev. tab. 148. Hab. Andes Quitenses, JAMESON. (n. Vv.) ¥96. H. multifidum (Forst.) Sw. Syn. p. 149 et 378; Trichomanes Forst. Prodr. p. 85 N. 473. Hab. (Ins. maris pacifici, Forsr.); Nov. Zeelandia, Lyautu! J. D. Hoo- KER! alii. B. Frons vestita, a. pendula (stipite plerumque debili). «. Venae venulaeque alato-cristatae. 97. H. sericeum Sw. Fl. Ind. occid. II p. 1745; Prom. Foug. p. 56 tab. 73; Hepw. gen. fil. tab. VII. Hab. Ins. Antillarum (Jamaica! Cuba! Guadeloupe! Martinique, Tri- _nidad!) 98. H. plumosum Kir. Enum. p. 267; Sphae- rocionium aureum Pr. Hymen. p. 34 et 57. Hab. Brasilia! Columbia! Peruvia! 99. H. tomentosum Kze Linn. IX p. 107; Farrnkr. I p. 160 tab. 69; H. seri- AOT ceum Merten. in Fil. Lechl. p. 25 (non Sw.) Hab. Peruvia , Pörr. ! Lecur.! Species ignotae: H. pyramidatum Desv. in Ann. Soc. Linn. Paris. VI p. 332. America tropica. H. lobato-alatum Ku. in Linn. XX p. 438. Peruvia. B. Venae venulaeque nudae. 100. H. hirsutum Sw. FL. Ind. occid. III p. 17465 101. Hepw. gen. fil. tab. X. Hab. Jamaica! Cuba! Columbia! Mexico? . latifrons n. sp. Fronde oblonga vel lanceolato-oblonga pinnatifida, laci- nis inferioribus obcuneatis 4—3dicho- tomis, reliquis oblongo-linearibus fur- catis simplicibusque patulis subaequidis tantibus, lacinulis margine leviter undu- latis apiceretusis, venulis gracilibus pro- pe apicem desinentibus , pilis frondis marginem et laminam, pariter ac rha- chidem, venas venulasque dense ob- tegentibus debilibus elongatis apice in radios 2—4 erectiusculos divisis, cellulis hyalinis maximis elongatis regularibus acutangulis, parietibus 408 parum diaphanis rectis tenuibus, in- teraneis parietalibus amorphis fusci- dulis, marginalibus magis elongatis subtetraëdris, soris parvis in lacinu- lis terminalibus hisque angustioribus, indusio e basi conico-rotundata bi- lobo lobissuborbicularibus transversim latioribus undulatis integris dense ciliatis, receptaculo setaceo brevi. Rhizoma horizontale setaceum re- pens, pariter ac stipes brevissimus (1—1,5 centim.) teres capillaris, hir- sutum, frons 4—5,5 centim. longa, 2—2.5 centim. lata diaphana tenera olivaceo-fuscidula, lacinulae 3 millim. latae. Hab. Guadeloupe! Perrotr., L’HERMIN. 102. H. venustum Desv. in Ann. Soc. Linn. Paris. VI p. 332; H. hirsutum Rappi Fil. Brasil. p. 19 tab. 79 fig. 3 (non Sw.); H. Raddianum Mutt. in Bot. Ztg. 1854 p. 722. Hab. Brasilia, Rappi (n. v.) | 103. H. pulchellum Scaurpr. in Linn. V p. 618. Hab. Mexico! Scrrepe , SCHAFFEN. 104. H. elegantulum. H. pulchellum Hook. sp. fil. I pag. 91? tab. 33 A! mon Scaror) Hab. Andes Quitenses! James, SAETTONE. 105. 106 107. 108. 109. 409 . procerum. H. pulchellum Merten. in Fil. Lechl.p. 25 (non Scurror., nec Hook). Hab. Peruvia! Lrcuar.; Columbia! James., Rémis. . H. lineare Sw. Fl. Ind. occid. Ili p. 1749; H. elegans Ser. S. V. IV p. 133; H. trifidum Hx. et Grev. tab. 196. Hab. Brasilia! Peruvia! (Columbia), Nova Grenada! Crugert Mürr. in Bot. Ztg. 1854 p. 722. Hab. Trinidad! Crücer; Guadeloupe! L'HeRMIN. . interruptum Kze. Anal. p. 48 tab. 30. Hab. Peruvia, Péppie (n. v.) . aequabile Kze. sec. Kr. in Linn. XX p. 438 (a neutro descriptum!) Hab. Columbia, (Venezuela, Moritz! Funk et Scrum! Nova Grenada, Scarim!)? Peruvia, Lecur.! Obs. Speciene differat ab antecedente, me judice, denuo inquirendum est. H. interruptum coll. PoepPPicranae , quod vidi, evidenter pertinet ad H. tomentosum Kzr. Specimina Peruviana a Lechlero collecta e contextu frondis huc referenda sunt; sunt autem ste- rilia ideoque non tute determinanda. 410 110. H. pendulum Bory in Bèr. Voy. Ind. or. Bot. p. 81 tab. 8 fig. 2. Hab. Ins. Bourbon, Boris! Borvin! de Monrsrison ! alii. Species ignotae: H. nudum (Potr.) Desv. Ann. Soc. Linn. Par. VI p. 332. Guadeloupe. H. capillare Desv. ibid. p. 333. Ins. Tri- stan d’Acunha. b. erecta (stipite firmiore.) 411. H. Organense Hook. sp. fil. I p. 90 tab. 32 B; H. Beijrichianum Kze in Linn. IX p. 108 (quo ad pl. Brasil.) Hab. Brasilia, Garpn., Beyr.! Co- lumbia (Venezuela! Moritz, N. Gre_ nada! Semm.) a 112. H. Beyrichianum Kze in Linn. IX p. 108 (quo ad pl. Peruv.) Hab. Peruvia, Porpp. (n. v.) 113. H. Rwizianum Kr. (Sphaerocionium) Linn. XVIII p. 535. Hab. Peruvia, Ruiz (n. v.) 114. H. Lindent Hook. sp. fil. I p. 94 tab. 34 C; H. spectabile Moritz in Coll. Fil. Columb. Hab. Venezuela, Linpen, Moritz! 115. H. 116. H. Aff valvatum Hx. et Grev. tab. 219. Hab. Andes Columbicae , James! Peruvia, Lecur. Francavillei n. sp. Fronde oblongo- lanceolata apice producta bipinnatifida, laciniis primariis e basi lata trian- gularibus ovatisve imbricatis contiguis- que subhorizontalibus, imis deflexis, pinnatifidis, secundariis obcuneatis remotiusculis patulis infimis 2—3 di- chotomis, reliquis simplicibus furca- tisve, lacinulis elongatis undulatis margine integro dense pilis simplici- bus hyalinis obsesso, apice attenuato- rotundato, sinubus cunctis latis ob- tusis, venis venulisque tenuibus fus- cis, pariter ac rhachis, parce pilosis cellulis parum diaphanis magnis ma- ximisque inaequalibus subregularibus elongatis, parietibus subdiaphanis rectis parum incrassatis, interaneis amorphis globulosisve primum dif- fusis serius parietalibus , globulis mi- nutis flavo-fuscis, marginem versus minoribus latitudine usque 2!/2 lon- gioribus, soris in lacinulis termina- libus, indusio e basi elongato-conica immersa oblongo bilobo, lobis an- tice eroso-denticulatis ciliatis nudisve. 117. H. 4.12 Rhizoma ultra setaceum dense ramu- losum paleaceo-hirsutum, stipes teres? basi excepta, glaber obscure fuscus 5—7 centim. longus, frons 10—14 centim.longa, 4—5 lata olivacea diapha- na undulato-squarrosula rigidiuscula. H. valvatum si non erraverim in deter- minandis speciminibus Peruvianis, dif- fert: fronde e basi lata ovata, lacinu- - lis latioribus sinubus angustis acutis interstinctis minus undulato-crispis , celiulis majoribus interaneis amoene viridi-chlorophyllosis, marginalibus opacis (lacinulis hinc sub lente mar- ginatis), soris majoribus etc. Hab. Guadeloupe! Perrorrer ; Mar- tinique! BÉLANGER. Plumiert Hook. et Grey. tab. 123 (excl. Syn. Pruu.) Hab. Andes Columbianae, James, Covutsouls! 118. H. trapezoidale Liesm. Mex. Bregn. p. 141. Hab. Mexico, LreBm. (n. v.) 119. H. hirtellum Sw. Syn. p. 149. 120. H. Hab. Jamaica! St. Vincent! Guade- loupe! Mexico! crispatulum. H. hirtellum Merten. in Fil. Lechl. p. 25 (non Sw.) Hab. Peruvia, Lecut.! 413 Obs. H. valvato magis quam UH. hirtello affine, quorum hoc quidem differt: fronde lanceolata, laciniis pri- mariis patulis, secundariis simplicibus furcatisve, lacinulis duplo fere latio- ribus, rhachi plana, cellulis validis opacis majoribus, interaneis (quatenus globulosis) minutis diffusis aureis ; il- Jud vero: fronde subcordato-ovata, laciniis primariis latioribus imbricatis, lacinulis plus quam duplo latioribus, rhachi plana, stipite terete, cel- lulis majoribus, parietibus rectis, in- teraneis distincte et pulchre viridi-glo- bulosis , etc. | 121. H. ciliatum Sw. Fl. Ind occid. Ill. p. 1753; Syn. p. 147; Prum. Foug. p. 73 tab. 50 fig. D.; Sphaerocionium vestitum Pr. Hym. p. 34 et 58. Hab. Jamaica! Guadeloupe! Marti- nique! Mexico? 122. H. remotum. fH. ciliatum Hx. et Grev. tab. 35 (non Sw.); Sphaerocionium Gre- villeanum Pr. Hymen. p. 345? H. Borijanum Metten in Fil. Lechl. p. 25. Hab. (Ins. S. Vincent.) Columbia; Moritz; Guyana Gallica! LePrreur; Brasilia! Sftrow, Lanesp. ; Peruvia ? LECHL. A14 123. H. Surinamense. Sphaerocionium ciliatum Pr. Hymen. p. 34. Hab. Surinam! Were., Hos. ; Guyana Gallica, Le Prieur! Brasilia! WEDDELL. 124. H. commutatum Pr. (Sphaeroc.) p. 34; H. Boryanum Rapvpi Fil. Brasil. p. 66 tab. 79 fig. 4. (non WILLD.) Hab. Brasilia, Rappt, Marr.! 125. H. Schiedeanum Pr. (Sphacroc.) p. 34 et 60; H. ciliatum var nudipes Kze in Linn. XVIII p. 351. Hab. Mexico, Scutepe! Lers., Liesu. alii. 126. H. Boryanum Wu. Sp. pl. V p. 518. Hab. Ins. Bourbon, Bory! Boivin! Mauritins, Sieger! Madagascar, Bor- vin! Species ignotae: H. trichophyllum HBK. nov. gen. I p. 22. Cumana. H. diversilobum Pr. Hymen. p. 34 et 59. Antillae. — H. microcarpum Desv. Ann. Soc. Linn. Paris. VI p. 333. Hispaniola. H.Sieberi Pr. Hymen. p. 34 et 58. Mar- tinique. ) ALS 127. H. elasticum Bory in Wittp. Sp. pl. V p. 920. Hab. Ins. Bourbon! Bory, Borvin; Mauritius! Sieser, Borvin; Madagascar! BERNIER. 128. H. flavo-aureum Bory in Ber Voy. Ind. or. Bot. p. 84. Hab. Ins. Bourbon! Borvin in Herb. DE FRANQUEVILLE.) Obs. Infausto casu specimina ste- rilia modo vidi; tamen species adeo videtur insignis, ut, in determinando erraverim, novo nomine serius descri- benda sit. 129. H.aeruginosum (Por. Desv. Ann. Soc. Linn. Paris. VI p. 332; Trichomanes Por. Encijcl. meth. VIII p. 76. Hab Ins. Tristan d’Acunha, Bory, Carm. (n. v…) 130. H. subtilissimum Kzr. (1837 Anal. p. 49); H. Berterot Hook. (1846) sp. fil. I p. 93 tab. 33 C. Hab. Ins. Juan Fernandez, Berr.; Chiloe, Cumine (n. v.) 131. H. Frankliniae Cor. in Tasm. Journ. 1842 p. 376; H. aeruginosum 6. Hook. sp. fil. I p. 94. Hab. Nova Zeelandia, Menz.! Co- LENSO. 416 Obs. Species tres ultimas in unam, nomine H. aeruginosi, jungendas esse monuit Cl. J. D. Hooker (Fl. N. Zee- land. teste sturm Enum. p. 39). Recte forsan; liceat vero mihi ex mea methodo seorsim illas enume- rare, donec frondium contextu bene cognito, notarum externarum diversi- tatem distinctioni sufficere docuerit, necne. Cautelam suadet preterea speciei, sin est distributio geographi- ca singularis. | /132 H. lanceolatum Hook. et Arn. (in BEECHEY Voy.) Hook. Sp. fil. I p. 94 tab. 34 B. Hab. Ins. Sandvicenses, Gaupicn.! (in Herb. Fér) Lay et Cote, alii. v133. H. obtusum Hook. et Arn. (in BEECHEY Voy.) Hoox. Sp. fil. I p. 93 tab. 33. D. Hab. Ins. Sandvicenses, Lay et Corrie w’RaE! in Herb. Sonp. comm. LINDLEY). Species ignota: H. arbuscula, Desv. Ann. Soc. Linn. Pa- ris. VI. p. 332. Ins. Mauritius. AAT Desciscentes : “134. H. dilatatum (Forsr.) Sw. Syn. p. 147 135. H. 136. H. 137. H. et 373; Trichomanes Forst. Prodr. p. 85 n. 467; Diploophyllum dilata- ium v. pv. B. in sched. Hab. (Ins. maris pacifici, Forsr.); Nov. Zeelandia, Menz., J. D. Hoox.! F. Mürr.! Moss alii. scabrum Rica. Fl. Nouv. Zeel. p. 90 tab. 14fig. 1; Sphaerocionium glandulife rum Pr. Epimel. p. 22 tab. 12; Dip- loophyllum? scabrum v. p. B. in sched. ilab. Nov. Zeelandia, p’'Urvitte, Lvaru! J. D. Hoox.! Smcrair! alii. Chiloense Hoox. sp. fil. I p. 90 tab. 32 A; Leptocionium dicranotrichum Pr. Hymen. p. 26 tab. X1 D. (teste Srunm Enum. p. 40.) Hab. Chili, Gay! Lecux;! alii (Chi- loé, Cuming. exsertum Warr. Cat. n. 171; Hook. sp. fil. I. p. 109 tab. 38 A. Hab. Nepal! Warr.; mont. Nilagi- rici! Perror.; Ceylon? TuwairEs. 138. H. Gardneri n. sp. Fronde ovata acumi- nata pinnatifida, laciniis (infimis ex- ceptis) contiguis imbricatisque divari- catis patulisque oblongis inciso-loba- N 139. H. A18 tis, lacinulis brevibus subsimplicibus oblongo-linearibus apice attenuato-ro- tundatisintegris, venis venulisque validis pinnatim ramosis divaricatis, pariter ac rhachis et stipes, pilis elongatis articulatis fuscidulis obsessis, cellulis opacis firmis magnis imo maximis inaequalibus regularibus. elongatis acutangulis, parietibus s. rectis s. no- dulosis incrassatis, interaneis amorphis olivaceis vel flavo-fuscis, soris in la- ciniis axillaribus, imdusio turgido e basi. rotundato-conica suborbiculari mediotenus bilobo, lobis antice grosse crenatis , receptaculo filiformi brevi in- cluso. Rhizoma intricatum capillaceum paleaceo-strigosum, stipes teres seta- ceus 1-1, 5 centim. longus, frons 3 centim. longa, 2 centim. circiter lata parum diaphana rigida fusco-olivacea: Hab. Ins Ceylon, GArpn.! in Herb. Moueeor. Zollingeri Kze. in Bot. Zig. 1848 p. „305; H. elasticum Kzr. et Zou. Verz. p: 46. (non Bory) Hab. Java. ZorL 140. H. dipteroneuron Au. Br. in Herb; v. p B. in Pl. Jungh. |. 574 (seorsim p. 27) Hab: Java! Herb. Au. Br. 419 Species ignotae: H. decurrens Jaco. Coll. III p. 103 tab. 2 fig. 12. Martiniqne. H. hygrometricum (Porr.) Desv. in Ann. Soc. Par. VI p. 3335 Trichomanes Porr. in Encl. méth. VIII p. 79. Madagas- car. H. floribundum H. B. K. Nov. gen. Ip. 27. Cumana. H. nigrescens Lizrpm. Mex. Bregn. p. 140. Mexico. H. Telfairianum Wat. Cat. N. 168. Mau- ritius. m. Dec. 1858. * a i] od) ita aria eee ALOE Bee nay HORA i CLR a 40 iy EREN! aki \ fes tv) ij É Rs Oy i dh RI eke, as ’ VERSLAG VAN DE DERTIENDE JAARLIJKSCHE VERGADERING DER VEREENIGING VOOR DE FLORA VAN NEDER- LAND EN ZIJNE OVERZEESCHE BEZITTINGEN, gehouden te Leiden, den 30%" Julij 1858. Aanwezig de Heeren Dr. R. B. vAN DEN Boscu uit Goes, Dr. H. Boursss Wits, Dr. W. F.R. Suringar, Dr. P. W. Korte HALS, allen uit Leiden, Mr. L. H. Buse uit Renkum, A. Wat- RAVEN uit Hoek, C. F. KRAEPELIEN uit Zeist, S. KNUrTEL, C. M. vAN DER SANDE LACOSTE, F. A. HARTSEN, allen uit Amsterdam, A. J. pe Bruin uit ’s Hage en C. A. J. A. OuDEMANs uit Rotterdam. Brieven van verontschuldiging over het niet bijwonen der vergadering waren ingekomen van de Heeren Dr Ws Ay J. Burcerspuk uit Breda, T. H. A. J. ABÉLEVEN uit Nijmegen, Dr. J. Everwisn uit Noordwijk, Dr. M. Cor uit Deventer, A. W. HARTMAN uit Utrecht. Ingevolge besluit der vorige Vergadering neemt Dr. H. Boursse Wits het honoraire Voorzitter 28 423 schap op zich, en opent deze bijeenkomst met een gepast woord en een hartelijken wel- komstgroet. De Secretaris brengt verslag uit omtrent de bij hem ingekomen brieven, en hetgeen door hem in ’t belang der Vereeniging en ten ge- gevolge van hem inde vorige Vergadering opgedra- gene lastgevingen is verrigt.— Daaauit blijkt o.a. 1°. dat de H. H. S. C. Knapperr uit Schiedam, Dr. W. H. pe Vriese uit Leiden enG. BisscHop uit ’s Hage voor het lidmaatschap der Ver- eeniging bedankten. 2°, dat er op eene missive, opgezonden aan Dr. P. W. Korrrars te Leiden, met het doel om ZEd. nogmaals uit te noodigen een ver- slag uit te brengen nopens den staat, van het exotisch Herbarium der Vereeniging, geen antwoord was ingekomen. 3°. dat ook door de H. H. Dumortier en NoLTE op de hun per missive voorgelegde vraag, of zij het eere-lidmaatschap, hun reeds vroeger door de Vereeniging aangeboden, aan- namen of niet, geenantwoord was ingezonden. 4°. dat aan den Hr. A.te Joris te Cherbourg kennis was gegeven van zijne benoeming tot corresponderend lid der Vereeniging, en dat deze die onderscheiding met wel- gevallen had aangenomen. 5° dat aan onderscheidene corresponderende 6° 423 Leden der Vereeniging (de H. H. Wencx, LEJEUNE, Kickx, WIRTGEN, FRIES, REICHENBACH, RABENHORST, Le NORMAND, LANTZIUS BEKINGA, BABINGTON, SCHIMPER, ZÖLLINGER, ASA GRAY, DARLINGTON en Juncuusn schriftelijk om eene opgave verzocht werd van de werken welke zij van de Vereeniging ontvingen, met het doel om ontbrekende nummers, zoo die ergens mogten bestaan, aan te vullen, dat op deze aanvrage alleen eenig antwoord was ingezonden door de H. H. Le Normanp, Kickx, ZOLLINGER, RABENHORST en DARLINGTON, en dat aan deze allen, uitgenomen aan den Hr. Rasennorst, die beweerde geen corresponde- rend lid der Vereeniging te zijn, een of meer stukken van den Prodromus en een of meer jaarlijksche verslagen werden afgezonden. dat het 3° stuk van het 4° deel van het kruid- kundig Archief aan de Corresponderende le- den was verzonden. 7°. dat op het aan den Minister van binnen- 85 landsche zaken aangeboden request om eene toelage van f500—, ten einde de werk- zaamheden der Vereeniging te kunnen voort- zetten, een gunstig antwoord ontvangen was en dat genoemde som alreede aan den Secre- taris, tevens Penningmeester, was uitbetaald. dat er van het verhandelde op de jaarlijksche Vergadering van 1857 een kort verslag was ABN opgemaakt voor den Kunst- en Letterbode, die dit welwillend had opgenomen. 9°. dat de jaarlijksche verslagen over de jaren 1856 en 1857 voor den druk gereed gemaakt werden en bereids is het kruidkundig Ar- chief in ’t licht verschenen. Nadat de honoraire Voorzitter den Secretaris voor zijne bemoeijingen en zijne mededeelingen dienaangaande had dank gezegd, wordt over- gegaan tot het kiezen van een Voorzitter en Vice-Voorzitter. Met algemeene stemmen wor- den de H. H. R. B. van DEN Bosca en L. H. Buse in hunne respectieve betrekkingen herkozen. Als plaats voor de volgende jaarlijksche bij- eenkomst wordt daarna Arnhem aangewezen, en tot honorair Voorzitter bij die gelegenheid gekozen den Hr. S. Knurrer van Amsterdam. Thans vraagt en bekomt de Hr. van DEN Boscn het woord. Spr. wenscht de aanwezige leden te herinneren aan sommige vroeger ge- nomen besluiten, waaraan niet of slechts schaars werd voldaan.— Zoo werd in 1854 besloten, om doubletten van sommige minder alge- meene inlandsche planten bijeen te brengen, ten einde daarvan verzamelingen voor bui- tenlandsche leden zamen te stellen. Aan dit besluit werd slechts gedeeltelijk gevolg gege- ven.—- Zoo werden verder in 1855 door den Hr. pe Vriese alle indigenae, welke in het 425 Herbarium van wijlen Prof. RrinwArpr mogten gevonden worden, aan het Herbarium der Ver- eeniging ten geschenke aangeboden.— Sedert echter was van deze zaak niets meer verno- men en geene enkele plant uit die Collectie door den conservator ontvangen.— En zoo werd eindelijk in 1856 aan den Hr. Kros te Zwolle opgedragen, zijne nasporingen aangaan- de ’t aanwezig zijn van Boekwerken over onze Flora in de boekerij der Overijsselsche Veree- niging ter bewondering van provinciale welvaart en de nagelatene verzamelingen van Dr. DASSEN voort te zetten, en werd omtrent deze zaak geen verder verslag uitgebragt. Aanstaande het eerste punt wordt den Se- cretaris gelast, de leden der Vereeniging nog- maals aan het besluit van 1854 te herinneren. De belofte door Prof. pr Vriese gedaan, wordt aan den Hr. Surincar ter behartiging aanbe- volen, terwijl eindelijk aan Dr. Kros over het derde punt zal worden geschreven.— Nog werd aan den Hr. van DER SANDE LACOSTE opgedragen, verder met den bezitter van het Herbarium van pe Gorter over deze verzame- ling te onderhandelen. Naar aanleiding van een schrijven van den Hr. AseLeven wordt door den honorairen Voor- zitter in overweging gegeven of het ook raad- zaam zoude zijn, het tijdstip, in de wet voor 4.26 ‘t houden der jaarlijksche Vergadering vastge- steld, te veranderen. Hieromtrent wordt echter in ontkennenden zin geantwoord. Naar aanleiding van twee brieven, op de voorgaande Vergadering ingezonden door de H. H. ABrLEVEN en Burcerspisk, en thans nog eenmaal voorgelezen, wordt door den Hr. van pEN Boscu het voorstel gedaan, dat gedurende ’t loopende jaar een algemeen plan worde opgemaakt ter bewerking eener Flora van Nederland, en dat dit plan in de eerst- volgende Vergadering ter tafel worde gebragt en besproken.— De Hr. Buse merkt hierop aan, dat de Hr. van DEN Boscu reeds op de vorige Vergadering beloofde zoodanig een plan voor de tegenwoordige bijeenkomst in gereed- heid te hebben, en meent dus, dat het beter ware de brieven van de H. H. ABELEVEN en Bur- GERSDIJK aan hen zelven ter hand te stellen, en hem tevens op nieuw met de zorg voor het opmaken van een zoodanig plan te be- lasten — De Hr. van DEN Boscr antwoordt dat het hem na rijpe overweging beter voorgeko- men was, dat niet een enkel, maar b. v. 8 leden zich met de bewerking van zulk een plan onledig hielden, en dat het hem dus aangenaam zoude wezen, indien hem de H. H. Buse, Cop, OUDEMANS, DE BRUYN, VAN DER SANDE LACOSTE, SuRINGAR en BurGerSDIJK werden toe- 4.27 gevoegd, ten einde langs dien weg eene com- missie te vormen aan wie dan ook de bedoel- de brieven zouden worden ter hand gesteld. Dit voorstel wordt met algemeene stemmen aangenomen, en daarbij op voorstel van den Hr. Buse tevens bepaald, dat het bedoelde plan, eenmaal ontworpen, tijdig genoeg aan de leden zal worden rondgezonden, cm daarop hunne aanmerkingen, zoo zij die mogten hebben, op de eerstvolgende bijeenkomst te doen hooren. Daar van de 7, door den Hr. van pen Bosca genoemde leden, de H. H. Cop en Burcerspisk niet tegenwoordig zijn, zal aan dezen van het besluit schriftelijk kennis worden gegeven. Thans wordt het woord verleend aan den Hr. van pen Bosca, ten einde, als Voorzitter, zijn jaarlijksch verslag voor te dragen: Is het verslag, bedoeld bij Art. 23 onzer wet, bestemd, om te doen blijken wat in het verloopen jaar voor de juiste en volledi ge kennis onzer Flora is gewonnen, dan volgt daaruit, dat het tevens is de maatstaf van den ijver en de werkzaamheid der leden. Hebben zij, ieder in zijnen kring, de plantenvormen en het plantenleven getrouw en naarstig waar- genomen, hebben zij, wat hun merkwaardigs „en belangrijks voorkwam, naauwkeurig ver- zameld en aangeteekend, hebben zij eindelijk 428 aan de geheel vrijwillig op zich genomen ver- pligting, om van dat alles mededeeling te doen aan het Bestuur der Vereeniging, voldaan, het kan niet missen of het verslag zal eene aanzienlijke aanwinst voor de door ons bedoelde kennis hebben aan te wijzen. En daar wij moe- en wenschen, dat deze kennis zoo omvattend en grondig mogelijk zij, om bij de aanstaande be- werking onzer Flora ons op die hoogte te kun- nen plaatsen, die overeenkomstig is aan de erkende eischen der wetenschap, zoo kan de wensch niet te dikwijls herhaald worden, dat ook die leden, die tot nu toe geen werkzaam deel namen aan onze pogingen of slechts van tijd tot tijd van hunne medewerking blijk gaven, zich mogen aansluiten aan hen, die door toe- zending van planten en waarnemingen, in den geest onzer Vereeniging, voortdurend in haar belang werkzaam zijn. Men meene niet, dat eene zoo algemeene deelneming aan on- zen arbeid, als ik bedoel, overbodig, of althans niet volstrekt noodig is. Het zal bij de bewer- king onzer Flora, wanneer daartoe eerlang zal worden overgegaan, blijken, hoeveel onbekends, hoeveel duisters, hoeveel twijfelachtigs, omtrent bloeitijd, levensduur, voorkomen en versprei- ding van zeer vele onzer inlandsche planten nog is blijven bestaan; het zal dan blijken, dat, hoe aanzienlijk het Herbarium der Vereeniging ook 429 in omvang is toegenomen, van zeer vele soorten de aanwezige exemplaren ten eenemalen on- toereikend zijn, door het ontbreken van voor hare juiste kennis onmisbare deelen, om als bouwstoffen gebruikt te kunnen worden voor hare volledige beschrijving. In de Vergadering van 1855 werd door den Conservator, wij- len Dr. Dozy, met nadruk op deze leemte onzer verzameling gewezen, en ik acht het noodig in deze Vergadering, in welke omtrent de zamen- stelling eener Flora zal worden besloten, met vermeer derden aandrang daarop terug te komen. Moge het volgend jaar in dit opzigt voor onze Vereeniging vruchtbaar zijn! Ik zal mij gelukkig achten wanneer ik als verslaggever daarvan voor U zal mogen getuigen. In de eerste plaats heb ik het genoegen, de afgedrukte bladen U voorte leggen van het laatste stuk voor den Prodromus. Het handschrift, door wijlen Dr. Dozy nagelaten, is door mij inge- volge besluit der vorige Vergadering, voor den druk in gereedheid gebragt, en, ware ’t niet dat omstandigheden den druk hadden vertraagd, dan had het afgedrukt hier kunnen ter tafel zijn. Het stuk bevat van de Fungi de Hymeno-en Disco- mycetes. Ons medelid D*. Surinaar heeft zich met de taak belast, om de overige ordines, van welke een vrij aanzienlijk materiaal in het Vereenigings- Herbarium voorhanden is, te bewerken, zoodat 430 wij het gegronde vooruitzigt hebben, om, wel- ligt reeds in den loop van het aanstaande jaar, onzen Prodromus voltooid te zien. Het nu be- werkte gedeelte bevat bijna 500 soorten, een getal, dat ligt aanmerkelijk hooger had kun- nen worden opgevoerd, wanneer niet alle onze- kere of twijfelachtige bestemmingen waren ter zijde gelegd. Ik meen, dat wij alle reden hebben, om over dat resultaat onzer onderzoeking op dit nog geheel onbekend gebied onzer Flora tevreden te zijn. Dit blijkt, wanneer wij uit- zien naar het elders op dat gebied verrigte. Bepalen wij ons b. v. tot de hoogst ontwikkelde reeks der Hymenomycetes — de Agaricini, dan blijkt het, dat bij ons waargenomen zijn 278 soor- ten; derhalve bijna £ der soorten, door Fries en zijne leerlingen (Summ. Veget. Scand. II.) in het aan die Fungi zoo rijke en zoo naauwkeurig doorvorschte gebied Scandinavische Flora waar- genomen en bijna & der in Ragennorst’s Cryptog. Flora, als in Duitschland (met inbegrip der Oos- tenrijksche Staten in Opper-ltalie) voorkomend, vervatte soorten. Of vergelijken wij ons met Beije- ren, dat blijkens de opgave van von Strauss (Beil. zur Flora 1850), 342 Agaricend bevat, of met Groot-Brittanje, in ’t welk volgens BERKELELJ (Engl. Flora V), 348 Arigicind zijn waargenomen, dan blijkt zoo veel te meer dat wij nu reeds eene belangrijke schrede gedaan hebben op dat gebied. 431 En nemen wij verder daarbij in aanmerking, dat de ons bekende inlandsche Agaricini, op enkele uitzonderingen na, in de omstreken van Haar- lem, Leiden, Naaldwijk en Goes zijn verzameld, terwijl de waarnemingen omtrent de mycologi- sche Flora van Beijeren reeds dagteekenen van het midden der vorige eeuw en door mannen als ScumiepeL, SCHÄFFER, SCHRANK , Nees, Martius en Sturm zijn gedaan, voorts dat RABENHORST’S Flora berust (behalve op zijne eigene) op de on- derzoekingen bovendien van Batscu, TopE, Scawel- NITS, WaALLRoTH, Lascu, Krompyoitz, KLorscH e.a. terwijl tot die van Groot-Brittanje is bijge- dragen door Botton, GREVILLE, CARMICHAEL en andere beroemde kruidkundigen van dat land, dan mogen wij ons te regt verblijden over de goede vruchten , die ons onderzoek aanvankelijk droeg, en de gegronde hoop koesteren, dat, moge ’t onze Phanerogamische Flora al aan dien rijkdom en die verscheidenheid ontbreken, die aan de Flora’s van bergrijke streken eigen zijn, onze Cryptogamische Flora dit in ruime mate zal vergoeden naarmate méér leden, ook op andere plaatsen van ons vaderland, aan dit gedeelte on- zer taak zullen medewerken. Omtrent de inrigting van het bedoelde stuk veroorloof ik mij nog het volgende op te merken: Van de hoofd- en onderafdeelingen der ge- slachten Agaricus, Boletus en Polyporus zijn de 432 hoofdkenmerken opgenomen en zullen later in eene afzonderlijke tabel worden bijeenge- voegd, om aan diegenen onzer leden, die zich met die Fungi willen bekend maken, een ge- makkelijk en duidelijk overzigt in handen te geven, ’t geen te meer noodig is uit hoofde van de afwijkende enzeer onduidelijke dispositie, vooral van eerstgenoemd geslacht, in RABENHORST’s Flora. In den regel is de classieke Epicrisis Syst. mycol. van Fries, gevolgd, eene enkele maal Bonorpen’s voortreffelijk Handbuch der Mycologie. De ingelaschte aanmerkingen zijn ontleend t zij aan de mij mondeling of schriftelijk ge- bleken meening van wijlen Dr. Dozy ’t zij aan de aanteekeningen, die ik aan de levende ex- emplaren ontleend, aan mijne teekeningen toe- voegde. De teekens (v. v.), (v. v. et S.), W. v. S. et ic.) duiden aan dat levende of gedroogde exem- plaren of eene teekening der soort door Dr. Dozy zelven bestemd, of de bestemming er van door hem goedgekeurd is; waar geen teeken geplaatst is, rust de verantwoordelijkheid der bestemming op mij alleen. Dit is trouwens alleen het geval met weinige soorten, door mij in de laaste twee jaren waargenomen. Het zou verwondering kunnen wekken, dat zóóvele onzer fungi van het geslacht Agaricus 433 alléén 26 soorten in Duitschland, immers in Ragennorst’s Flora, ontbreeken, van deze zijn echter onderscheidene bij ons verre van zeld- zame, en ik vermoed dus, dat uiteenloopende bestemmingen, bepaaldelijk van die soorten, van welke geene goede afbeeldingen bestaan, eene hoofdreden van dat verschijnsel is. Om de bovenaangevoerde verhoudingen aan- schouwelijk te maken, heb ik een vergelijkende tabel onzer tot dusver waargenomene Agaricint met die der genoemde Flora's opgemaakt, bij welke ik alleen moet opmerken dat Berkerev’s rangschikking zoo zeer van die van Fries ver- schilt, dat ik slechts het totaal heb kunnen opnemen; zijn geslacht Agaricus omvat behalve CANTHARELLUS, de geheele tribus. Wat bij die tabel terstond in ’t oog valt, is dat de Aga- rici fimicoles et pratenses’t volledigst bekend zijn, terwijl de aan oude, uitgestrekte bosschen in bergstreken eigendommelijke soorten (Corti- narius b. v.) in onze Flora ’t zwakst zijn vertegenwoordigd. = D > L BE an es a = Bae ie ly 2a) eee AGARICINI. Ba |e ag |Ee | ae stel En le ENE Waele ad oe, KZ ipso Bol & BE Se El Agaricus Ammanita 20 138 8 5 Lepiota 20) oF UO at 10 Armillaria 11 12 4. 3 Tricholima 77 54 22 18 Clitocybe THe oer a0 17 Collybia 51 | 50. |-18 10 Mycena (of ead 25 28 Omphalia 41 24 it 6 Pleurotus 37 31 11 12 Volvaria 5 5 3 3 Pluteus 1] 11 4, 1 Entolima 20 9 4 4, Clitopilus 8 9 9 — Leptonia Lefeaa ea 1 Nolanea 14 | 12 2 1 Eccilia 6 ft 1 == Pholiota 31 1, 7 10 Heblo ma 43 | 26 9 10 Flammula 23 14 2 == Naucoria 37 21 4 2 Galera 21 14 7 5 Crepidotus 9 10 6 3 Psalliota 10 | 13 4, 2 Stropharia 14) — 6 7 Hypholoma 11 6 5 7 Psilocybe TD WI) 4 4 Psathyra 10 9 3 6 Panaeolus 7 Li, 5 6 Psathyrella 10 — 3 2 Coprinus 4.0 17 15 19 Bolbitius 5 5 dod Cortinarius 196| 77 34 1 Paxillus 7 3 2 2 Gomphidius 2 Q 2 2 Hygrophorus ER MS) she Lactarius 50 55 19 19 Rassula 38 26 23 10 Cantharellus 10 16 17 6 4 Marasmius 33 9 13 9 Lentinus LE inter 2 2 ‚ Agaricos Panus 338 5 ee 1 Lenzites 7 5 5 3 Specierum Summa. * 348 [1177 773 | 342 | 275 434 De bezendingen der leden bestaan uit: Eene verzameling bijeengebragt door Dr. Kros in de omstreken zijner woonplaats Zwolle, maar bovendien in andere gedeelten van Overijssel (Hardenberg, Gramsbergen, Omme, enz.) en in het westelijk gedeelte van Drenthe. Zij werd door ons medelid reeds in de Vergadering van 1856 aangeboden. Enkele planten gaven reeds toen aanleiding tot opmerkingen, in het verslag vermeld, b. v. Coripermum Marschall Srev., bij Vilsteren in aardappelvelden verzameld. Welligt dat ons geacht medelid thans nadere inlichtingen over die plant kan geven. Bovendien bevatdie ver- zameling onderscheidene deelen van nieuwe groei- plaatsen, deels om haar zeldzaam voorkomen be- langrijke indiginae. Ik noem daaruit: Genista an- glica L. bij Hardenberg , Hypericum quadrangulum L.teGramsbergenen Anerveen, Dianthus deltoïdes L. zeer algemeen aan de oevers der Vecht, Sedum reflecum en Telephium bij Hardenberg, Polygala depressa Wenper. te Hardenberg en Gramsbergen, Orchis Maculata 7. elodes Grises. te Steenwijk en Meppel. Eindelijk een Thalictrum in Julij 1853 aan de oevers der Vecht verzameld, maar bij gebrek aan rijpe zaden niet met zekerheid te bestemmen, dat ik de vrijheid neem ter verdere waarneming aan ons medelid aantebevelen. Het behoort in de nabijheid van 7. flavum L, welke 136 plant, even als de verwante soorten, ons nog slechts zeer onvolledig bekend is. Van harte wen- schen wijaan Dr. Kros gelegenheid en lusttoe, om van tijd tot tijd die streken weder te bezoeken, in welke hem ongetwijfeld menige voor de ken- nis onzer Flora belangrijke ontdekking wacht. Eene verzameling, door Dr. v. p. SANDE LACOSTE in de omstreken van Amsterdam bijeengebragt. Zij bevat, behalve doubletten van Cirsium Angli- cum Lam. en Platanthera bifolia Ricu., eenige, zoo ik meen, voor de Flora der hoofdstad nieuwe of zeldzamere planten, b. v. Torilis nodosa “Ganty, Juncus obtusiflorus Earm., Melilotus offi- cinalis W. alba Desv. en arvensis Warrr. Lotus tenuifolius RcuB. enz. Festuca bromoides Kocu., bij Didam en Zeddam verzameld, is een bijdrage tot onze kennis der verspreiding dezer soort in ons vaderland, terwijl de zoo zeer ver- wante F. Myurus Eura. slechts op enkele ver- spreide groeiplaatsen gevonden werd. Eenige planten uit de omstreken van Nij- megen, door den Hr. AgerÉven ingezonden, waaronder Lolium temulentum et Juncus Tena- geia Euru., Orobanche minor, Svtt. Eenige bijdragen tot de Flora van Kampen, door den IIr. Bonpam verzameld, deels vol- lediger exemplaren van vroeger gezondene soor- ten, deels exemplaren van andere groeiplaat- sen bevattend. AST Eenige planten door mij met wijlen Dr. Dozy bij Leyden en in de streek bij Voge- lenzang in 1855 verzameld, waaronder Scro- phularia Neesü Wire. Exemplaren van Mono- tropa hypopitys en glabra Kocu, in een den- nenbosch in menigte groeijend, bewijzen de onjuistheid van Warrroru’s meening, dat de in loofbosschen voorkomende plant (M. hy- pophegea) soortelijk van die der mastbosschen verschilt. Doubletten der echte Drosera lon- gifolia L. bij Oostbroek in de provincie Gronin- gen verzameld en der Vereeniging geschonken door ons medelid Dr. van Hatt. Die soort welke niet dan met twijfel in den Prodro- mus had kunnen worden opgenomen, uit hoofde van een eenig onvolledig exemplaar, is daar- door boven allen twijfel als inlandsch verhe- ven. Wij wenschen ons met deze zekerheid haast meer geluk, dan met de ontdekking eener nieuwe indigena. Mogt het ons geluk- ken, om door ijverige nasporingen en naauw- keurige waarnemingen zoo menige duisterheid en twijfel, die in onzen Prodromus blijft be- staan, op te helderen en op te lossen. Eenige planten door den Hr. Buse in de om- streken zijner woonplaats (Renckom) verzameld voor ons Herbarium. Daaronder bevinden zich: Gagea arvensis Scnutt., Pingucula vulgaris L. (bij Otterloo en Hartkamp) Corrigiola littoralis, 29 438 Lycopodium Chamaecyparissias A. Br. (te Ede en Arnhem) enz. Ons medelid zond mij later een ex. van Gnaphalium nudum Horrm. (G. uliginosum 7 glabrum Kocn), waarover ik zoo straks uitvoeriger wensch te berigten. Eene kleine verzameling, door mij in Julij 1856 bij Heumen en Mook bijeengebragt en, be- halve eenige rariora, b. v. Crepis paludosa Ménca, Stellaria nemorum, Linaria arvensis Desf. enz, doubletten bevattend van Juncus capitatus Were, Filago apiculata Sm. en Lycopodium Chae- maecyparissias Ar. Br. Eenige Rubi uit die om- streken zond ik aan ons medelid pe Bruyn, als bijdragen tot zijne bewerking vandat moeije- lijke geslacht, waarvan wij het resultaat met zooveel verlangen te gemoet zien. Eene verzameling, door Dr. Oupemans der Vereeniging aangeboden. Zij bestaat hoofdzake- lijk uit Fungi, Filices en Gramineae uit de omstre- ken van Rotterdam, ’t geen mij doet veron- derstellen dat wij met eene eerste bezending te doen hebben, die later door meerdere staat gevolgd te worden, waardoor de Flora van dat gedeelte van Zuid-Holland in het Herbarium meer volledig zal worden vertegenwoordigd. Eene varieteit van Carex muricata L., waarover straks nader, komt daarin voor, die in den Prodromus nog niet als inlandsch was vermeld. Bovendien bevat die bezending onderscheidene — 439 planten nit het Herbarium van wijlen den Hoogleeraar Broers, die eene belangrijke aan- winst voor onze Vereeniging zijn, 0. a. Elatine Hydropiper (Oudwijk b. Utrecht) en Eriophoron vaginatum L. (Soestdijk) beide door den Hr. G. Broers verzameld en ons in tal van doubletten medegedeeld, benevens een ex. der zeldzame Polypodium Dryopteris bij Voorst door Dr. Wr- TEWAAL verzameld, Carex Ligerica Gay (de Grebbe) Potamogeton oblongus Viv. (Zeisterbosch) P. pusillus «. major Fr. (Leyden) enz., verza- meld door Dr. OupEemans zelven. | | Eenige planten uit Staats-Vlaanderen, groo- tendeels tot aanvulling zijner vorige bezen- dingen, door den Hr. Watraven aangeboden. Dat verdienstelijk lid gaat voort, om met ijver de vegetatie der streken die zijne woonplaats omringen, na te gaan. Hij heeft thans het westelijk Staats-Vlaanderen (het zoogenaamd land van Cadzant) zich ten doel gesteld, en zal voortgaan met de vruchten zijner naspo- ringen ter onzer kennis te brengen. Zijn on- derzoek gedurende het laatste jaar heeft aan de Flora van Zeeland toegevoegd: Panicum san- guinale, Saponaria officinalis, Spiraea Salicifolia Heliosciadium modiflorum Kocu, Rumex pratensis M. et K. Carex ampullaria L., Convallaria poly- gonatum. Bovendien heeft hij van de zeldzamere Medicago minima Lam., Torilis Helvetica Gm. A40 nieuwe groeiplaatsen ontdekt, en eindelijk door de mededeeling van een op het eiland Vlieland verzameld exemplaar van Psamma Baltica R. et S. ons Herbarium met een belangrijk voor werp verrijkt. Eene verzameling inlandsche Gramineén, bestaande uit doubletten van het Herbarium Splitgerberianum. Zij zijn verzameld in de omstreken van Amsterdam, Haarlem en Amers- foort. De Vereeniging heeft haar te danken aan haar lid Prof. pe Veiese, van wiens vrij gevige mededeelzaamheid iedere Vergadering een verblijdend getuigenis aflegt. Eindelijk ontving de Vereeniging een blijk van belangstelling van Prof. Harrie, die haar de specimina toezond der planten, door hem met eenige Studenten der Utrechtsche Hooge- school verzameld op de eilanden Texel en Wie- ringen in Julij van het vorige jaar. Ik ben overtuigd dat gij, M. H. dat blijk van belang- stelling met mij op zeer hoogen prijs stelt, niet slechts om de waarde, die die verzame- lingen voor ons Herbarium hebben, maar ook omdat die mededeeling het bewijs is van ver- trouwen in onze Vereeniging, en van goedkeu- ring harer pogingen door eenen man, wiens goede meening door ons hoog gewaardeerd wordt. Ik heb gemeend daaraan niet beter te kun- AA} nen beantwoorden, dan door het best moge- lijk gebruik te maken van die voor ons doel belangrijke bouwstoffen. Bepaaldelijk heb ik getracht ze dienstbaar te maken aan een overzigt der vegetatie onzer Noordzee- eilanden in verband met die der naburige kusten, ten einde daardoor een vollediger inzigt te erlangen in de verspreiding van een gedeelte onzer in- landsche planten. Met dat oogmerk heb ik in eene tabel vereenigd: Wieringen, waartoe eenige opgaven der Flora Belg Sept., maar vooral de onderzoekingen van ons medelid v. p. SANDE Lacoste (Kruidk. Archief IV. p. 239) en van Prof. Harting en zijne togtgenooten (Versl. Koninkl. Acad. VII p. 261) betrekking hebben; Texel, waar wijlen Prof Horrman eenige be- langrijke waarnemingen heeft gedaan, terwijl dit eiland ook begrepen was in het onderzoek van Prof. Hartinc; Vlieland, omtrent ’t welk de Fl. Belg. Sept eenige opgaven bevat, die, zoo ik vertrouw, door den onvermoeiden ijver van ons medelid v. p. Sanpr eerlang aanzienlijk zullen worden vermeerderd; Ameland einde- lijk met de gegevens, die reeds in het verslag van 1855 opgenomen en verschuldigd zijn aan de nasporingen van ons medelid Dr. Kros en van den Hr. Bruinsma. (”). (*) Door omstandigheden, onafhankelijk van den wil 442 Ten slotte nog eenige opmerkingen naar aan- leiding van ingezondene planten. Gnaphalium nudum Horrm., door den Hr. BusE op nu en dan overstroomde zandgron- den tusschen Ede en Arnhem ontdekt. Volgens REICHENBACH is deze plant teregt door Horrmann (Dlds. Flora 180% II pag. 138) als soort van G. uliginosum onderscheiden en wordt dan ook door hem als zoodanig opgenomen in zijne Fl. excurs. p. 223 en afgebeeld in zijne Icon. crit. VIII, tab. 753. Volgens Horrmann’s diagnose is het kenmerkende der plant hare gladheid; vol- gens RercienBacH bovendien de bladvorm en het zaadpluis (folia linearia, pappus sexradi- atus). Het kenmerk, aan het zaadpluis ont- leend, werd echter later (Icon. crit. I. 1. p- 22). als onjuist erkend. Dien ten gevolge bleef als soortelijk kenmerk van G. nudum over: lijnvormige bladen en de gladheid en tengerheid der plant. En inderdaad heb ik on- danks een naauwkeurig onderzoek weinig meer onderscheid kunnen ontdekken. De iets bree- dere bloemdekschubben , het kleinere zaad (door Reicnensaca Icon. crit. |. 1. onbegrij- des verslaggevers, is de aanvulling van het bedoeld over- zigt zóó zeer vertraagd, dat aan eene plaatsing in dit verslag niet te denken is en het dus in het volgend ver- slag zal worden medegedeeld. A43 pelijker wijze ruw afgebeeld) enz. kunnen aan de minder ontwikkelde plant dan het ex. van G. uliginosum was waarmede ik vergeleek, toegeschreven worden. Voorshands geloof ik dus, dat wij met bijna alle andere schrijvers behalve de twee genoemde, G. nudum als varieteit van G. uliginosum moeten inschrij- ven, zonder echter voorbij te zien, dat een naauwkeuriger onderzoek, bepaaldelijk op de levende plant, noodig is, en dat bij de beant. woording der vraag niet mag worden voor- bijgezien, dat bij eene verspreiding van G. uliginosum over geheel Europa, G. nudum be- perkt is tot Westphalen, v. Bonn, Oldenburg, Bockerer, (*) Hamburg, Sonper, Denemarken (Seeland), Lance, Zweden, (Gothland), Frizs. en dat het kaal worden van G. nudum en het versmallen zijner bladen uit andere om- standigheden dan uit de groeiplaats, die hij met G. uliginosum gemeen heeft, moet worden ver- klaard. Galium palustre (. caespitosum Meyer Fl. Hanov. excurs. p. 264 (b. repens Chlor, Ha- (*) Zie over de proeven door cultuur onzer plant van dezen Kruidkundige: Flora Regensb. 1841 I, p. 210 en over haar soortelijk verschil nog Lange Dansk Flora p. 477. AN nov. p. 366. Deze verscheidenheid, die ik als leen in beide genoemde werken vermeld vind, is door Dr. v. p. Sanne LACOSTE in veenach- tige weilanden te Sloten ontdekt en ingezonden. Zij onderscheidt zich van den grondvorm door kleinheid, tengerheid, nederliggende getakte en wortelende stengels, breedere bladen , kortere internodien enz. In houding gelijkt zij op kleine ex. van G. saxatile, welke echter door de aan den top gepunte bladeren en de ruwe zaden zich onderscheidt. Carex muricata B. virens Kocn werd door Dr. Oupemans te Rotterdam (onder zware lindeboo- men langs eene sloot in de Eendragtslaan) verza- meld en voor het Herbarium ingezonden, waar zij tot nog toe ontbrak. Hare afstanming van C. muricata is niet te betwijfelen, maar of zij, zooalssommigen beweren, den verbindendenover- ganesvorm daarstelt tusschen deze en C. divulsa Goop, meen ik te moeten betwijfelen. Zooveel is zeker, dat deze, zoowel als andere soorten van deze groep der Carices een uiterst naauwkeurig onderzoek van hare juiste onderkenning ver- eischt. Vandaar dat de hier bedoelde ver- scheidenheid nu eens met den stamvorm is ver wisseld (b. v. Srurm Dlds. Flora, die haar als C. muricata (tab. 15) en deze als C. contigua afbeeldt, dan weder voor de zeldzamere en meer Noordelijke C. divulsa Goop. is ges MAS houden (b. v. Gavpin Fl. Helv. VI. p. 47. Drosera longifolia L. is, zooals ik reeds ver- meldde, door Dr. v. Haun voor het Herbarium medegedeeld. Omtrent de soort en hare juiste bestemming kan geen twijfel bestaan. De op- merkingen van Prof. pe Vriese (verslag 1847) dat, voor zoover onze kennis toen strekte. slechts D. rotundifolia et D. intermedia als inlandsch bekend waren, blijken nu juist te zijn geweest. Trouwens dat laatstgenoemde onder den naam van D. longifolia in de Fl. Belg. Sept. I. p. 266 bedoeld was, bewezen, en de aangevoerde Synonyma, en de afbeelding der Fl. Batava tab. 513. Ons blijft nu nog te onderzoeken, of in- derdaad D. longifolia bij ons beperkt is tot de Noordelijkste provincien, terwijl de beide andere soorten in bijna alle andere menig- vuldig voorkomen. Ten overvloede stip ik nog aan, dat de levensduur der Drosera-soorten niet met zekerheid bekend is. Dit is een uit de zeer vele, straks bedoelde, onbekende, on- zekere en twijfelachtige punten onzer Flora, die opheldering eischen. Saginastricta Fr. Onder de Wieringsche planten van Dr v. p. Sanne Lacoste bevindt zich eene als zoodanig bestemde Sagina. De in ’t oog vallende afwijking in habitus van onze Zeeuw- sche S. stricta noopte mij om die exx. naauw- keurig te onderzoeken. Ik hoopte daardoor op- AAG gehelderd te zien de tegenstrijdige gevoelens der schrijvers omtrent deze door Fries in Lil- jeblad Sv. Flora sec. (Novit. Fl. Sues. p. 58). onderscheiden soort en S. maritima der En- gelsche schrijvers, door Don het eerst aan de kusten van Schotland waargenomen en naar de afbeelding der Engl. Bot. (tab 2195) door alle Engelsche en vele botanisten van het vas- teland onder dien naam beschreven. S. stricta komt volgens Fries zoowel in de Alpen als aan het zeestrand voor; deze laatste vorm is volgens hem S. maritima, terwijl hij bovendien meent dat een strandvorm van S. procumbens door de Engelsche schrijvers met bunne S. maritima wordt verward. Het soortelijk ver- schil van S. stricta stelt hij in het ontbre- ken der sterile hoofdas (die in S. procumbens zeer kort is en slechts eene blad-rosette voort- brengt) in de spitse (niet gepunte) gladde bla- deren, onbehaarde stengels en de steeds regt opstaande bloemsteelen. Overigens worden door de schrijvers over de Noordelijke Flora’s S. stricta et maritima voor Synonyma gehoudenen bepaaldelijk gebruikt tot aanduiding van den strandvorm, terwijl ik verder geene melding gemaakt vind van den al- penvorm (a. alpina Fr.) De fransche schrijvers daarentegen zijn een- stemmig inhet gevoelen dat S. séricta en mart- AAT tima soortelijk verschillende planten zijn. (zie: Le Jous in Ann. d. sc. nat. 3° Ser. VII. p. 229; Jorpan observations etc. III. p. 48; Leper re- cherches et observations p. 9. de Brésisson FI. de la Normandie p. 41 GRENIER en GopRON Fl. de France I. p. 249.) De kenmerken, waar- door zij beide onderscheiden, zijn de volgende: S. stricta Fr. Sepala lanceolata capsula bre- viora, petala nulla, pedunculistricti, folia sub- cylindrica mutica, caulis (axis primaria) basi simplex dichotomo-ramosus erectus strictus. Habitus S. apetalae, a qua differt: foliis muticis (nec subulato-aristatis), capsula majore erecta (nec nutante) etc. S. maritima Don (Engl. Bot. tab. 2195; Reus Icon Fl. Germ. V. fig. 4960) sepala ovata obtusa capsulam aequantia, petala lanceolata (raro nulla) sepala aquantia, pedunculi adscendentes; folia brevia lanceolato-linearia plano-convexa mutica vel apiculata, axis primaria sterilis brevis foliigera caules e foliorum axillis laterales procumbentes. Habitus S. procumbentis quae longe distat: foliis subulato-aristatis, capsula sepalis breviore in pedunculo curvatg cernua, caulibus diffusis radicantibus, duratione perenni. Beide komen, en wel (zoo ’t schijnt) met en onder elkander, zoowel aan de west- als aan de zuidkust van Frankrijk voor. Ik heb, maar te vergeefs, getracht onze in AAS landsche Saginae naar de opgegeven kenmer- ken te onderscheiden. Mijne Zeeuwsche spe- cimina beantwoorden aan S. stricta, met uit- zondering evenwel der kelkbladen, die niet lanceolata maar oblonga zijn, zoowel aan de bloem als aan de rijpe kapsel die zeer weinig daarboven uitsteekt. In de Wieringsche exem- plaren heb ik echter te vergeefs naar bloem- bladen gezocht, en zijn de kelkbladen vrij wat korter dan de kapsel. Een verder onderzoek van levende exemplaren moet dus wenschelijk geacht worden, alvorens te beslissen of het verschil in habitus en gestalte van beide planten genoegzaam door andere kenmerken wordt gesteund, om de onderscheiding dier schrij- vers te kunnen overnemen. Hierna doet de Conservator verslag van zijne bemoeijingen gedurende het afgeloopen jaar in de volgende bewoordingen: M. H. Wanneer ik voor eenige oogenblikken uwe aandacht inroep voor de beschouwing van den toestand van het Herbarium der Veree- niging en de veranderingen, die het in den loop van dit jaar heeft ondergaan, mag ik haar in de eerste plaats bepalen bij eene van die blijken van belangstelling in onze Veree- ANG niging en het onderwerp onzer werkzaamheden, zoo als ons die van tijd tot tijd van personen die geene leden der Vereeniging zijn te beurt vallen. De Hoogleeraar Harrtina namelijk zond in het najaar twee collecties planten, door hem en eenige Studenten der Utrechtsche Hooge- school, behoorende tot het gezelschap »Natura dux nobis et auspex”, bij gelegenheid van eene excursie op de eilanden Texel en Wieringen verzameld. Niet minder belangrijke bijdragen voor het Herbarium werden van verschillende leden ontvangen. Dr. OupEmMANns zond eene verzame- ling, waarin merkwaardige planten ook met betrekking tot hare groeiplaats voorkomen, Dr. v. p. Boscu deelde planten mede, door hem bij Heumen en Mook verzameld in 1856. Voorts gaf hij eene collectie fungi van Prror- TET, DREGE en ZOLLINGER, door de genoemde natuuronderzoekers van Pondichery, Columbie, Ohio en Java bijeengebragt, en specimina van Balanophora capensis, door DrEce aan de Kaap verzameld, aan de Vereeniging ten geschenke. Van den Hr. Buse werden ontvangen een honderdtal inlandsche Musci, meest van groei- plaatsen nog niet in den Prodromus vermeld, benevens eenige inlandsche Phanerogamen. De Hoogleeraar pe Vriese deelde doubletten van de Javaansche Lichenen en Hymenophyl- 4.50 laceae, uit het Herbarium Junghuhnianum er de doubletten der inlandsche gramineae uit het Herbarium Splitgerbarianum mede. Ook schonk hij nog aan de Vereeniging eene verzameling Javaansche planten, gelijk vroeger. Eindelijk ontving ik wederom eene belangrijke collectie planten, door den Hr. Srratine in de omstre- ken van Groningen verzameld. Zij kwam te laat om nog aan onzen Voorzitter te worden opgezon- den, maar uit het vroeger van dien kant ont- vangene laat zich ligtelijk besluiten, van welke waarde dezenieuwe bezending wederom zal wezen. Voor de Bibliotheek werden, gelijk vroe- ger, van de Smithonian institution een be- langrijk deel van de door haar uitgegevene en verspreide werken ten geschenke ontvan- gen. n. |. Documents relating to the Colonial History of the State of New-York Vol. 5. 6. Report of the commissioner of patents. 1855. First annual rapport on the improvement of the central park, New-York 1857. Bulletin of the American Geographical and Statistical Society, vol. 2. for 1856. Annual report of the Secretary of State re- lative to statistics of the poor of the state of New-York. 1855. Kane, Acces to an open polar sea. 1853. Report of the state engineer and Surveyor A51 on the canals of the state of New-York for 1854. Report of the secretary of State on the cri- minal statistics of the state of New-York. 1855. Seventh annual report of the governors of the Alms-House New-York. for the Year 1855. Tappan. The growth of Cities. 1855. Annual report of the commissioners of emi- gration of the state of New-York. 1856. Report of the joint special committees of the chamber of commerce etc. 1857. Annual report ol the canal commissioners of the State of New-York. 1855. On the statistics and geography of the production of Iron 1856 bij Hewitt. Catalogue of human crania in the collection of the academy of natural sciences of Phila- delphia 1857 bij Metcs. Proceedings of the academy of Natural Scien- ces of Philadelphia 1857. De Heer C. J. Kickx zond ons zijne »Clavis Bullardiana” in 1857 uitgekomen, de Heer Kurzine zijne «Historisch-kritische Untersuchun- gen über den Artbegriff, de Hr. pe Vriese zijne »Plantae Indiae Batavae orientalis J, II, terwijl de Hr van pen Boscu onze verzameling met een groot aantal boekgeschenken vermeerderde: A. Massatoneo, Schedulae criticae in Lichen. Tial. I-X Veron. 1855-56. TuckERMAN Enumeration of North American 452 Lichens, Cambr. 1845. id. Synopsis of the Lichens of North America. Camb. 1848. Horrmann, Vegetalilia cryptogama. 1790. Botanical magazine vol. II—VII. Link, Filicum species in Hort. Berol. cult. Berol. 1844. SPRING, Enumeratio Lycopodinearum. ZOLLINGER, Over de soorten van Rottlera. Ba- tav. 1856. HasskarL, Retzia s. observ. botanicae, Pugil- lus 1, 2. Batav. 1855—56. Link. Grundlehren d. Anat. u. Physiol. der Pflanzen. Gott. 1807. Morren et Decaisne, observations sur la Flore du Japon. Ded wie » observat. sur quelques plantes du Japon. Brux. 1836. Decaisne. Remarques sur le genre Helwingia. > Description du genre Drymisper- mum, etc. » Monographie du genre Balbisia et Robinsonia. > Lettres sur la maladie des cérises E. Tuomas Cataloques des plantes Suisses. De Noraris Osservazioni sul genere Sticta. _ » Osservazioni sulla tribu delle Pel- tigerea 453 WeppEri, Monographie des Urticées (Compte rendu). Monracne, Note sur le genre Bosschia. R. B. v. p. Bosco, Hymenophyllaceae Javanicae. Lichenes Javanicae. Exposuerunt MONTAGNE et v. D. Boscu. | Torrey, Report on the Botany of the expedition of Lieut. Whipple. Wash. 1857. Eindelijk werd, overeenkomstig het besluit, op de vorige Vergadering genomen, het Her- barium met de Bibliotheek naar een ruimer lokaal overgebragt. Alsnu doet de Penningmeester rekening en verantwoording van de door hem in ’t afge- loopen jaar geadministreerde gelden, en worden deze, door de H. H. Krarpetren en KNorter, daartoe door den Voorzitter aangewezen, goed- gekeurd. Na deze korte pause, wordt een aanvang gemaakt met het houden van wetenschappe- lijke mededeelingen en daarbij het eerst het woord verleend aan den Hr pe Bruyn, die zijne nasporingen aangaande het geslacht Rubus in de volgende bewoordingen uiteenzet: M. H. Op eene onzer vorige vergaderingen werd ik door onzen Geachten President uitgenoodigd, de 30 4S. bewerking der Rubi van ons Herbarium op mij te willen nemen. Hoe gaarne ik mijne geringe krachten tot bereiking van ons gemeenschap- pelijk doel wenschte te besteden, aarzelde ik echter deze taak te aanvaarden, en wel om meer dan eene reden, die ik geloof dat gij zult billijken. In de eerste plaats waren de in ons Vereeni- nigings-Herbarium voorhandene bouwstoffen van Rubus reeds door den den Heer v. D. Boscu voor den Prodromus bewerkt. Het exploiteren van zulk een bebouwd terrein gaf mij geen uit- zigt, om in deze zaak meerder licht te versprei- den en iets nieuws voor den dag te brengen of iets onzekers tot zekerheid te verheffen. Al- leen eigene waarnemingen konden hiertoe ten grondslag leggen, en juist deze waren van geene beteekenis, want ik moet het bekennen, ik had, zooals dit met meer onzer het geval zijn zal, het geslacht Rubus eenigzins veronachtzaamd. Eene tweede zwarigheid bestond hierin, dat mij de gelegenheid ontbrak om mij genoegzaam met Rubi in vivo bekend te maken en waarne- mingen omtrent dit genus te doen, dewijl naar ik mij herinnerde de omstreken mijner woon- plaats niet rijk aan species schenen te zijn. En toch rekende ik dit onmisbaar om met eenig goed gevolg dit plantengenus te kunnen bewerken. Indien ik hier nog bijvoeg dat Rubus, zooals 459 ubekend is, uit een diagnostisch oogpunt tot een der moeijelijkste geslachten onzer Flora behoort, dan geloof ik dat mijne aarzeling om de bewerking der Rubi op mij te nemen wel eenigzins te billijken is. Het was echter de hoogst welwillende aanbie- ding en toezegging van onzen President, om al hetgeen hij in zijne verzameling en litteratuur over Rubus bezat ter mijner beschikking te stel- len, die mij deed besluiten de taak op mij te nemen. Ik zag daar onderscheidene soorten en vormen die ik tot nog toe nimmer vond, en leerde op deze wijze eenige Rubi in grove trek- ken kennen. Bij mijne terugkomst te ’s Hage zette ik mijn onderzoek, voor zooverre het gevor- derde saizoen dit toeliet voort, en ook daar was dit niet te vergeefs. Op deze wijze heb ik eenige bouwstoffen bijeen- gebragt, die natuurlijkerwijze op verre na niet voldoende zijn om het twijfelachtige omtrent . eenige soorten weg te nemen, zoodat eene eenig zins volledige bewerking wel niet mogelijk is. Deze zal dan eerst doenlijk zijn, wanneer door de leden der Vereeniging goed gezamelde en gedroogde Rubi uit verschillende streken, van ons land zullen toegezonden zijn. Tot zoo- lang was het aanvankelijk mijn voornemen om de mededeeling omtrent Rubus uit te stellen. Ik vrees echter, dat dit tijdstip nog te ver ver- 456 wijderd is, en wil daarom het een en ander van hetgeen ik van Rubus heb waargenomen, alsmede enkele zaken die ik in eene mij later toegezon- den collectie Rubi indeterminati van het Her- barium, bevonden heb voor onze Flora nieuw te zijn, niet langer terug houden. Het is, zeg ik, slechts een gedeelte van hetgeen mij toe- scheen nieuw te zijn, en natuurlijk dat, waar- omtrent ik eenige zekerheid in de bestemming vermeen te hebben; het overige heb ik nog niet voldoende kunnen onderzoeken , terwijl en- kele twijfelachtige soorten nog meerdere waar- neming vorderen, alvorens in dezen tot zeker- heid te kunnen geraken. Eenige niet beschreven vormen zullen inzonderheid nog al moeijelijk- heden opleveren. Van een en ander hoop ik U eene volgende gelegenheid mededeeling te doen. Wanneer de in het Herbarium aanwezige spe- cimina van een geslacht als maatstaf moeten dienen cm de belangstelling in zulk een genus af te meten, dan kunnen wij op dezen grond gerustelijk zeggen, dat Rubus bij ons een ver- waarloosd geslacht is. In den Prodromus vin- den wij (R. idaeus en caesius, zoo algemeen voorkomende) uitgezonderd, slechts van 7 Rubi- species en 7 varieteiten groeiplaatsen opgegeven, (hieronder nog begrepen de R. Sprengelet) ter- wijl slechts van vier soorten en 5 varieteiten specimina in het Herbarium voorhanden zijn. 457 Van deze 7 soorten zijn 4 soorten uitsluitend door den Heer v. p. Boscu gevonden en 1 door den Hoogleeraar van HALL; zoodat de gezamen- lijke overige leden slechts bijeengebragt hebben 2 speciesen eenige varieteiten — Dit nu, meen ik, bewijst wel, dat men zich weinig met Ru- bus bezig gehouden heeft. En toch moeten wij een niet onaanzienlijk aantal species inlandsch hebben; als bewijs hiervan kan dienen, dat ik alleen in de naaste omstreken van slechts twee plaatsen, ’s Hage en Oosterhout, 6 als species aan- genomen Rudi heb waargenomen. Rubus, heb ik gezegd, is uit een diagnostisch oogpunt een moeijelijk geslacht, en de moei- _jelijkheid om goede diagnosen te geven en even zoozeer om ze toe te passen, zal wel eens aan- leiding tot verwarring hebben gegeven. Ook komt het ons eenigzins vreemd voor, dat eenige Flora's zoovele Rubi-species bezitten, die weder in andere ontbreken. Dit is nu wel in het algemeen met de meeste genera het geval, maar toch niet in zulk groot aantal species als in Rubus. Zoo vonden wij b. v. in de fransche Flora, alleen uit de afdeeling der Rubi eglan- dulosi, 8 soorten die niet in de Engelsche Flora voorkomen, terwijl in deze laatste 11 soorten gevonden worden, die in de Fransche Flora ontbreken. Het is niet slechts hoogst waarschijn- 458 lijk maar zelfs zeker, dat enkele soorten onder verschillende benamingen in beide Flora’s voor- komen, zooals dit, dunkt mij, reeds blijkt uit de vergelijking van R. vestitus met R. leu- coslachys Sm. welke beide planten naar mijn inzien identisch zijn. En echter zoekt men bij leucostachys te vergeefs naar de synonym van vestitus. —Dit heeft zonder twijfel zijne oor- zaak in de moeijelijkheid van de toepassing der diagnosen.— Even zoo geeft dat dikwijls aanlei— ding tot het verkeerde termineren der oude soorten. Zoo heb ik in de exotische Rubi van den Heer v. p. Bosca onder anderen een paar markante dwalingen gevonden en we van R. nitidus door Broxam en Rubis affinis van BAKER Hetzijn dezelfde plantenen voorzeker tot geender Weinenscue soorten behoorende. Even zoo vond ik een exemplaar onder den naam van R. Sprenge- lei van Bowesc hetwelk tot niets andersdan R. fasti- giatus behoort.—Ook in authentieke exemplaren schijnen zoodanige vergissingen voor te komen. Zoo zoude R. macrophyllus,Wrme volgens Ar- RHENIUS „ die authentieke exemplaren in de her- baria van Fries en WanrserG zag, niets anders zijn dan de R. corylifolius Sm — Het zij mij vergund, u, M.H. aan de noodzake- lijkheid of liever onmisbaarheid te herinneren om volledige specimina in te zamelen, indien zij ten minste aan de kennis der Rubi bevordelijk zullen 459 zijn, en tevens om kortelijk te wijzen op de kenmerken, die tot de bestemming der species kunnen leiden, en bij het inzamelen in acht genomen moeten worden. 4°. De vorm van den sterilen stengel en wel 2e, 3°. aan den wortel, in het midden en aan den top. De rigting van den sterilen stengel, of deze opgerigt, gebogen neerliggende, neerliggen- de of kruipende is. De bewapening; deze is een zeer goed ken- merk;destengelkan ongewapend of van acicu- li of aculet voorzien zijn. Deze laatste zijn uniformes, wanneer zij van den wortel tot aan den top van den stengel dezelfde ge- daante hebben, en omgekeerd. De meeste Rubi hebben onder aan den stengel regte kleine aculei, in het midden grootere, die naar den top toe falcati worden. — Het ge- tal en de grootte der aculei varieren naar de standplaats. Even zoo vareert de kleur van den stengel naar de standplaats. Het al of niet pruineuse is een standvastig ken- merk. De vorm der bladeren is vrij standvastig, ofschoon zij in hunne overige kenmerken varieren. Men neme de onderste, middel- ste en bovenste. Omtrent vorm, rigting, bewapeningen kleur in de bladeren van den 460 vruchtdragénden stengel geldt hetzelfde dat in dit opzigt van den onvruchtbaren stengel gezegd is. De inflorescentie levert een der beste kenmerken op, terwijl de bracteae slechts nu en dan tot de diagnose behulpzaam kun- nen zijn, Van den kelk moet de rigting de kelkslippen gedurende en na het bloeijen in acht genomen worden. De gedaante is steeds constant. De petala leveren de beste kenmerken op, terwijl de vrucht en de torus wezenlijke kenmerken aanbieden. Rusvus Leesn Basincr. Eene aan R. Idaeus aanverwante soort is de R. Leesü Basincr. — Bij geen der auteurs heb ik een synonym dezer species gevonden; alleen komt in de Monogr. Rub. Sueciae van Ar- RHENIUS eene varietas c. anomalus van Rubus Idaeus voor, bij welke Arruenivs de diagnose toegevoegd heeft: foliüs sunplcibus vel terna- tis, subrotundis vel cordato-rotundatis obtusis. De bladen zijn of enkelvoudig hartvormig rond- achtig of niervormig of drievoudig; de beide onderste kort gesteeld, ovaal stompachtig, het bovenste matig gesteeld rondachtig, aan de basis gaafrandig versmald, overigens ongelijk, stomp, 461. cuspidato-serrata. Anruenmwos zegt van deze plant, dat zij zulk.een vreemd voorkomen heeft, dat inen ze, naar den onvruchtbaren stengel te oor- deelen, niet tot R. Idaeus zoude brengen. Overigens is de gedaante, de kleur en het maaksel der vrucht geheel en al die van R. Idaeus, en ofschoon in vele opzigten van deze laatste ver- schillende, twijfelt hij geenszins dat zij aan deze na verwant is. ARRHENIUS zag er slechts 2 exem- plaren van, een in het herbarium van WauL- BERG en in dat van Warusrepr. Hosr in zijne Flo- ra austrica maakt van eenen soortgelijken vorm gewag. De beschrijving van Arruenius is volko- men in de Diagnose der engelsche schrijvers terug te vinden, terwijl zij ook geheel en al op de door mij gevondene specimina past, die in alle opzigten met de door Basincton zelven bestemde exemplaren overeenkomen. De plant is 2 voet hoog, de aculet zijn fijn, uit een bolvormige basis komende, de bladen driev ou- dig, op de ondervlakte witachting. Volgens de engelsche diagnose is de vrucht onbekend. Ook ik zag onder de menigte ei Han geen enkel vruchtdragend. Ik vond deze species in een elzen en esschen hakbosch aan den duinkant aan het einde der Beeklaan bij ’s Hage, in de tweede helft van Julij. BaBineron heeft de volgende diagnose dezer 462 plant: Caule sterile terite, aculeis setaceis rec- tis foltis ternatis inferne albicantibus, foliolis omnibus rotundato-ovatis, subsessilibus imbri- catis, aculeis in caule fertili paucis, setaceis e bas? bulbosa, floribus axllaribus terminalibusque racemosis. Frutex 2-pedalis; aculei minuti. Folia omnia ternata, foliola consimilia. Fructus ignotus. RuBus SUBERECTUS ANDERS. Deze species werd door Hutt, nadat hij dezel- ve gedurende 4 jaren gecultiveerd en zich hier- door van het standvastige der soort overtuigd had, onder den naam van R. nessensis bekend gemaakt. Ook dit werd volgens Arruenius door ANDERSON bevestigd uit op verschillende plaatsen gevondene exemplaren, die deze plant steeds met dezelfde kenmerken en eigenaardigen habi- tus terugvond. | Rubus suberectus door Myrin met zwarte vruchten gevonden zijnde, werd door hem voor R. fastigiatus gehouden. Smita geeft dan ook A. fastigiatus als synonym van R. suberectus op, of- schoon hij aan de identiteit van beide twijfelt. Enkele auteurs brengen R. suberectus als synonym van fastigiatus tot fruticosus. In het algemeen wordt suberectus synonym met /astt- giatus gehouden. Arnuentus echter, die zijne dia- gnosen naar authentieke engelsche exemplaren 463 opstelde, volgt hierin de meeste schrijvers niet na, hetgeen naar mijn inzien wel be- wijst, dat hij deze beide planten voor verschil- lend houdt. Hij zegtel, dat dit punt nader onder- zoek vereischt. Meyer in zijne Chora Hanovrt- ana houdt R. suberectus voor eenen bastaard vorm en wel van R. Idaeus en Corylifolius, tus- schen welke beide soorten hij het midden houdt, dan eens meer of minder op de eerste gelijkende. Als bewijzen hiertegen kan men aanvoeren, dat suberectus voorkomt, waar volstrekt geen Co- rylifolius voorkomt, 2°. dat de geheele habitus meer met fruticosus dan met Idaeus overeenkomt; dat de vrucht, met uitzondering van de kleur, op die van fruticosus gelijkt, dat is, dat de acini aan den torus adhaereren. De hier aanwezige exemplaren vermeen ik tot deze soort te moeten brengen, die in hare vruchten, welke donkerrood van eenen aange- namen zoeten en naer ik mij herinner eenigzins met die van Idaeus overeenkomenden smaak zijn. Ik vond ze in 2 verschillende vormen, waarvan een in het haagsche bosch, de andere bij Ooster- hout. De eerste bereikt eene hoogte dikwijls tot 7 en 8 voet, en is wezenlijk eene sier- lijke plant. De bladen zijn groot, 3 of 5- voudig, of 7 voudig door driedeelige splitsing van het eindblaadje; dit laatste is niet bepaal- delijk aan deze soort eigen, maar wordt bij 464 meer andere gevonden. Meer eigenaardigisdaaren- tegen de drievoudige bladvorm, waarop ik later nog terug zal komen, zoodat men specimina vindt waar de meeste bladeren drievoudig zijn. De tweede vorm is de: Rusus Fissus LINDL. Dezen aan R. suberectus aanverwant, door Linprey als species onder den naam van A. fissus aangenomen, vermeen ik in deze speci- mina teruggevonden te hebben. Ik zamelde deze aan den kant van een zandig bouwland bij Oosterhout. Het is een sierlijk heestertje met 1; a 2 voet hoog en eenigzins neergebogen stengel. Volgens de engelsche diagnose zouden deze zich van Sub- ereclus onderscheiden door meer hoekigen stengel, door aculei leviter deflexi, door leder- achtige bladeren, het laatste paar overeenliggend er door den uitstaanden, opgerigten, vruchtdra- genden kelk, die bij suberectus teruggeslagen is. Een vorm dezer soort vond ik in hakbos- schen bij Oosterhout. Bij de vraag nu, of R. suberectus en fastigiatus dezelfde planten zijn, wil ik eenige oogenblikken stilstaan. Ofschoon mij nog genoegzame waarne- mingen ontbreken om de zaak buiten twijfel te stellen, vermeen ik eenige argumenten te 465 kunnen aanvoeren, die voor het soortelijk verschil van beide pleiten. Vooreerst moet ik op eene zaak indachtig maken, waarvan ik reeds zoo even sprak, die eenigzins bewijst dat Weme bij de soortsbestemming van R. fastigiatus eene an- dere plant voor oogen had dan die, welke ik U zoo even als R. suberectus aantoonde, en deze is de volgende. Wee zegt in zijne diagnose van fastigiatus, dat de bladeren 5 of 7 voudig zijn. Nimmer zag ik een specimen van suberectus waaraan 3 voudige bladeren ontbraken, hetgeen ook Arrr. in zijne diagnose opneemt, en het is niet aan te nemen dat Weise dit over het hoofd zoude gezien hebben indien hij zijne diagnose naar suberectus had opgesteld. Bovendien heb _ ik eenige kenmerken tot nog toe constant, doch waarvan ik geene melding vond gemaakt bij Rubi-specimina, die ik voor fastigiatus houde, waargenomen, welke ik te vergeefs bij sube- rectus zoek, te weten de germina zijn bij fastigiatus steeds behaard. Bij de rijpwordiug der vrucht verdwijnen deze haren grootendeels, doch er blij- ven steeds eenige in den omtrek van den stylus voorhanden. De petioli zijn bij suberectus steeds gesleufd, bij fastigiatus alleen aan het onderste gedeelte van eene flaauwe lijn overzien. — Eene vergelijking zal het verschil merkbaar maken. 4.66 Roupus PILETOSTACHYS GODR. EN Gr. Eene voor onze flora eveneens nieuwe spe- cies is de Rubus piletostachys van Gopr. en Gr. Deze Rubussoort werd het eerst door Gopron onderscheiden, en onder den naam van R. vul- garis B. glandulosus in zijne »Monographie du genre Rubus” vermeld, later als eene bepaalde species in de Flore de France opgenomen. Ofschoon R. piletostachys geene andere dan de zoo even genoemde synonym heeft, wordt deze soort door sommigen voor eene reeds be- schreven species en wel voor de R. macrophyllus W. et N. as E. gehouden. Dit blijkt ten minste uit eenige fransche specimina in het herbarium van den Hr. VAN DEN BoscH aanwezig, van welke een afkomstig is uit de »flora galliae et germa- niae exsiccata” van Birror, en gezameld door Questier, terwijl de drie overige specimina ge- vonden zijn door Sarre, pharmicien te Pont à Mousson. Een (het oudste) dezer specimina is door SALLE als R. piletostachys gedetermineerd, terwijl de beide overige als R. macrophyllus zijn bestemd. Op het etiquet van R. piletostachys komt eene aanmerking van SALLE voor, waarin hij zegt dat de sterile stengel zijner plant arcuato- decumbens en niet erectus apice arcuatus is, z00 als Gopron dit opgeeft, die volgens SALLE zijne 4.67 species op dit enkele kenmerk gegrond heeft. Al deze specimina komen onderling en met de door mij gévondene volkomen overeen , ter- wijl de diagnose van Gopron met uitzondering van de rigting van den sterilen stengel, op. welk kenmerk ik later nog zal terug komen, op dezelve geheel en al past. — Het blijkt hier alzoo uit, dat SALLE en Quesrier R. piletostachys en R. macrophyllus voor synonym houden, welk gevoelen ik echter volstrekt niet kan deelen en wel om de volgende redenen: 1°. komt onze R. piletostachys in het geheel niet overeen, noch met de diagnose, noch met de afbeelding in de »Rubi Germanici” van Werne en Nees AB ESENBECK. Eene vergelijking dezer diagnose met de speci- mina der fransche botanici zal dit ver- schil duidelijk maken. 2°. Eeninde»Rubirhenani” van WirtGeN voor- komend speciminen van A. macrophyllus verschilt geheel en al met onze specimina. 3°. wordt het soortelijk bestaan van R. ma- crophyllus door Arruentus in twijfel getrok- ken, die oorspronkelijke exemplaren dezer plant in de herbaria van WaunLBERG en Fries zag. De als R. macrophyllus gede- termineerde planten waren niets anders dan de R. corylifolius SmitH, slechts met eenen meer kantigen behaarden stengel, 468 overigens in alle kenmerken ‘volkomen met deze overeenkomende Op grond van deze argumenten heb ik de door mij gevondene specimina niet tot R. ma- crophyllus vermeend te kunnen brengeu, maar ze voor R. piletostachys te moeten houden, voor welke ik ze, zonder het speciminen van SALLE gezien te hebben, dadelijk herkende. Rubus piletostachys is eene zeer kennelijke soort, die men, haar eens in vivo gezien hebbende, steeds zal herkennen. De stengel is naar de exemplaren die ik vrij heb zien groeijen erec- to-arcuatus, rondachtig kantig, met fijne aculei en hier en daar kort gesteelde klieren. De bladen zijn groot, donkergroen, bol, glim- mend, met eenen van onderen vlakken, van boven ronden bladsteel, met kleine gebogen aculei. Bloembladen klein, spoedig afvallend, langwerpig, omgekeerd ovaal. De vrucht ke- gelvormig, zwart, glimmend. Ik vond deze soort met Rubus vulgaris, ne= morosus, enz. in het Haagsche bosch, bloeijende in Julij. De diagnose die Gopron en GRENIER van deze species geven is de volgende: Fleurs en grappe terminale, allongée, inter- rompue , feuillée à la base, souvent simple nu composée avec les rameaux inférieurs 469 allongés, ecartés, pauciflores, pedoncules étalés, dressés, à peine aculéolés, couverts ainsi que toute la grappe de poils presque feutrés. Calice blanchâtre, trés-velu, non aculéololé, ni glanduleux, à segments lan- céolés, brièvement acuminés, réfléchis a la maturité. Petales très-caducs , obovés, oblongs longuement attenués 4 la base, émarginés, pubescents extcrieurement. Fruit globuleux, noir, luisant, formé de carpelles nombreux. Rameaux fleuris dressés, anguleux des la base, canaliculés au sommet, munis d’aiguillons rares et fins presque droits inclinés. Feuilles caulinai- res molles, verts des deux cotés, pubescen- tes en dessous, inégalement dentées en scie, quinées, la foliole terminale ovale en coeur, acuminée, les laterales ovales, oblongues, pétiolulées; pétiole commun plane en dessus vers le bas, cylindrique au sommet, pourvu d’aiguillons fins courbés en faulx, inclinés, stipules très-élroites, linéaires, aigues. Tige foliifere dressée, arquéee au sommet, peu ligneu- se, striée, régulièrement anguleuse de la base au sommet avec les faces planes, munie de poils étalés et de glandes briévement stipitées, ar- més daiguillons peu nombreux, vulnérants , élargis à la base, droits, mais un peu incli- nés au sommet des tiges. 31 476 Plante de 1 métre. Fleurs blanches ou rosés Habite les bois. Rusus VESTITUS WEIHE. Eene fraaije aanwinst voor onze flora is die van R. vestitus. Onder de R. indeterminati van het Herbarium kwamen van 3 verschil- lende plaatsen specimina voor, die ik voor deze zeer kennelijke soort meende te moeten houden, en die bij eene latere vergelijking vol- komen met exotische specimina overeenkwamen. R. vestitus behoort tot de afdeeling der glan- dulosi van W. en N., ofschoon het glanduleuse zeer weinig uitgedrukt is, en slechts bestaat in enkele ongesteelde of kort gesteelde klieren. De onvruchtbare stengel is rondachtig, hoekig strigoso-villosus. De groote regte behaarde aculei staan op de kanten met enkele kleine er tus- schen. De bladeren zijn quinato-pedata, vuil- achtig donkergroen, van onderen grijswit, vil- tig, glinsterend, het eindblaadje ovaal, rond- achtig, spits. De bloemtakken met driedeelige evenzoo rond à eivormige bladeren. De tros digt, met afstaande, zachte, graauwwitte haren bezet, waartusschen gesteelde klieren, en ta- melijk lange, eenigzins gekromde doornen; kelk grijswit, viltig; de bloemen rozenrood. De vruchten moeten de grootste en zoetste van het geheele geslacht zijn. ATI De tanden der bladeren leveren een eigen- aardig kenmerk op, hetwelk ik nog bij geene andere Rubus-species vond. Zij tzijn namelijk gegolfd, dat is, de lijn die twee tanden ver- bindt, is bogtig. R. vestitus heeft veel overeenkomst met R. pubescens, waarvan hij echter verschilt; 1°. door een stompkantigen stengel. 2°. door de afstaande beharing, die bij pu- bescens aangedrukt is. 3°. bij vestitus zijn de aculei bijna regt, bij pubescens gekromd. 4°, door de klierlooze inflorescentie en de korte kelkslippen. De specimina bij Heumen gevonden komen volkomen met die van Breda overeen. Een bij Mook gevonden specimen vertoont eene geringe afwijking. Destengbladeren zijn minder rondach- tig, ook die der bloemtakken zijn meer eirond gespitst. R. THurINGENsis. Eene zeer fraaije en opmerkelijke indigene species schijnt mij toe te zijn een vorm die ik voor R. Thuringensis Metscu te moeten houden. Deze soort werd het eefst door Metscn in de Rubi Hennebergenses als zoodanig opgesteld, de- wijl hij geene diagnose der bekende species op 472 dezelve konde toepassen. Ook mij gelukte dit niet, terwijl daarentegen de Merscusche diagnose volkomen op dezelve past, waarom ik dan ook niet aarzel dezen Rubus voor de genoemde soort te houden. Opmerkelijk is het, dat het de eerste eigenlijke glanduloseis, welke ik tot nog toe ‚vond , en die zoo westelijk voorkomt. De sterile stengel is boogvormig nederliggen- de, aan de basis rond, van boven stompkantig, gestreept met lange slappe haren en ongelijke acculei die aan den top roode klieren dragen; dekortste geven den stengel, minder den bloeitak, een eenigzins ruw voorkomen; acculei van onge- lijke grootte, regt, eenigzins terug gebogen, geel of bruinrood met geele stekende punt, aan de basis zeer verbreed zamengedrukt en behaard. Bladeren 3-voudig en 4—5-voudig pedata, le- derachtig, tamelijk groot, donkergroen, van onderen bleekgroen, zacht behaard, langgesteeld; de bladsteel dik, naauwelijks gesleufd, met klei- ne gekromde gekleurde aculei, haren en klier- borstels tamelijk rijkelijk bezet. De bloemtak lang en slank heen en wedergebogen, bruin- rood, van onder rond naar boven kantig, kort en digt behaard, met aculei roode klieren en regte terug gebogen aculei bezet. De bladeren 3-voudig, de bloemstandige eenvoudig, en van 4 —8§ tot aan den top der bloemtros in grootte afnemende. De bloemtros lang smal en los; de 473 bovenste bloemen meer opeengedrongen, de bloemstelen 3en 4 bloemig, de bovenste kor- ter, 3—1 bloemig. De kelk na het bloeijen terug- geslagen; bloembladen klein langwerpig of spa- telvormig, bleekrood, de vrucht zwart, glim- mend. De kelkslippen tegen de vrucht. aan- gedrukt. Ik vond deze soort. voorbij Loosduinen in een hakbosch, bloeijende in Julij. R. SPRENGELI W.. De indigeniteit dezer species, nog alleen door den Hoogleeraar v. Hatt aangegeven, schijnt mij toe door deze specimina, door den Heer Srra- Tincu als R. caesius ingezonden, en door hem bij Paterwolde op schaduwrijke plekken in het bosch gevonden, bevestigd te worden. — Ofschoon de sterile stengel, die anders bij R. Sprengeli ook goede aanwijzing geeft, ontbreekt, vermeen ik dat specimen tot deze soort te moeten brengen. R. Sprengeli is na met R. vulgaris verwant, van welke soort hij door sommige schrijvers als eene variteit beschouwd wordt. Hij onderscheidt zich van R. vulgaris door den reeds dadelijk neêrliggenden meer ronden stengel, 2°, door kleinere en meer gekromde doornen. 3°. door lichtere, aan beide zijden gelijkkleu- rige bladeren. Ath 4°, door 3-voudige (met 3—5 voudige-blade- ren van den bloemtak. 5e. door 3-voudige en voetvormige 5-voudige (niet uitsluitend 5-voudig gevingerde) bladen. 6°. door dunnere, langere en sparrig afstaande bloemstelen. 7°. door verkeerd eivormige eenigzins gekreu- kelde bloembladen. Hierop geeft de Hr. Oupemans een kort ver- slag van een uitstapje, in de maand Julij onder- nomen naar Apeldoorn, de Uddelermeer, het Beekbergerwoud, enz., en vestigt daarbij de aan- dacht der leden op het zoogenaamde park achter ’t Loo als de groeiplaats van eenige zeldzame varens (Lastrea Oreopteris Presi, Polypodium Dryopteris L. en Polypodium Phegopteris L. eneen zeldzaam voorkomend mos (Georgia Mnemosynum Enru.), waarvan de eerste drie langs de boor- den der zoogenaamde «Oude Sprongen” door hem worden aangetroffen. Hij belooft, eene ver- zameling van de door hem bijeengebragte planten aan de Vereeniging af te staan. Dr. v. D. Bosca herinnert aan de verwoestin- gen, die door Insecten in Herbaria worden aange- rigt. Hij ontkent wel niet de werkzaamheid van de veelal gebruikelijke sublimatisering(*), maar (*) leder gedroogd specimen wordt ondergedompeld in 475 het is eene zeer tijdroovende bezigheid, die men bovendien, om hare gevaarlijkheid, niet dan door vertrouwde personen kan doen verrigten. Om die reden verdient het berigt omtrent een on- schadelijk en in de aanwendig gemakkelijk mid- del tot uitroeijng van Insecten in Herbarien de opmerkzaamheid. Het bestaat in Carburetum Sulphuris, eene vloeistof, die van veelvuldig tech- nischgebruik is en o. a. te Parys daarom in ’t groot wordt bereid. Om het aan te wenden legt men een grooter of kleiner aantal planten-paketten waarvan de touwen of banden zijn losgemaakt in eene kist, die van binnen met dun plaatzink is gevoerd en gesloten wordt met een los, over den rand eenigzins uitstekend deksel, dat op gelijke wijze is gevoerd. Daar de kist hermetisch moet gesloten kunnen worden, dienen de platen aan elkander vast gesoldeerd te worden. In de kist zelve wordt eene kleine ruimte afgesloten door een dun houten beschot, dat boven tegen het deksel en onder aan den bodem een goede handbreed ruimte openlaat. De paketten wor- den zóó gelegd, dat de eerste laag op een los raam (6 duim hoog), op die laag een tweede os raam en de tweede laag enz. komt te lig- gen. De kleine afgesloten ruimte wordt los met een gesatureerde alcoholische oplossing van sublimaat, en daarna tusschen papier andermaal gedroogd. 476 houtkrullen gevulden op deze hetvochtuitgegoten. Men laat natuurlijk zoo weinig mogelijk ver- danpen, sluit dus onmiddellijk de kisten voorziet den rand van het deksel met stopverf of lutum. Drie dagen zijn genoeg, om niet allen insecten, maar ook larven en eijeren te dooden. De hoeveel - heid vocht, die men behoeft, is van 7 litre op een kist 1,50/ lang, 0,80! hoog en 0,50’ breed. Het Februarij-nummer van het Bulleetin de la Société botanique de France bevat een uit- voerige mededeeling van een corresponderend lid, den Hr. Lenormanp te Vire. Thans wordt het woord gegeven aan den Hr. L. H. Buse, die het volgende zegt; Op de vorige vergadering heb ik eene nalezing op de in den Prodromus opgenomene Musci frondosi toegezegd. Ik ben daaraan bezig ge- weest, hoop er mede voort te gaan, en zoo doen- lijk het in twee jaren voleindigd te hebben. Die termijn schijntlang, maar is het niet, wanneer ik U mededeel, wat ik in overleg met den Conservator onder die revisie heb gemeend te moeten begrijpen: 1°. __ Het én orde brengen van het materieel dat gediend heefl tot het daarstellen van den Pro- dromus Florae Batavae, Vol. IL. pars. I of wel van N°. 1337 tol N°. 1589. De verdere in dat stuk van deel If vervatte nummers ATT zijn Mepaticae. Deze kunnen het geschikst door den bewerker, den Hr. van DER SANDE Lacoste, zoo veel noodig, volledig gemaakt worden. Van de eerstgenoemde nummers zijnde de turfmossen, waren door de bewer- kers van den Prodromus slechts zeven en dertig nummers geordend. Van de overige twee honderd heb ik in dit jaar al wat ik ontvangen heb insgelijks in.orde, doch ik _ moet hierbij aanmerken, dat ik het grootste deel nog van den Hr. Conservator wachtende ben. De inrigting door de Heeren Dozy en Morkenpoer aan het Herbarium gege- ven is deze: de mossen zijn geheel opge- plakt op halve bladen wit papier van formaat zoo als u van de phanerogamen bekend is. Onder elk mos is de de étiquette ge- plakt van den vinder. Zij volgen elkander op naar de orde waarin zij in den Prodro- mus vermeld staan. De halve bladeren wit papier liggen in een geheel vel grijs papier van dikker soort waarop een étiquette met zwarten rand geplakt is, welke den naam en het nummer van den Prodromus behelst. Aan deze inrigting heb ik mij om de ge- lijkvormigheid zoo veel mogelijk gehouden met deze wijzigingen: 1°. Ik plak de mos- sen niet geheel op maar zet ze slechts even vast op een los strookje papier. De motieven | | \ } fi f ; y) 478 zijn: a. mindere aantasting door insecten en 6. mogelijkheid om ze steeds microsco- pisch te onderzoeken en onbeschadigd terug te brengen. 2°. zet ik ze niet onmiddelijk op de groote bladen wit papier maar op afzonderlijke stukken wit papier en eerst deze hecht ik nevens elkander op gezegde grootevellen. De redenen zijn: a. Mogelijkheid van uitreiking van specimina van ééne en- kele localiteit aan dengenen die niet meer ver- langt, en b. dat het later niet ondoenlijk zoude zijn, wanneer men bij het vervallen van het prodromuswerk, bij de uitgave der flora, aan klein formaat de voorkeur mogt geven,dit ten uitvoer te brengen. Bij deze ge- legenheid merk ik echter op, dat ik hoop, men steeds groot formaat zal blijven behou- den. Het gelijktijdig overzien van specimina van verschillende localiteit is, ik kan het bij ondervinding zeggen , van grooten dienst. 3°. Volg ik bij de specimina van dezelfde soort niet de orde van den Prodr., waar die van een en denzelfden vinder bij elkander staan; naar de geographische verbreiding. Enkele malen heb ik voorkeur gegeven aan plaatsing naar overeenstemmende vormen 4°. Opdat uiterlijk ook een kenteeken aanwezig zou de zijn, welke nummers niet door de schrij- vers van den Prodromus maar door mij 2% oe 479 geordend zijn, heb ik de namen regtstreeks op het grijze vel, zonder behulp van étiquet- ten geschreven, Eindelijk heb ik alle bladen papier, waarop de mossen zich bevinden, van eene ge- kleurde etiquette voorzien, waarop de de woorden staan, die uitdrukken hetgeen alle zamen uitmaken te weten: Podromi Florae Batavae Authenticum. Herziening der bestemmingen van hel ge- noemde. Op dit teeder punt bepaal ik mij met te zeggen dat de doorgaande juistheid van het tweede deel van den Prodromus onderdoet voor die van het door Dr. v. p. Boscubewerkteeerste deel. Daar ik, zoo als ik gezegd heb, op verre na niet het grootste deel heb ontvangen, zoo kan ik het resultaat slechts globaal opgeven. Ik onderstel dat uit hetoude materieel een 10 tal species zul- len moeten vervallen en er een 5 tal nieuwe uit te voorschijn zullen komen. Doch een grooter getal groeiplaatsen zal moeten door- gehaald worden, en bij andere soorten bjjge- voegd worden. Dit is een onaangenaam, maar noodig werk De Prodromus is eene optelling van namen en groeiplaatsen; indien nu deze niet naauwkeurig zijn wat is de Prodro- mus dan? Het in orde brengen van het materieel sedert 480 de uitgave van den Prodromus, dat is sedert 8 October 1851, ingekomen. Het spreekt van zelven, dat ik al dat latere streng afgezon- derd heb gehouden van het vorige, zoo ten einde verwarringen te voorkomen, als- mede opdat dwalingen die ik en anderen begingen, niet op rekening der overledenen zouden gesteld worden. Overigens is het formaat enz. natuurlijk hetzelfde en bevin- den zich de bladen ook in dezelfde grijze vellen, doch zijn onmiddellijk door het ge- mis van de gekleurde étiquette van de au- thentieke te herkennen. Ik heb echter geaar- zeld of ik de nieuwe specimina in losse enveloppen, zoogenaamde kapsels, zoude bewaren of wel op strooken papier zoo als ik gewoon ben, zoude opzetten. Voor beide wijze is veel te zeggen. Ik geef aan delaatste de voorkeur, alsniet ligt permutatie of verwisseling toelatende, anderen doen het aan de eerste manier ; ik wist niet beter te doenin dit geval dan zoo te doen als de inzen- ders wilden, dat is: wat ik in enveloppen vindt, laat ik in enveloppen en wat ik open vind, hecht ik op mijne wijze op strooken. Wat het getal inzenders betreft, met leedwezen moet ik zeggen, dat het slechts 5 bedraagt. Dit zijn hunne namen: de Heeren vAN Der SANDE LACOSTE, ABELEVEN, He, A81 WALRAVEN, Stnatinen, en sehrijver dezes. Gelukkig daarentegen dat het aantal van de door hen gezondene voorwerpen groo- is. Het resultaat is globaal voor onze flora een nieuw genus, een dozijn species, en een aantal belangrijke groeiplaatsen. Deze laatste en de soorten zal ik U bij in- tercalatie tusschen de oude vermelden, het geslacht is het genus Trematodon RrcHarp in Michaux Flora Am. bor. II p. 289 waar- van ik de soort Trematodon ambiguus, dat is olim Dicranum ambiguum Hedwig, Stir- pes Cryptog. III p. 87 T. XXXVI, bij Essen op de Veluwe vond. Met dit ordenen gaat natuurlijk gelijktijdig het bestemmen van het zonder determinatie gezondene en het herzien van het met deter- minatie gestuurde. Is het bij gedrukt werk in het belang van waarheid onvermijdelijk om begane dwa- lingen in het licht te stellen, hier is zulks van geen het minste nut. De genoemde vijf inzenders zijn in leven en het zal dus door correspondentie ligt mogelijk zijn hier bestaande verschillen op te lossen. Bij ge- mis van determinatie wil ik de mijne aan de inzenders mededeelen vóór ik die in de revisie opneem. Ik ga nu overu een proef van de wijze waarop 482 ik de revisie wensch te bewerken. Uit het voor- gaande is u gebleken, wat dezeive, ingevolge het metden Hr. Conservator overeengekome behoor. tebevatten. Ikhoopechter dat gij het niet ten kwade zult duiden, indien ik van de gelegenheid gebruik maak en iets meer geef dan de dorre opsomming van namen en groeiplaatsen. Ik wil zoo gaarne er een en ander bijvoegen dat als een voorloopige arbeid konde beschouwd worden waarvan de toekomstige schrijvers van dit gedeelte van de nederlandsche Flora des verkiezende zich zouden kunnen bedienen. Ik zoude dan bij elke soort zoo veel noodig willen spreken over: 1°. de nomenclatuur en de daar achter te voe- gene autoriteit. Bij het bestaan van zulk een voortreffelijk standaardwerk als den Bryologia Europaea editore Schimper, wordt het al ligt eene gewoonte daar uit over te nemen. Maar het in mij gebleken dat de schrijvers van dat uitstekend werk zich hoofdzakelijk op uitvoerigheid van beschrij- ving en naauwkeurigheid, zoowel als sier, lijkheid van afbeelding hebben toegelegd, doch met het overige, zooals naam, au- toriteit, signonymen, opname der groei- plaatsen ligtvaardig zijn te werk gegaan Mij dunkt men behoort het eerste te doen maar het tweede niet na te laten Voor- beeld: Dillenius. A85 Overigensspreekthet van zelven, dat men dien naam gebruikt, welken men den geschik- sten oordeelt met strikte in achtneming van ancienniteit. En de autoriteit, er achter te voegen, kan geene andere zijn dan van den schrijver, die de plant het eerst onder dien naam noemde. Dikwerf echter is deze verbinding onbillijk, wat het verzwijgen van vroegere beschrijvers betreft. En men kan niet zien, of die achtergevoegde autori teit de naam is van den eersten beschrijver, of wel van een verplaatser van iets bekends naar een ander genus, of wel soms slechts de naam van een wederdooper. Het erken- nen van het regte genus kan soms ja van geene mindere verdiensten zijn dan het beschrijven eener soort, maar soms bijv. bij de splitsing van een geslacht waar om- schrevene sectien tot genera verheven worden, is de merite uiterst gering. Op verschillende wijzen heeft men getracht dit onregt te herstellen. BripeL en in navol- ging Sctumper doen het door twee autori- teiten achter den naam te voegen. Deze schrijfwijze kan ik niet billijken. Die moet bewaard blijven voor coufirmatie door appo- sitie. Andere vooral Engelschenatuurkenners voegen achter de gewone autoriteit den naam van den eersten beschrijver met bijvoe- AB 4 ing van Sp. Dit is beter maar evenmin vol- doende, daar hetonderstelt dat desoortsnaam dezelfde is gebleven en aldaar te vinden zij, iets wat tallooze malen niet opgaat, bijv. bij het Brid. Dill. Sp. De soortnamen kunnen immers niet verder dan tot den in- voerder Linnaeus terug gaan. Bij Dillenius zijn die nog niet; welke soort van dezen wordt dan bedoeld? Ik heb daarom ofschoon met tegenzin in de Plantae Reinwardtianae bij de gramaneen eene proeve genomen om eene dubbele no- menclatuur te gebruiken, en alzoo eerst den geslachts en soortnaam die mij de geschikste voorkomt met de autoriteit op te geven en door op volgend idem idem van den eersten beschrijver met bijvoeging achter diens naam van de woorden »Speciei auctor’. Ik zie mij genoodzaakt, ook bij de mossen, behoudens beter, beze methode te volgen zooals ik het reeds gedaan heb bij de uitge- gevene 150 nummers van Nederlands mos- soorten. de dispositie der Sexen vermelden: Ik noem dit de sexe-plaatsing. Gewoonlijk noemt men het bij de mossen inflorescentia, welke term echter alzoo een geheel verschil lende beteekenis van de meer gebruikelijke erlangt. 3°. Ae, 485 Bij de tegenwoordige diagnostiek is de op- gave daarvan onmisbaar. Verscheidene ver- gissingen in den Prodromus hadden niet plaats gehad, indien men dit kenmerk meer geacht had. Gelijk u bekend is, zijn de drie wijzen: dioic, monoic en hermaphrodiet. Voor dit laatste woord gebruiken sommigen Bryo- logen het woord synoic. Ik keur dit af, Het klinkt wel harmonisch met de beide andere benamingen, doch het heeft in redelijken zin geene anderen beteekenis dan het woord monoic. Omtrent eenige soorten heerscht hier verschil in de opgave bij geachte schrijvers. Ons land, dat niet in getal van soorten uitblinkt, maar in getal van speci mina voor onderscheidene niet onderdoet, is tot oplossing van enkele dezer ver- schillen niet te verwerpen. Maar het onderzoek dient ook door an- deren gedaan te worden. Zoo ligt wordt het resultaat, dat slechts voor eenige spe- cimina gevonden is, op alle toegepast. En men houde in het oog, dat er hier, zooals op elken regel, uitzonderingen zijn. de Statio; juist door het bijkomen van vele nieuwe groeiplaatsen kan die juister opge- - geven worden. Hier en daar wensch ik eenige losse op- merkingen te voegen nopens de diagnose 32 4.86 der soorten en de bestaande Afbeeldingen. Als proeve neem ik nu een klein geslacht in zijn geheel, bijv. het genus Encalypta Prodr. p. 51. en eene soort van een groot genus, b. v. het eerste nummer van den Prodromus: Hypnum splendens. Genus ENCALVPTA. Deze naam is in Ao 1791 opgesteld door ScHREBER in zijne Genera plantarum vol. II. p. 759. N°. 1643. De naam is karakteristiek en verdient de voorkeur boven den anderen van Leersia, door Hepwie reeds in 1782 in zijne Fundamenta Historia naturalis muscorum etc. pars II. pag. 88 gegeven. Vooreerst toch bevat Leersia, gelijk zoowel uit de opnoeming der species ter aangehaalder plaatse, als uit de later daar- toe gebragte, in de Stirpes cryplogamicae Vol. II. pag. 66, te zien is, heterogene elementen, t geen bij Encalypta van Scureser, blijkens zijne diagnose, niet het geval is; en ten an- deren is er een ander genus, namelijk onder de grassen, met den naam Leersia bestempeld, *t welk reeds door SoLanper moet opgesteld wezen, doch het eerst vermeld is bij Swartz in zijne Nova genera et species plantarum, Hol- miae 1788, en door Scureser als de prioriteit boven den naam Asprella hebbende, erkend is. ; 487 Dit geslacht der grassen dus, alhoewel later bekend, ofschoon vroeger gekend, dan het ge- lijkluidend genus der mossen, behoort onder dien naam gehandhaafd te worden. In de eerste plaats is toch, wat ancienniteit betreft, hier zoo veel voor als tegen te zeggen. En in dat geval is het meer eigenaardig, dat de naam van Leers in eene familie blijve, waar zijne ver- diensten openlijk bekend zijn, dan wel onder Cryptogamen, waaraan hij insgelijks wel veel arbeid moet besteed hebben (zie Flora Herbor. nensis p. 269) maar die echter niet in het licht is gekomen. Bovendien heeft ook Hep- wie zelf zijne goedkeuring aan de naamsver- andering gegeven, gelijk duidelijk is uit zijn opus posthumum: Species muscorum in À°. 1801 uitgekomen. Ten slotte zij hier nog aangestipt, dat de naam Encalypta ten onregte aan Hepwic wordt toe. geschreven door Enpricter in zijne Genera Plantarum N°. 537, en door Linprev in zijn Vegetable Kingdom pag. 67 van de 3° uitgave. Ne. 1497 Encalypta streptocarpa Hepw. en wel Spec. Musc. p. 62. De auteur van de soort is Wourren, die dezelve beschreef in . Jacquin Collect. IL pag 226 (non 236) onder den naam Bryum contortum. De Statio: »in bosschen en op beschaduwde rotswanden’’ gelieve men om te keeren en te lezen; 488 »Op rotsen, en bij afdwaling in bosschen aan den duinkant Dioic; waarschijnlijk de eenige der Europesche soorten die dit is. Voor het teeken 2 in te vullen »zonder vrucht”; de soort is heteerst door mij, en wel op die abnormale groeiplaats aan den duin- kant bij Bloemendaa!, gevonden. Het is bekend, dat meerdere bergmossen, ja ook phanero- gamen, die aan bergstreken eigen zijn, in duin sporadisch voorkomen, waarbij de reden che- mice in den bodem voor de hand ligt, maar ook eene oorzaak physice, in den vorm der duinen gelegen, bergen als het ware in mi- niatuur, welligt ten onregte geheel buiten re- kening wordt gelaten. De E. streptocarpa vond ik later vrij talrijk, maar ook slechtsonvruchtbaar, op de normale groeiplaats, namelijk op het krijttufgesteente bij Faulquemont (Limburgsch Valkenburg) De groei- plaats »rotsen bij Caastert” moet doorgehaald worden. Er is wel een plaatsje Caastert in Nederlandsch Limburg, maar hier en overal, waar indenProdromus Caastert voorkomt, is, gelijk de Heer FRANQUINET mij in persoon mede- deelde, niet dit bedoeld, maar het, om zijn fraai vergezicht zoo dikwijls uit Maestricht bezochte, Chateau de Caestert in Belgisch Limburg. N°. 1498. Encalypta rhabdocarpa Scawer. en wel Suppl. I. sect. 17. p. 54. T XVI. simul 489 speciei auctor. Dit nummer moet, zoo ik meen, geschrapt worden. De bestemming toch der specimina van het Herbarium berust, mijn inziens, op eene dwaling. Ik kan namelijk uit dezelve niets zien, dan de onder N°. 1500 vermelde Encolypta vulgaris, onder welken waren naam zij door den vinder waren ingezonden. De verwisseling dezer twee verwante soor- ten komt bij meer schrijvers voor. En toch zijn ze geheel onderscheiden. Ge- deeltelijk is de verwarring toe te schrijven aan de niet juiste diagnose van Encalypta vulga- fris, voor zooverre aldaar capsula laevis i. e. non striata word opgegeven. De capsula is wel veel minder en veel onregelmatiger gestreept dan bij Encalypta rhabdocarpa, maar is toch bepaald ge- groefd-gestreept, vooral wanneer zij ledig is ge- worden. Ik heb dit niet alleen bij Nederlandsche specimina opgemerkt, maar het evenzoo in den Hartz, in Baden, Zwitserland gezien. __ Het is getrouw afgebeeld in het plaatje bij Sturm, Deutschlands Flora, in welk ook de beeldtenis van Encalypta rhabdocarpa door Fonk gegeven, zeer geschikt is, om het onderscheid regt aanschouwelijk te maken. Het eigenlijke verschil ligt in den vorm van de capsula, in het zigtbaar zijn der striae bij EZ. rhabdocarpareeds 490 voor de deoperculatie, enz. Encalypta rhab- docarpa is op eene groeiplaats, zooals de op- gegevene in den Podr., niet ligt te verwachten. N°. 1499 Encalyp taciliata Hevw. Lees hiervoor: Horrman Botanisches Taschenbuch voor het jaar 1795, of Flora von Deutschland vol Il. pag. 27, die het eerst dezen naam heeft gebruikt. Leersia ciliata Hepw. Stirpes Crypt. vol. 1. p. 49, XIX A°. 1787, speciet auctor, alwaarhet eerst als soort is erkend wat vroeger of als varie- teit werd beschouwd, of wel met andere ver- ward. | Ook dit nummer moet doorgehaald worden. De bestemming der specimina van den Pro- dromus is hier blijkbaar foutief. Zij waren door den vinder onder den regten naam inge- zonden. De verwisseling is hier moeijelijk te begrijpen. Hier toch is het verschil al heel ligt in het oog vallend. In het exotisch Herb. der Vereeniging liggen typische exemplaren, die ik reeds voor jaren inzond uit den Hartz, alwaar ik dezelve in menigte rijkelijk vruchtdragend zag. N. 1500 Encalypta vulgaris Hepw. Lees, indien men den naam vulgaris wil gebruiken, Horr- wan Flora von Deutschland. II. pag. 27. Ik acht echter, dat de soort, volgens ancienniteit A91 Encalypta exstinctoria behoort te heeten, met de autoriteit ScurEBER, wegens zijne verwijzing naar Hevwie fund. l. l. Zoo heet dezelve ook bij Swartz in zijne, in Ac. 1798 uitgekomene Dispositio systematica muscorum frondosorum Sueciae. De auteur van de soort is Linnaeus Species plantarum ed 1p. 1116, ed 2 p. 1581. die ze Bryum exstinctorium noemde, met een gelukkig geformeerden soortsnaam uit de para- phrase van Dittenius Hist. Musc. p. 349. Bryum calyptra exstinctora figura, enz. Hepwie die, gelijk straks gezegd, uit deze en andere soorten het genus Leersia vormde, ver- anderde nietin die Fundamenta, maar eerst later in de Stirpes cryptogamicae vol. I p. 46. T. XVIII. den soortsnaam, zonder noodzaak, in dien van vulgaris. Ik gis dat hij het deed, omdat het epitheton exstinctorius achter Leers niet aardig klonk, maar vulgaris is dan toch ook niet gracieus. Bij de verandering van Leersia in Encalypta valt die reden weg, en ik hoop nie- mand er iets tegen hebbe, dat Encalypta ex- stinctoria zoo wat eene fautologie zij. In plan- tennamen non nocet bis (dem, en men heeft hier door het behouden vau den soortnaam de zekerheid, de Linnaeaansche soort voor zich te hebben, exclusa var. (. Sekseplaatsing : monoic. 4.92 Eerst vermeld als Nederlandsch bij pe Gorter Flora Belg. foeder. N°. 882. Bij de groeiplaatsen in Herb. bij te voegen: Bij Deventer Cop. en Top. Encalypta rhab- docarpa D. en M. in Podr. Fl. Bat. non ScHWAEGR., en Encalypta ciliata eorundem, ibi- dem, non Horr. Nog volgt in den Podromus zonder voor- geplaatst nummer: Encalypta fimbriata Brin. Ook dit moet ge- roijeerd worden. De schrijvers schijnen niet indachtig geweest te zijn, dat dit slechts eene synonyme van Enc. ciliata is, waarvoor Brier in de Muscologia Recentiorum vol I, p. 53, den nieuwen naam van fimbriata had voorgeslagen, 't welk, en te regt, niet is nagevolgd. Blijft overig de daaronder vermelde Bryum exstinctorium majus door van Geuns bij Harder- wijk gevonden, Specil. p. 74; ongezien kan ik hier met grond niets gissen. Proef voor eene soort van een groot geslacht: Ne, 1337. Hypnum splendens Hepw. en wel Sp. Musc. p. 262 Ae. 1801. Volgens Brine. zoude dit moeten zijn Sisrnore Flora oxoniensis, No. 804, welk werk ik niet bezit, maar als zijnde in Ae, 1794 gedrukt, indien het zoo is, zeker alzoo dient veranderd te worden. De auteur van de soort is Linnaeus, Hypnum parietinum Sp. pl. ed. I. p. 1125 certo, maar deze naam 493 is wegens latere verwarringen met regt afge- schaft. Bij de Statio bij te voegen: Algemeen op de heide en hier en daar in slechte weiden Sekseplaatsing: Dioic. Bij de groeiplaatsen zijn vele bij te voegen, doch de soort is in ons vaderland te algemeen om dezelve afzonderlijk op te sommen. Het eerst als Nederlandsch vermeld bij pe Gorter Flora Gelro-Zutph. No. 576. De plaatsing van deze soort in den Prodr. vóór Hypnum tamariscinum HeEDw. is eene niet gelukkige poging om de onnatuurlijke plaatsing van Rasennorst Deutschlands Cryptogamen-Flo- ra, wien men anders volgde, te verbeteren. De wezenlijk verwante soorten zijn: Hypnum umbratum Enruart en Hypnum Oakesit Suttivanr. Hiermede wordt eene kleine groep gevormd, waarbij zich eenige ex-europesche aansluiten. Scuimper brengt ze als sectie onder het door hem geformeerd geslacht Hylocomium. Mijns in- ziens wordt dat geslacht, waarvan ik Hypnum loreum Linn. als centrale soort beschouw, daar- door min natuurlijk. Van deze soort worden veelal geene vormen bij de schrijvers opgegeven, niet omdat er geenevormen zijn, maar omdat zij zoo in één loopen, dat zij niet gepreciseerd kun- nen worden. Merkwaardig is hier, dat de diagnose soms lijnregt tegenovergesteld wordt, naar de NO 4. vormen die men als type beschouwt. Zoo had toch Linnaeus als criterium opgegeven in de Sp. pl: Surculis plano pinnatis continuatis , in de pl. Suec., continuata serie en Lamarck nog ster- ker: surculis absque interruptione ramiferis en daarentegen Bamer: caulis ex innovationibus ita continuatus ut contabulatus videatur caule no- vello saepe turionem sistente; zoo ook Scuimpen : _ mlerrupte pinnatus. K. Murer eindelijk heeft: ramis velute verticillatim dispositis. Beide ge- zegden zijn waar. Het eerste, als men den yorm uit de opene plaatsen voor type rekent, het tweede wanneer men den vorm, e sylvis ace- rosis daarvoor houdt. Deze laatste is bij ons de zeldzaamste, komt echter zeer schoon voor bij Wolfheeze, doch in onnoemelijke massa zag ik die in den Harz, minder algemeen in Zwitserland; de ontbrekende vormen heb ik in het Vereenigings Herbarium bijgevoegd, even als de plantae masculinae, die ik ook in Neder- lands mossoorten onder N°. 4 heb uitgegeven. Ziedaar de proeve, welke ik U wilde voor- leggen. Alvorens verder te gaan, wensch ik gaarne van u te vernemen, of gij die wijze goedkeurt, of welke veranderingen u daarin raadzaam voorkomen. Tevens uit ik den wensch, bij de revisie te mogen zeggen, dat er sedert 495 de proeve een geheele ommekeer in het getal der inzenders is gekomen. Hierna draagt de Hr. Warraven het ver- volg voor van zijne nasporingen omtrent de Flora van Oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. VERVOLG OP HET OVERZIGT VAN DE FLORA VAN OOSTELIJK ZEEUWSCH- VLAANDEREN. Plaatselijke verspreiding en natuurlijke groei- plaatsen der planten. Hoe moeijelijk het ook wezen moge, eene geschikte groepering der verschillende plan- tensoorten in het algemeen naar hare locale verspreiding en natuurlijke standplaatsen op te stellen, heb ik gemeend de planten, in dit district voorkomende, het gevoegelijkst in de volgende drie verdeelingen te kunnen zamen- vatten, namelijk: I. in planten welke op zandigen bodem, II. in die welke op Kleigronden gevonden worden, en HI. in die soorten, welke men naar hare 496 groeiplaats, gewoon is strandplanten te noemen. I. Tot de eerste afdeeling behooren de plan- ten, welke op de heide- en zandgronden voor- komen in het zuidelijk en zuid-oostelijk ge- deelte van het district. Het water in deze streken is zoogenaamd zoet, hetwelk natuur- lijk een grooten invloed op de vegetatie uit- oefent van alle planten, voornamelijk evenwel van die, welke aan en in het water groeijen, welke oorzaak dan ook eene voorname onder- „scheiding daarstelt, tusschen de planten van deze en die der volgende afdeelingen. 1. ZOETWATERPLANTEN. a. onder water: Ceratophyllum submersum. b. drijvende: Stratiotes Aloides, Lemma tri- sulca, polyrrhiza. c. eigenlijk gezegde waterplanten: Batrachium divaricatum, ololeucos; Myriophyllum spi- catum ; Callitriche stagnalis, vernalis; Nym- phaea alba, Nuphar luteum; Limnanthe- mum Nymphaeoides; Utricularia vulgaris; Hydrocharis Morsus Ranae; Sagittaria sagit- taefolia; Potamogeton natans, lucens, cris- pus, compressus, pusillus, densus. d. water- en landplanten: Nasturtium amphi- bium, palustre; Myosotis palustris, caespi- tosus; Polygonum amphibium. AQT 2. LANDPLANTEN. a. moerasplanten: Hyppurus vulgaris; Myosotis palustris; Malachium aquaticum; Berula angustifolia; Galium palustre, mollugo; Ve- ronica Anagallis, Beccabunga; Hottonia pa- lustris; Sparganium ramosum; Juncus ef- fusus, bufonius; Scirpus maritimus. b. Oeverplanten: Caltha palustris; Cardamine pratensis; Lytrum Salicaria; Sium latifo- lium; Oenanthe fistulosa, Lachenalii; Thys- selinum palustre; Valeriana officinalis, Sam- bucifolia ; Cirsium palustre; Scrophularia Balbisii; Scutellaria galericulata; Rumex Hydrolapathum; Butomus umbellatus; Iris Pseudacorus; Carex remotus, distans, Pseu- docyperus, riparia; Phalaris arundinacea; Glyceria spectabilis. c. Slootkanten en grazige plaatsen: Hydroco- tyle vulgaris, Ranuncuclus Flammula, Fi- caria; Viola canina; Lychnis Flos Cuculi; Sagina nodosa; Spiraea Ulmaria; Solidago Virga aurea; Senecio erraticum; Lysima- chia vulgaris; Bidens tripartita; Veronica scutellata; Briza media; Juncus conglome- ratus; Carex stellulata, gn d. Zandplanten. a. Oponbebouwde gronden, wallen, dijken, enz: Sisymbrium thalianum; Diplotaxis tenui- folia; Thlapsi arvense; Reseda luteola ; * 498 Vicia Lathyroides, Galium verum, Me- lilotus arvensis, Erodium cicutarium; Malva sylvestris, vulgaris; Medicago mi- nima; Trifolium arvense, striatum, fili- forme; Sedum acre, Cerastium arvense, Lotus corniculatus, Gnaphalium uligino- sum, Lamium amplexicaule, Erige- ron Canadense, Onopordon Acanthi- um, Campanula Rapunculus, Lycopsis arvensis, Lithospermum arvense, Sola- num humile, Hyoscyamus niger, Ver- bascum Schraderi, Linaria vulgaris, Ve- ronica Chamaedrys, Thymus Serpyl- lum; Galeopsis ochroleuca, versicolor; Ballota foetida, Rumex acetosella, Ca- rex hirta, Anthoxantum odoratum, Ave- na pubescens. 6. Op heidegronden. Lepigonum rubrum, Holosteum umbellatum (deze in het roode zand aan de Kauter), Ornithopus per- pusillus; Potentilla argentea, procum- bens, Tormentilla; Sagina procumbens, apetala; Polygala vulgaris, Sarotham- nus vulgaris, Galium saxatile; Anthris- cus vulgaris (eveneens aan de Kauter in hetmet fijne schelpen en steenen vermeng- de zand)Jasione montana, Calluna vulgaris, Erica Tetralix, Veronica officinalis, Eu- phrasia officinalis, Corynophorus canes- 4.99 cens, Holcus mollis, Avena Cai yophyl- lacea, Festuca ovina, Nardus stricta. Ye Op bebouwde gronden. Thalictrum flavum, Fumaria officinalis, Erysimum Cheiran- thoides , Teesdalia nudicaulis, Raphanus Rhaphanistrum, Spergula arvensis, Stel- laria graminea, Vicia angustifolia, Er- vum hirsutum, Scleranthus annuus, Va- lerianella dentata, auriculata; Alche- milla arvensis, Montia minor, Papa- ver dubium, Lotus uliginosus, Hypericum tetrapterum, Viola tricolor, Anthemis arvensis, Centaurea Cyanus, Arnoseris pusilla, Hypochaeris glabra, Myosotis versicolor, Mentha arvensis, Rumex ace- tosella, Galeopsis bifida, versicolor; Sta- chys arvensis, Anagallis arvensis, Poly- gonrum tataricum, Panicum glabrum, Crus Galli; Setaria viridis, Apera Spica venti, Bromus grossus, Lolium linicola. ò. in tuinen. Delphinium Consolida, La- mium amplexicaule, Amaranthus Bli- tum, Oxalis stricta, corniculata; Gnapha- lium uliginosum. | e. in bosschen: Rhamnus Frangula, Lonicera Periclymenum, Quercus pedunculata, Pinus sylvestris, Abies; aan kanten van bosschen vindt men: Hieracium tridentatum: Tencri- ‘um Scrorodonia, op opene plaatsen : Triodi- 500 um decumbens, in jonge bosschen: Epilo- bium angustifolium, Filago minima, Orchis maculata, Luzula multiflora. f. in heggen. Fragaria elatior, Rubus disco- lor, Rosa cinnamonea, Hieracium vulgatum, rigidum, Ilex Aquifolium , Lamium ample- xicaule, Stachys Sylvatica, Mercurialis annua. II. Tot deze afdeeling breng ik de planten op de kleigronden in de meer noordelijk lig- gende polders groeijende, alsmede die, welke voorkomen aan de menigvuldige binnendijken die de polders omgeven. Deze laasten komen meestal overeen met de hooge gras- of hooi- planten. Het water binnen de polders in kree- ken, waterleidingen en slooten vervat, is zoo- naamd brak, uitgezonderd in eenige drinkputten voor het vee, waarin men dan ook niet zelden zoetwaterplanten, als Ceratophyllum submersum Potamogeton natans, enz., aantreft. a. drijvende: Lemna trisulca, minor, gibba. b. eigenlijk gezegde waterplanten: Batrachium trichophyllum, Baudoti, Petiveri; Alisma Plantago, Potamogeton natans, pectinatus; Ruppia maritima, rostellata; Zanichellia palustris, pedicellata. 501 2. LANDPLANTEN. a. moerasplunten., slijkplanten in slooten en greppels. Galium palustre, Mollugo; Ra- nunculus sceleratus, Nasturtium officinale; Oenanthe Phellandrium, Veronica Anagal- lis, Samolus Valerandi, Polygonum Hydro- piper, Scirpus Tabernaemontani, mariti- mus, Eriophoron angustifolium, Glyceria fluitans. b. oeverplanten. Cardamine pratensis, sylvatica; Lythrum Salicaria, Valeriana officinalis , Althaea officinalis, Heracleum Spondylium, | Bidens tripartita, Achillea Ptarmica, Lyco- | pus Europaeus, Salix viminalis, cinerea; Alis- ma Plantago, Typha angustifolia, Acorus Calamus, Iris Pseudacorus, Juncus lam- procarpus, Carex disticha, muricata; Phrag- mites communis. c. Op lage, telken winter ondervloeijende , gras- gronden aan de zijkanten van kreeken, hier vlieten ‘genoemd. Taraxacum lividum, Po- tentilla anserina, Mentha aquatica, Rhinan- thus minor, major; Triglochin maritimum, palustre; Orchis latifolia, incarnata; Jun- cus glaucus, Heleocharis palustris, uni- glumis, Holcus lanatus, Poa trivialis, Gly- ceria distans, Festuca arundinacea, Triticum repens, Hordeum secalinum. d. In weiden. Ranunculus acris, bulbosus, re- fae ee 502 pens, Philonotis; Ficaria Ranunculoides; Trifolium fragiferum, repens; Lathyrus pra- tensis, Linum Catarticum, Hieracium pilosel- Ja, Bellis perennis , Chrysanthemum leucan- themum, Erythraea pulchella, Veronica Ser- pyllifolia, Prunella vulgaris, Plantago major, lanceolata, Rumex Acetosa, Polygonum mite, Orchis Morio, Epipactis latifolia, Salix re- pens, (beide laatsten op eenigzins uitge- graven, meer zandigen bodem), Juncus glau- cus, Phleum pratense, Cynosurus crista- tus, Triticum repens, Lolium perenne. . Kleiplanten op onbebouwde gronden. a. Aan binnendijken. Dianthus Armeria, Ce- rastium glomeratum, semidecandrum, triviale; Geranium pusillum, columbi- num, molle; Erodium cicutarium, Cap- sella Bursa pastoris; Arenaria serpyllifo- lia, Ononis spinosa, Medicago lupulina, Valerianella olitoria, Saxifraga tridac- tylites, Angelica sylvestris, Daucus Caro- ta, Dipsacus sylvestris, Ranunculus bul- bosus, Papaver Argemone, Cardamine sylvatica, Sedum acre, Sisymbrium offi- cinale, Draba verna, Linum Catarti- cum, Potentilla anserina, réptans, Agri- monia Eupatorium, Rosa canina, Bellis perennis, Erigeron acris, Inula Conyza, Artemisia Absynthium, Tanacetum vul- 503 gare, Achillea millefolium, Anthemis Cotula, Chrysanthemum Leucanthemum, Senecio vulgaris, Jacobaea; Cirsium lance- olatum; Carduus nutans, Lappa tomen- tosa, Carlina vulgaris, Centaurea nigra, Cichorium Intybus, Thrincia hirta, Tra- gopogon minor, Hypochoeris radicata, Taraxacum officinale, Hieracium pilo- sella, Cynoglossum officinale, Lithosper- mum officinale, Myosotis hispida, Ve- ronica serpyllifolia, arvensis; Rhinan- thus minor, major ; Euphrasia officina- lis, Mentha arvensis, Origanum vulgare, Prunella vulgaris, Verbena officinalis, Rumex crispus, Polygonum aviculare, Ornithogalum umbellatum, Altium olera- ceum, Anthoxanthum odoratum, Phleum pratense, Calamagrostis lanceolata, Epi- geios, Holcus lanatus, Dactylis glome- rata, Avena flavescens, Briza media, Cynosurus cristatus, Bromus mollis, Tri- ticum repens. . Aan wegen. Ranunculus acris, repens; Pa- paver Argemone, Sisymbrium officinale, Melilotus officinalis, arvensis; Trifolium fragiferum, repens, filiforme; Lotus te- nuifolius, Knautia arvensis, Potentilla anserina, Dianthus Armeria, Lychnis vespertina, Senebiera Goronopus, Agri- 504 , monia Eupatorium, Polygonum nodo- sum, aviculare; Erigeron acris, Inula Conyza, Pulicaria dysenterica, Tanace- tum vulgare, Achillea millefolium, An- themis Cotula, Cirsium arvense, Leon- todon autumnale, Tragopogon pratense, Taraxacum officinale, Fraxinus excel- sior, Borago officinalis, Lithospermum officinale, Lamium album, purpureum, Verbena officinalis, Plantago major, Bli- tum rubrum, Rumex crispus, Allium oleraceum, Poa trivialis, Triticum re- pens, Hordeum murinum. In heggen. Clematis Vitalba, Aquilegia vul- garis , Chelidonium majus, Geranium pu- sillum, Roberttanum; Vicia Cracca, Pru- nus spinosa, insititia; Geum urbanum, Rubus fruticosus, nemorosus, caesius, Fra- garia vesca, Crataegus monogyna, Ribes Grossularia, Torilis Anthriscus, Anthris- cus Cerefolium, Chaerophylium temulum, Hedera Helix, Sambucus nigra, Galium Aparine, tricorne; Aegopodium Poda- graria, Artemisia vulgaris, Cirstum ar- vense, Lapsana communis, Tragopogon pratense, Ligustrum vulgare, Vinca mi- nor, Convolvulus sepium, Veronica Cha- maedrys, Glechoma hederacea, Lamium purpureum, incisum, album, Ballota = 505 foetida, Polygonum dumetorum, Hu- mulus Lupulus, Corylus Avellana, Bro- mus sterilis. d. Aan begroeide, beschaduwde. slootkanten. Sisymbrium Alliaria, Epilobium hirsu- tum, virgatum, tetragonum, Eupatorium cannabinum, Anthriscus sylvestris , Co- chlearia Armoracia, Viola odorata, Api- um graveolens, Agrimonia Eupatorium, odorata; Inula Helenium, Pulicaria dy- senterica, Senecio Erucifolius, Carlina vulgaris, Helminthia Echioides, Crepis virens, Campanula Rapunculoides, Sym- phytum officinale, Solanum Dulcamara, Scrophularia Balbisii, Veronica Hederae- folia, Mentha aquatica, sativa; Glecho- ma hederacea, Lamium purpureum, Lysi- machia Nummularia, Rumex conglome- | ratus, Acetosa; Urtica dioïca, Listera | ovata, Carex disticha, muricata, biligu- laris, Phalaris arundinacea, Bromus commutatus, mollis, sterilis. f. Op bebouwde kleigronden. | «. Op bezaaid land, tusschen Koorn, enz., Ranunculus arvensis, Papaver Rhoeas, Viola tricolor, Silene noctiflora, Agro- stemma Githago, Arenaria serpyllifolia, leptoclada; Geranium dissectum, Vicia sativa, Medicago lupulina, Trifolium pro- NE eee ee Se 506 cumbens, Aethusa Cynapium, Scandix Pecten Veneris, Sherardia arvensis, Galium Aparine, Valerianella dentata, Auricula, Tussilago Farfara, Matricaria Chamomilla, Lapsana communis, Son- chus oleraceus, asper, arvensis; Specu- lariaSpeculum, Convolvulus arvensis, My- osotis intermedia, stricta, Solanum ni- grum, Linaria Elatine, Veronica arven- sis, Buxbaumii, Melampyrum arvense, Euphrasia Odontites, Lamium incisum, Stachys palustris, Anagallis arvensis, Chenopodium album, polyspermum; Po- lygonum pallidum, Convolvulus, tatari- cum; Euphorbia exigua, Alopecurus agrestis, Apera spica venti, Avena ori- entalis, fatua. B. op braaklanden. Sinapis arvensis , Con- volvulus arvensis, Anagallis arvensis, Ve- ronica agrestris, Alopecurus agrestis. y.aan kanten van akkers. Pastinaca sativa, Trifolium fragiferum, procumbens; Me- dicago media, Hypericum perforatum , Lathyrus tuberosus, pratensis; Vicia Cracca, Ervum gracile, tetraspermum; Rubus caesius, Matricaria Chamomilla, Crepis biennis, Leontodon autumnale, Erythraea Centaurium, Melampyrum ar- vense, Euphrasia Odontites, Plantago lan- 907 ceolata, Polygonum pallidum, Persica- ria; Asparagus officinalis, Luzula cam- pestris, Carex biligularis, Alopecurus geniculatus, Agrostis stolonifera, Arrhe- natherum elatius, Festuca rubra, arun- dinacea, loliacea; Triticumrepens, Lolium perenne. à in twinen. Papaver somniferum, Capsella Bursa pastoris, Brassica nigra, Silene Armeria, Oxalis stricta, corniculata; Chry- santhemum Parthenium, Stellaria media, Arenaria serpyllifolia, Senecio vulgaris, Sonchus oleraceus, asper; Solanum ni- grum, Nicandra Physaloides , Hyoscyamus niger, Datura Stramonium, Verbascum Schraderi, Veronica agrestis, Lamium purpureum, amplexicaule; Anagallis ar- vensis, Chenopodium polyspermum, Atri- plex hortensis, patula; Euphorbia Helio- scopia, Peplus, exigua, Lathyris; Ur- tica urens, Poa annua. Il. De zoogenaamde strandplanten behooren tot deze afdeeling. Hiertoe behoort men zoowel die planten te brengen, die aan zeedijken, als die welke op het eigenlijk gezegde strand gevon- den worden. Deze zeedijken, die in 24 uren op 508 verscheidene plaatsen tweemaal door het zee- water worden bespoeld, laten eene doorzijpeling hiervan toe, zoodat het water in slooten en kreeken in de nabijheid van sommige zeedij- ken, bijna geheel zout is en alzoo met het zee- water eenigermate overeenkomt. De vegetatie derhalve van deze plaatsen, alsook die van de kortelings ingedijkte pol- ders behoort grootendeels tot deze afdeeling. De buitendijks liggende gronden kan men geschiktelijk verdeelen, 1° in de hooger lig- gende begroeide schorren, die als ware het een natuurlijk hoog waterpeil daarstellen de- wijl zij bij gewone watertijden nooit geheel ondervloeijen (alleenlijk bij springvloed heeft zulks plaats), 2° in de lager gelegen bijkans onbegroeide slikken en 3° in de geheel on- begroeide zandbanken. Immers eenige weinige algae uitgezonderd, die zich in het zand vast- hechten, begroeijen deze, ligt beweeglijke , door de schuring van het zeewater, bij eb en vloed, gedurig van vorm en plaats verande- rende, zandbanken , meestal niet, voor dat zich met het zand eenig slijk heeft vermengd, of dit door eene dunne iaag slijk bedekt is. 1. ZOUTWATERPLANTEN. Tot de onder water groeijende planten de- zer afdeeling behooren de twee inlandsche soorten van het genus Zostera, namenlijk 509 Zostera marina en nana. Deze komen voor in kommen of geulen, die bij iederen vloed ondervloeijen en bij de ebbe genoegzaam water bevatten om de planten ten allen tijde drijvende te houden. De bodem waarin dezelve voorkomen is niet enkel zand, maar is voor een gedeelte ver- mengd met vette slib of klei. 2. STRANDPLANTEN. a.op begroeide schorren. Aster Tripolium , Statice elongata, Limonium; Plantago maritima, Schoberia maritima, Halimus Portulacoides, Atriplex latifolia, en op de hoogste, (rijpe schorren zoogenaamd) Jun- cus Gerardi, Festuca rubra, Glyceria ma- ritima, Lepturus incurvatus. b.op bijna onbegroeide slikken, komt het eerst als phanerogamische plant te voor- schijn Salicornia herbacea en daarna de groepsgewijs groeijende Spartina stricta. c. aan buiten- of zeedijken. «. aan de buitenzijde vindt men aan den grond- slag van den dijk: Lepigonum medium, salinum, marginatum; Plantago mari- tima, Schoberia maritima; wat hooger, — als in eene lijn geplaatst, groeijen de variëteiten van Artemisia maritima, en even boven deze, ook als in ééne lijn, groeit Hordeum maritimum; onder 510 en met deze Glyceria maritima, Glaux maritima, Juncus Gerardi; hooger op Plantago Coronopus, en op of nabij den kruin des dijks Lepidium ruderale, ter- wijl Cochlearia anglica onder de zeldza- mere mag gerekend worden, die aan zeedijken voorkomen. B.aan de binnenzijde des dijks: Eryngium campestre, Bupleurum tenuissimum , To- rilis nodosa, Gnaphalium luteo-album , Artemisia Absynthium, Centaurea Calci- trapa, Lactuca saligna. d. aan kreeken en slooten bij de zeedijken: Glaux maritima, Aster Tripolium, Api- um graveolens, Lotus corniculatus var. crassifolius, Lepidium ruderale, Artemi- sia maritima, Statice Limonium, Plan- tago maritima, Schoberia maritima, Sali- cornia herbacea, Blitum glaucum, Ha- limus Portulacoides, pedunculatus, Atri- plex latifolia, Triglochin maritimum, Juncus Gerardi, Glyceria distans, ma- ritima, Triticum repens. e. in nieuwbedijkte polders: Sagina stricta, Statice elongata, Limonium, Aster Tri- polium, Plantago maritima, Lepturus incurvatus; in overgeblevene killen van het vroegere schor komen weldra Rup- pia maritima, rostellata, terwijl als ge- ott woon onkruid zeer weelderig zich ont- wikkelt Stellaria media. Matricaria Cha- momilla, Senecio vulgaris, Chrysanthe- mum inodorum en maritimum komen later op de wegen in deze polders voor. Voorts kwam voor : a.als als parasiet op Trifolium pratense Orobanche minor. b. als muurplanten: Saxifraga tridactylites, Diplotaxis tenuifolia, Reseda luteola, Chrysanthemum Parthenium. e. als dakplant: Sempervivum tectorum. d. op mesthoopen: Aethusa Cynapium, Co- nium maculatum, Sisymbrium Alliaria, Malva sylvestris, Chenopodium album, Blitum rubrum, Atriplex patula, Urtica urens, Phalaris Canariensis. De volgende plantensoorten komen alleen in Oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen en in het overige gedeelte van Zeeland niet, voor. Batrachium * divaricatum, * hololeucos; Del- phinium Consolida, Nuphar * luteum, Came- lina * dentata, Reseda luteola, Drosera * ro- tundifolia, Dianthus Carthusianorum? Silene Armeria , Spergula * arvensis, Lepigonum rubrum, Holosteum umbellatum, Rham- nus Frangula, Genista * pilosa, * Anglica; Trifolium striatum, Ervum gracile, Potentil- la" argentea, procumbens, Agrimonia odorata, 512 Rosa “ clunamonea, Montia minor, Thysselinum * palustre, Galium saxatile, Valeriana Sambuci- folia, Solidago Virga aurea, Inula Helenium, Achillea Ptarmica, Senecio erraticus, Centau- rea Cyanus, Arnoseris * pusilla, Hieracium * tridentatum, rigidum; Campanula Rapunculoi- des, * Rapunculus, Calluna * vulgaris, Erica * Tetralix, Myosotis * stricta, Scrophularia Bal- bisii, Pedicularis * sylvatica, Thymus * Serpyl- lum, Galeopsis bifida, Stachys * arvensis, Utri- cularia * vulgaris, Hottonia * palustris, Poly- gonum nodosum, mite, dumetorum, * Tatari- cum; Euphorbia * Cyparissias, Cannabis sativa, Myrica * Gale, Pinus * sylvestris, Larix; Stra- tiotes Aloides, Alisma * natans, Sagittaria * Sa- gittaefolia, Potamogeton * natans, * oblongus, * lu- cens, * perfoliatus, compressus, pusillus, den- sus; Lemna polyrrhiza, Acorus Calamus, Orchis incarnata, Scirpus * caespitosus, Carex * stel- lulata, * pilulifera, Panicum glabrum, Crus galli; Avena orientalis, pubescens, Triodia* de- cumbens, Festuca * ovina, Loliacea. De aldus * geteekende zijn reeds door de H. H. v. p. Boscu en B. Wis alhier verza- meld en worden als zoodanig in den Prod. Flor. Bat. genoemd, terwijl de overige 39 als voor Zeeland nieuwe plantensoorten kunnen worden aangemerkt. Ervum gracile DC. en Agrimonia odorata Ait. moeten als voor Neder- and nieuwe soorten worden aangenomen. VERGELIJ KENDE TABEL VAN DE FAMILIEN, GESLACHTEN EN SOORTEN VAN PLANTEN VAN NEDERLAND, ZEE- | LAND EN OOSTELIJK ZEEUWSCH- VLAANDEREN. 8 NAMEN DER | Nede Ke se Z. AANMERKINGEN. |No.| NATUURLIJKE i ZEE Ges!. soorten | Gesl. jsoorten| Gesl. |soorten FAMILIEN. | | Deze tabel is zamen- gesteld, voor zooveel het de planten van Neder- land en Zeeland betreft, naar den Prodr. Florae Batav. Vol. I. en het le Supplement (N. Kruidk. Archief Deel IIT. p. 494. Bovendien zijn voor de Zeeuwsche planten ook nog geraadpleegd de E- num. Plantar. Zeeland. auctore v. D. BoscH No, HI en III. De planten alléén in Oost-Zeeuwsch- VI. voor- komend, zijn in de 2e kolom, die voor Zeeland, niet opgenomen, terwijl in die voor Nederland allen zijn medegerekend, niettegenstaande zij Meens alleenlijk of in Zeeland, of in dit dis- trict zijn waargenomen. 13 Voor Ned. niet bijge- teld Saponaria Vaccaria. zie Ned. kruidk. Archief Deel IV. pag. 36. 14, Voor Ned., voor Zee- land enO. Z. Vlaanderen medegerekend Arenaria leptoclada Guss. zie N. kruidk. Archief Deel I pag. 449. CO OO LD OI UI WH Ranunculaceae. Berberideae. Nymphaeaceae. Papaveraceae. Fumariaceae. Cruciferae. Cistineae. Violarieae. Resedaceae. Droseraceae. Polygaleae. Frankeniaceae. Sileneae. Alsineae. Hlatineae, Lineae. Malvaceae. Tihiaceae. Hypericineae, Acerineae, Geraniaceae. Balsamineae, Oxalideae. Celastrineae, Rhamneae Papilionaceae, . Amygdaleae. Rosaceae. Sanguisorbeae. Pomaceae. Onagrariae, Haloragieae, Hippurideae: Callitrichineae, Ceratophylleae. Lythrarieae. Cucurbitaceae, Portulaceae. Paronichieae. Fr Ot Oe AD IO U 29 29 CI UO IO ee OR CI OO LO TD el El DO Oo el VI CI fl CIL TIENDEN ke O9 © | | Pae) — ODD H HH ies | pera sn el on | eel =| | | | fl in Seco CoH OO [eel el Sears co [— &s) vo foot See HOH RPOLhWD I | i eee eee el =| op Eine = | co | nee Son ee) a) co ra) | ul eeen 20 | oenen Sn ico | Seal NAMEN DER | Nederland. Zeeland, en. AANMERKINGEN. [Nol NATUURLIJKE en Gesl. soorten|! Gesl. \soorten|| Gesl. | soorten FAMIrrEN. 52Inde 3 kolommen bijgeteld Taraxacum hividum. 64 Voor Ned. medege- rekend Chlora perfolia- ta (zie kruidk. Archief Decl IV. pag. 36.) 67 Voor Ned., Zeel. en O. Z. Viaand. medege- teld Nicandra Physa— loides. 72 Voor Ned en O. Z Vlaanderen ook Gale- opsis bifida. Sclerantheae. Crassulaceae. Grossularieae. Saxifrageae, Umbelliferae. 3 Araliaceae. Corneae. Loranthaceae. Caprifoliaceae. Stellatae. Valerianeae. Dipsaceae. Compositae. 4 Ambrosiaceae. Lobeliaceae. Campanulaceae. Vaccinieae. Ericineae. Pyrolaceae. Monotropeae. Aquifoliaceae. Oleaceae. Asclepiadeae. Apocyneae. Gentianeae. Convolvulaceae. Boragineae. Solaneae: Verhasceae. Antirrhineae. Orobancheae. Rhinanthaceae. Labiatae. Verbenaceae. Lentibularieas. Primulaceae. Plumbagineae. Plantagineae. Amaranthaceae. el IO LOOD DRO ANAHUVUOAHMPHYH OHH HPWH OE HORDE BHP HOWE OH 20 = Or par vo tl DO ER OE OT DO el OTE 20 DO fn) = — CO 20 po r Or Co hl © © here ee | ri?) SH 2 U wane | ze | oel | ol | Somoewl | — 2 I Orta go Ot CO ievil Lal ml CO Il OD [rout | wl ol | Semel | ew OUD 0D DT BD OD EH! ND HI 7 DD el leet | {| en) he | eared =| ES) Hm | | to OO’ | hl | > be 2e CO! | 29 ra) ka Dl je el DR hl SI. Nederland. || Zeeland. Oostelijk 4. Vlaanderen NAMEN DER AANMERKINGEN. | No.) NaAruurLIJKE FAMILIEN. Ges]. | soorten|| Gesl. |soorten|| Gesl. |\soorten 79 | Chenopodieae. | 11 | 30 8 | 20 6 | 1 80 | Polygoneae. 2 | 29 of AY) 2 | 16 81 | Thymeleae. 1 l e= =| 82| Hlaeagneae. 1} 1) 2} tee—f— 83| Aristolochieae. 2 2 | —}|— es Maen 84.| Empetreae. 1 1 1 l == 85 | Euphorbiaceae. | 3 | 14 2 5 2 6 86 | Urticeae. 5 | 11 4 8 4 5 87 | Juglandeae. 1 1 if 1 1 I 88| Cupuliferae. 5 6 2 2 2 2 89| Salicineae. 2 | 25 Rel) 2 7 90| Betulineae. 2 4 2 3 1 j| 91| Myriceae. 1 l1/—|— 1 1 92 | Coniferae. 3 7)/—|jJ- 1 2 93| Hydrocharideae.| 2 2 i 1 2 2 94 | Alismaceae. 2 4, 1 2 2 4. 95| Butomeae. 1 1 1 lt ] 1 96| Juncagineae. 2 3 1 2 i 2 97| Potameae. 8 | 20 3 7 3 | 14 98| Najadeae. 2 4 1 2 1 2 99 | Lemnaceae. 1 aje 3 1 + 100) Typhaceae. 2 6 2 3 2 2 101| Aroideae. 3 4 jl 2 ] 1 102} Orchideae. Lovee 3 7 3 6 103) Irideae. 2 3 2 2 iL 1 104; Amaryllideae. 3 4 2 2 | | 105) Asparageae. 4 6 il 1 1 1 106} Lihaceae. Oel 6 40 2 2 107| Colchicaceae. i We Sey ee ee 108] Juncaceae. 2 | 24 dail a 2 9 109} Cyperaceae. 8 | 78 6 | 26 5 | 19 110) Gramineae. 43 | 122 | 34 | 73 | 29 | 56 ptuurlijke Familien.| I. Thalamiflorae. | 90 | 235 | 63 | 181 | 54 {109 Pd 110 IL. Calyciflorae. 177 | 438 | 117 | 221 | 106 | 185 Ba 39 IL. Corolnflorae | 81 }192 | 51104 47) 8 Pe Glandcren 88 IV. Monochlamydeae, 41 | 135 | 26 | 77 | 23 | 53 Dicotyledoneae, 389 1995 | 257 | 533 | 230 | 432 Nonocotyledoneae. | 105 | 382 | 68 | 159 | 57 | 126 Phanerogamae omnes.| 494 1327) 325 [602 | 287 | 558 „516 Ten slotte wordt door den Hr. Suringar eene dubbel tweespletige aar van Plantago major ver- toond, door den Heer v. p. Sanne LACOSTE eenige planten overgelegd van Texel en Vlie- land, en door den Hr. Buse een exemplaar van Heliosciadium repens vertoond, door hem bij Essen gevonden. De Hr. v. p. Boscu brengt nog ter tafel een afgedrukt exemplaar van dat gedeelte van den Prodromus, ’t welk de Fungi bevat, nog bewerkt door wijlen Dr. Dozis, en biedt te- vens uit naam van Mevr. de weduwe Dozy, aan de Vereeniging een exemplaar ten geschenke aan van de Bryologia Javanica, door hem en zijn vriend MorkenBoem geschreven. Er wordt besloten Mevr. de wed. Dozis voor dat blijk van belangstelling schriftelijk dank te zeggen. Verder niets te verhandelen zijnde, wordt de Vergadering gesloten. Dr. C. A. J. A. OUDEMANS, Secretaris. i ts ee is SRY RAT rr Ie } { { | ‘ i i i { j F Hh ly eo Way a "ike ny Spy i ff mie) Da zal NY er ay ey Niort ma